woensdag 7 december 2016

Vonne van der Meer - December verhalen

December - de donkerste maand, lichtste maand, voor de één een feestmaand, voor de ander een rampmaand - is de maand van de lange gure avonden. Van de gordijnen dicht en een boek op de schoot. En dan het liefst een boek waarin het sneeuwt en meisjes met zwavelstokjes voor de ramen staan.

In deze verhalenbundel uit 2009 toont Vonne van der Meer ons de feestdagen van de laatste maand van het jaar in een ander perspectief dan gebruikelijk. Het zijn geen "gezellig rond de kerstboom" verhalen, al appelleren ze allemaal aan een (al dan niet verborgen) christelijke kerstgedachte.
Slechts twee verhalen zijn speciaal voor deze bundel geschreven, de vijf overige verschenen al eerder in tijdschriften of andere verhalenbundels. Voor mij waren ze allemaal nieuw.

Ze zijn niet allemaal even sterk. De best geslaagde (en tevens langste) was voor mij Het zingen, het water, de peen. Het verhaal heeft het geloof in Sinterklaas als basis. Op het moment dat de jongste in een gezin begint te twijfelen aan het bestaan van Sinterklaas heeft zijn moeder niet veel aandacht voor wat er in hem omgaat. Ook zijn vader is er niet voor hem, zijn ouders hebben duidelijk huwelijksproblemen en gaan tenslotte uit elkaar. Wat er ook in de jaren die volgen gebeurt: hij blijft geloven in Sinterklaas en zijn schoen zetten. Pesterijen van zijn broers, bespotting, zachte dwang van zijn moeder. Niets helpt. Hij blijft elke avond zijn schoen zetten met water erbij en een peen en zingt voor hij gaat slapen. In zijn eigen kamer, om zijn moeder die het niet meer aan kan zien te ontzien. Zelfs als hij verkering krijgt en zijn meisje een nachtje zal blijven slapen, volhardt hij in zijn ritueel met als gevolg: einde relatie.
Je kunt het als een psychologisch verschijnsel zien: toen niets meer zeker was en het gezin uiteen dreigde te vallen, was het geloof in Sinterklaas, die er altijd was en naar je lied luisterde, een houvast. Zelfs als er niets in je schoen zat. Rituelen bieden houvast in lastige tijden. Een metafoor voor het christelijk geloof lijkt me echter meer op zijn plaats: de moeder heeft in stilte bewondering voor de manier waarop haar zoon ondanks alles blijft geloven en volharden in zijn vertrouwen dat zijn lied gehoord wordt, dat hij gezien wordt. Zelfs als hij daar grote offers voor moet brengen.
Het verhaal wordt subtiel opgebouwd en maakt iets wat aanvankelijk absurd lijkt tot iets waar je respect voor dient te hebben: iemand die door dik en dun achter zijn overtuiging durft te blijven staan.

Vreemd gaan tijdens het schminken van een Zwarte Piet (Bedrog), het oplossen van de diefstal van Kindeke Jezus uit het stalletje (Kinderdief), Zwervers in je nieuwe huis laten wonen met Kerst (Zwartslapers), deze verhalen zijn inderdaad direct verbonden met de decemberfeestdagen. Dat geldt wat minder voor de man die vlak voor de Kerst tijdens een dienstreis beseft dat hij meer aandacht aan zijn vrouw moet schenken en cadeau's voor haar meebrengt (In vreemde handen), voor Maria die haar zoon als  jong meisje moest afstaan (Maria je zoon zoekt je) en de cardiologe die tijdens een kerstbal in een blauwe jurk naar de intensive care geroepen wordt en voor Maria wordt aangezien (Blauwe Kerst). Geen van deze overige verhalen kon me erg boeien. Maar misschien hoort de sentimentaliteit van bijvoorbeeld Zwartslapers wel bij het idee van een bundel met Kerstverhalen.

Wie niet teveel verwacht, zal zich er ongetwijfeld mee kunnen vermaken tijdens de donkere dagen van december. Maar Eilandgasten vond ik toch een stuk sterker.

Vonne van der Meer - December verhalen. Amsterdam, Contact, 2009. Geb., 142 pg., isbn:978-90-254-3256-0.

© Jannie Trouwborst, december 2016.

Ik lees Nederlands 44/35.

Mijn non-fictie voorkeuren

De één na laatste vraag die Hendrik-Jan ons stelt dit jaar in de serie #50books is vraag 49: Wat lees je naast fictie? (KLIK HIER). Vanaf januari zal Martha (KLIK HIER) het stokje weer overnemen, met een nog geheimgehouden, andere opzet. Ik ben benieuwd!
 
Ik deed hem deze suggestie aan de hand maar uit de antwoorden die binnenkwamen tot zover, blijkt dat niet iedereen begreep wat ik bedoelde. Het ging niet om tijdschriften e.d., maar echt om boeken (#50books).

Maar dan niet met verzonnen, gefantaseerde verhalen (fictie), maar om alle boeken die daar op de een of andere manier van afwijken (non-fictie = niet verzonnen).
Meestal bloggen we over romans of poëzie. Maar ik geloof vast dat iedereen ook andere boeken leest, waar dan niet of nauwelijks over geblogd wordt. En voor zover dat niet te privé is, leek het me leuk om te lezen wat de anderen op dit gebied graag lezen.

Wat mezelf betreft:
- (sociale) geschiedenis, m.n. van Nederland in de 19de, begin 20ste eeuw vind ik interessant
- biografieën uit diezelfde periode
- cultuurhistorische onderwerpen
- natuurfotografie is een van mijn hobby's, dus zowel boeken over de technische aspecten van fotograferen als natuur- en fotoboeken om inspiratie op te doen lees/bekijk ik graag
- dat geldt ook voor kunstboeken: net als poëzie en fotografie kunnen schilderijen/tekeningen/prenten gevoelens oproepen of je weg laten dromen. Het verhaal dat in een roman uitgewerkt is, verzin je zelf terwijl je ze bekijkt
- dan zijn er nog de LAW-wandelgidsen, met niet alleen een routebeschrijving en een kaartje, maar met foto's en achtergrondinformatie/historie van de streek: eerst lezen , later wandelen.
- psychologie en filosofie op z'n tijd
- en dan (zoals vast iedereen) naslagwerken op het gebied van hobby's en interesses.

Natuurlijk lees ik ook tijdschriften, sommige omdat ik er een abonnement op heb, andere omdat je ze nu eenmaal bij je lidmaatschap van de een of andere vereniging krijgt. Daar is veel over de natuur bij, maar ook over lezen, wandelen en cultuurgeschiedenis. Wisten jullie trouwens dat je in de grotere bibliotheken ook heel veel tijdschriften kunt lezen? Zelfs zonder lid te zijn! En dat je als lid de oudere nummers ook kunt lenen?
 
Ik ben reuze benieuwd naar de laatste vraag van Hendrik-Jan en naar de plannen van Martha. Ik wil hem hierbij nogmaals hartelijk danken voor alle inzet! Het is voor mij een inspirerend Jaar van het Boek geweest op deze manier!

Jannie Trouwborst, december 2016.

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

maandag 5 december 2016

Louis Dievel - Landlopersblues

Landloper, een woord dat waarschijnlijk niemand meer gebruikt. Tegenwoordig spreekt men over zwervers of daklozen en die zijn doorgaans te vinden in een stedelijke omgeving. Maar er was een tijd dat de ouderwetse landloper van dorp naar dorp zwierf en trachtte aan voedsel te komen door te bedelen, iets te verkopen of muziek te maken. Lange tijd levert dat geen problemen op. Totdat Koning Willem I bij zijn terugkeer in 1815 een totaal verarmde natie aantreft: het is crisis in de Nederlanden. Werkeloosheid en hongersnood treffen grote delen van de verpauperde bevolking. De overlast van daklozen, landlopers en bedelaars dreigt te groot te worden, met name in de steden. Landlopen en bedelen wordt bij wet verboden, zowel in de Noordelijke, als in de Zuidelijke Nederlanden. Wie wordt opgepakt, komt in strafkolonies terecht, zoals Ommerschans (1820 - Overijssel), Veenhuizen (1822 - Drenthe) of Merksplas (1824 - Vlaanderen). Pas in resp. 1993 (Vlaanderen) en 2000 (Nederland)  wordt de wet afgeschaft. Volgens de rechten van de mens kan niemand veroordeeld worden voor arm en dakloos zijn. Dat klinkt alleszins redelijk, maar of het zo ook uitpakte voor alle betrokkenen?

Louis van Dievel (Mechelen - 1953, journalist en schrijver van o.a. De Pruimelaarstraat, shortlist  Libris literatuurprijs 2007) schreef in zijn roman Landlopersblues over het leven van enkele landlopers uit de tweede helft van de 20ste eeuw, die overleden kort voor het einde van de Merksplas als landloperskolonie.

Merksplas is tegenwoordig een gevangenis en strafinrichting. Maar net als in Veenhuizen is er een plek ingeruimd voor een gevangenismuseum en wordt het kerkhof in ere gehouden. Hier zijn sinds halfweg de negentiende eeuw duizenden landlopers begraven, bijna altijd naamloos. De witte kruisjes dragen enkel een nummer. Niemand miste de overleden landlopers. Maar nu gaan steeds vaker kleinkinderen op zoek naar de grootvader wiens naam in de familie taboe is, die nooit heeft bestaan en over wie nooit wordt gesproken.

Landlopersblues begint wanneer kleindochter Anita na lang zoeken het graf van haar grootvader Pol Vervoort ontdekt op het landloperskerkhof van Merksplas. En zich afvraagt waarom hij indertijd vrouw en kinderen in de steek liet.

Een stem geven aan landlopers die niets hebben nagelaten en die geen familie hebben die over ze kan of wil vertellen: hoe doe je dat? De oplossing van Van Dievel is even verrassend als effectief: hij laat ze allemaal zelf aan het woord. Vanuit hun graf communiceren ze met elkaar, zonder dat de levenden het kunnen horen. Want ook zij krijgen een stem in het verhaal: de kleindochter, de weduwe van een cipier en een gepensioneerde cipier die nu voor het kerkhof en het museum zorgt.

De hoofdrolspelers worden op de eerste pagina geïntroduceerd aan de hand van een korte typering. "Pol Vervoort, ex-havenarbeider, landloper". "Jeanne van Gorp, weduwe van cipier Gerard van Gorp". "Nest de Fauw, dief, gedetineerde". Want tussen de landlopers ligt ook een enkele crimineel. In elk hoofdstukje (meestal maar enkele bladzijden lang) horen we de stem van één van deze hoofdrolspelers. Hun trieste voorgeschiedenis wordt stukje bij beetje duidelijk. Maar omdat het er best veel zijn (5 landlopers, 3 gedetineerden en 3 nog levende personen) is het soms wat lastig de levensverhalen uit elkaar te houden. Geregeld terugbladeren naar de eerste bladzijde helpt wel, maar pas bij een tweede maal lezen gingen alle personen echt voor me leven.

Er is een mooie mix gemaakt van de achtergrondverhalen. Zoals van grootvader Pol, die zwerven móest en zelf niet precies weet waarom. Die momenten van spijt had, maar zich tegelijk zo schaamde dat hij geen weg terug meer zag. En die, nu hij Anita hoort en ziet bij zijn graf, nog meer beseft wat hij gemist heeft. En van Jefke, als dwerg geboren, werkend bij het circus met zijn ouders. Hij is pas veertien als ze overlijden en de directeur hem verkoopt aan kermisklanten, die hem vervolgens uitbuiten. Pol ontfermt zich over hem. Of over Berten Bossard, door zijn moeder als heel kleine jongen, samen met zijn broertje zonder uitleg achtergelaten aan de poort van een klooster. De paters misbruiken beide kinderen. Het drijft zijn broertje tot zelfmoord en Berten is daar getuige van. Ze zetten hem buiten zodra hij daar groot genoeg voor is. Het leger lijft hem in voor een extra lange diensttijd, omdat hij niet reageerde op de oproep (die hij in zijn zwervend bestaan nooit ontving). Daar leert hij o.a. zuipen als de beste....

Zo komen alle verhalen voorbij, eigen keus/schuld of juist pech en ongeluk, het maakt niet uit. Uiteindelijk kennen ze elkaar, zoals ze daar nu liggen, van Merksplas. Wie wegens landlopen door de rechter wordt veroordeeld, komt daar terecht. Uit de verhalen wordt duidelijk, dat de landlopers het hier niet slecht hebben. Er heerst wel een zekere orde, alcohol is (officieel) verboden en er moet gewerkt worden. Daar verdienen ze iets mee voor als ze weer vrij komen. In het voorjaar en de zomer zijn ze liever buiten. Maar tegen de winter verzuipen ze hun laatste cent en melden zich daarna als landloper bij de rechter. Die kent hun verhalen inmiddels en veroordeelt ze welwillend tot een verblijf in Merksplas, waar een warm bed en een goede maaltijd wacht.

Daaraan komt een eind als in 1993 de kolonie Merksplas (en het vergelijkbare Wortel) wordt gesloten. Jeanne, de weduwe van een cipier, vertelt daar verontwaardigd over. "Dien je zo de rechten van de mens?" Honderden mensen worden  van de ene op de andere dag op straat gezet en hebben dus in de winter geen toevluchtsoord meer. Merksplas verandert in een gesloten strafinrichting. Drugsverslaafden en illegalen komen in de plaats van de landlopers. De landlopers op de begraafplaats maken dat niet meer mee. Ze zijn allemaal voor 1990 overleden.
Het is knap om zowel al deze feitelijke, als persoonlijke aspecten in een roman te verwerken. Van Dievel maakt op natuurlijke wijze gebruik van Vlaamse woorden en uitdrukkingen, dat leest prettig. Een Vlaamse zwerver spreekt nu eenmaal geen ABN. En de context lost een enkele onduidelijkheid wel op.

Landlopersblues: het verwijst naar de melancholieke muziek die Jaak Ponsaerts uit zijn "mondmuziekje" (mondharmonica) haalde. Als hij zich triestig voelt, speelt hij er improviserend op, is even helemaal weg van de wereld en ontroert iedereen, zelf de stoerste kameraden. Blues, melancholie, heimwee naar de vrijheid van het zwerven, maar ook naar wat verloren gaat in de loop van een mensenleven en niet meer terug te draaien valt: daarover mompelen de mannen onder de voeten van Anita, in zichzelf en soms met elkaar. En Van Dievel maakt ons daar een stille getuige van.

Louis van Dievel - Landlopersblues. Antwerpen, Vrijdag, 2016. Pb., 254 pg. ISBN:978-94-6001-452-9

© Jannie Trouwborst, november 2016

Ik lees Nederlands 43/35. 

Deze recensie verscheen eerder op  De Leesclub van Alles en De Leestafel .

zaterdag 3 december 2016

Hans Peter Roel - Ki: kracht van binnenuit

Ki of Chi zoals de Chinezen het noemen is niets geheimzinnigs. Het is een universele energie die ons omringt en voedt en die we kunnen leren voelen en gebruiken. Daar is wel oefening voor nodig. In de afgelopen vier jaar maakte ik er stapje voor stapje kennis mee via de Tai Chi en Qigong lessen van een gedreven en enthousiaste lerares. Er is nog een lange weg te gaan, maar de eerste resultaten zijn zichtbaar en voelbaar: wie geregeld Tai Chi en Qigong beoefent voelt zich vitaler, gezonder en soepeler. Spieren worden ongemerkt sterker, de ademhaling rustiger, de houding meer ontspannen. En, ook niet onbelangrijk, je bekijkt je omgeving en de zaken die op je pad komen met andere ogen.

De honderden mensen die hier in Zeeuws-Vlaanderen wekelijks de lessen volgen, kennen elkaar inmiddels van workshops in Breskens, Tai Chi weken in Frankrijk (komend jaar in de Ardennen) en inhaallessen op andere locaties. Het voelt goed om allemaal met dezelfde intenties bezig te zijn met deze bijzondere levensfilosofie.

Er valt genoeg over te lezen, zoals het boek Ki van Hans Peter Roel. Ik kreeg het te leen van een van de cursisten en heb het met plezier gelezen. Met Ki en Chi wordt hetzelfde bedoeld. Zeker voor wie de betekenis er al van kent, is het een aanrader. Je leest er dingen in die je zelf al ervaren hebt. Voor wie het nieuw is en er nieuwsgierig naar is, is het een gemakkelijke manier om er kennis mee te maken. En daarna eens een proefles, zou ik zeggen.

Hans Peter Roel heeft een deels autobiografisch, deels verzonnen verhaal geschreven over zijn eigen ervaringen in een boeddhistisch klooster in Nepal. Opgebrand in de bankwereld komt hij bij "toeval" tijdens een week vakantie in Nepal in contact met een Nepalese gids die hem overhaalt mee te gaan naar een klooster in de bergen. Daar leert hij anders naar het leven te kijken, wordt hij ingewijd in het geheim van de Chi en krijgt hij de opdracht deze kennis over de wereld te verspreiden. Hij aanvaardt dat zijn verblijf van vijf weken in Nepal onvermijdelijk tot ontslag zal leiden en zet na thuiskomst zijn opdracht om in daden. Hij gaat boeken schrijven en workshops geven om zo de opgedane kennis te verspreiden.

Verwacht geen literair hoogstandje: een goede redacteur had nog wel wat kunnen schaven aan de tekst, die veel herhalingen en clichés bevat. Maar als je daar over heen leest, leest het vlot en het gaat uiteindelijk om de boodschap. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 2010. Inmiddels is het aan de 8ste druk toe. Er bestaat ook een werkboek van en Roel heeft een Ki centrum (KLIK HIER) opgericht waar workshops en begeleide meditaties plaats vinden.
Voor mij hoeft dat niet zo nodig. Ik ben dik tevreden met wat onze eigen Tai Chi school (KLIK HIER) aanbiedt. Bovendien moet je het toch vooral zelf doen, door er dagelijks bewust mee bezig te zijn. Maar het kan nooit kwaad eens te lezen over de weg die een ander heeft afgelegd.

Van harte aanbevolen dus voor iedereen die geïnteresseerd is in een leven dat meer voldoening kan geven. Om met Hans Peter Roel te spreken: We zijn de grootste bron van geluk vergeten: onze levensenergie.

Hans Peter Roel - Ki: kracht van binnenuit. Baarn, N.E.X.T. Company, 2010. Pb., 313 pg., isbn:978-90-79677-10-8.

© Jannie Trouwborst, december 2016.

Ik lees Nederlands  43/35

dinsdag 29 november 2016

Mijn verlanglijstje

Kiezen en beslissingen nemen is voor mij nooit gemakkelijk geweest. En daar word ik weer eens mee geconfronteerd door vraag 48 van #50 books van Hendrik-Jan (KLIK HIER) : Welk boek staat er op je verlanglijstje voor de feestdagen?

Eigenlijk heb ik er ook nog niet echt over nagedacht. Al jaren geleden besloot ik de keuzestress te lijf te gaan door vrijwel alleen nog oorspronkelijk Nederlandse literatuur te lezen. Dat helpt al een beetje. Maar nog steeds verschijnen er in Nederland en Vlaanderen wel erg veel prachtige boeken. Gerbrand Bakker en Jan van Mersbergen zetten me op het spoor van de uitgeverij Cossee. Dat werd al snel een bron van inspiratie, in elke catalogus staan meerdere aantrekkelijke boeken voor mij. En men stuurt ze me graag toe op aanvraag, voor een recensie. Die staan dus wel op mijn verlanglijstje, maar niet voor de feestdagen. Soms vraag ik bij een andere uitgeverij een boek aan dat mijn belangstelling heeft. Of ik leen het van de bibliotheek, zodra het daar beschikbaar is. Een boek kopen of cadeau vragen gebeurt dus maar zelden.
Toch zijn er uitzonderingen. Informatieve boeken, zoals Hoe lees ik? en Olijven moet je leren lezen wil ik met enige regelmaat op kunnen pakken. Dat geldt ook voor dichtbundels en fotoboeken. Of natuurgidsen en andere naslagwerken. Die koop ik of vraag ik dus wel als cadeau. Op dit moment heb ik echter geen wensen op dat gebied.

Net zoals Niek (KLIK HIER) vermeldt in haar antwoord op deze vraag, zwerven er hier allerlei kladjes rond met titels en schrijvers die interessant zouden kunnen zijn. Soms weet ik echt niet meer waar de boeken over gaan en waarom ik ze genoteerd heb. Of ze zijn al weer ingehaald door nieuwe, aantrekkelijk lijkende boeken. En er liggen er ook genoeg die ik ooit kocht of kreeg en waar ik niet aan toegekomen ben. Moeilijk dus om hier een antwoord op te vinden.

Nu zijn er een paar auteurs waarvan ik meestal wel hun nieuwe uitgaven koop. O.a. Remco Campert (pas nog een columnbundel gekocht), Gerbrand Bakker (Jasper en zijn knecht kreeg ik cadeau van hem), Elke Geurts (vorig jaar kreeg ik haar verhalenbundel Lastmens van Sint) en Jan van Mersbergen. Van hem is pas De ruiter verschenen. Misschien wordt het die dan wel. Of toch maar Blindelings van Kris van Steenberge? Of De herontdekking van het lichaam van Bregje Hofstede? Of Marie de Meister - De stilte ven Thé? Die staan nog op mijn kladjes.....

Zie je wel, daar gaan we weer. Ik laat het maar op me af komen. Voorlopig lees ik in Bette Adriaanse - Post voor Rus Ordelmans. En dat is in ieder geval weer ouderwets genieten.

© Jannie Trouwborst, november 2016. 

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.


zaterdag 19 november 2016

Remco Campert - Zonder roken bij mij geen poëzie

"Zonder roken bij mij geen poëzie. Het mag ook andersom zijn. Als poëzie een gevolg van of een aanleiding tot roken is, dan is het geen knip voor de snotterende rokersneus waard. Maar wat is poëzie?' Dat is wat Remco Campert in deze bundel onderzoekt. Trefzeker leidt hij zijn lezers naar het mooiste wat er is, en dat is veel, want Campert is een onstuimig lezer. 'Een paar dagen lang kan ik ook wel zonder, maar dan betrap ik me er toch opeens op dat ik met mijn hand in de boekenkast sta."

Het begint traditie te worden: elk najaar verschijnt er een paperback met columns die Campert het jaar ervoor schreef voor de Volkskrant. Het heeft voordelen geen abonnee te zijn: voor mij zijn ze allemaal nieuw. En als hij dan ook nog eens voor een bepaald thema gekozen blijkt te hebben, dan wordt het lezen extra aantrekkelijk.

Dit keer was dat de poëzie, zoals de titel en de samenvatting al aangeven. In Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz (KLIK HIER) stond de tip: koop een bloemlezing om te ontdekken welke dichters je aanspreken. Nu weet ik "toevallig" al dat ik van de poëzie van Campert houd, maar in dit boekje valt te ontdekken waar Campert zelf van houdt. En daarmee is het tevens de bloemlezing waar E.D op doelde.
De variatie is groot: J.C. Bloem, J.H. Leopold, Paul van Ostaijen, Joost Zwagerman, Mark Boog, Hagar Peeters, Vasalis, Hugo Claus. Teveel om op te noemen. Bijna jammer dat hij achterin niet een alfabetische lijst van de geciteerde dichters heeft opgenomen.

Campert heeft altijd gezegd dat hij vooral een dichter is en veel minder een schrijver. Aan zijn liefde voor de poëzie geeft hij zich in deze bundel dan ook volledig over. Maar dat hij daarnaast toch een begenadigd schrijver blijft, blijkt uit de verbindende teksten tussen de citaten. Humor, relativisme, melancholie, het zijn bekende en geraffineerd toegepaste elementen. Dat maakt dat zelfs een bundel met heel veel gedeeltelijk geciteerde gedichten toch prettig leest.

Enkele columns bevatten geen poëzie. "(Auto)biografie" bijvoorbeeld. Er wordt momenteel een biografie over hem geschreven. Hij vraagt zich af of hij zich zal herkennen in het geheel, temeer omdat hij niet gelooft zichzelf te kennen.

"Je kunt het heft ook in eigen handen nemen en een autobiografie schrijven. Daar is een bepaalde portie ijdelheid voor nodig. Dat is niet erg. Misschien is het hele schrijven wel ijdelheid. Kijk 's, hier ben ik. Vind je me niet mooi? Een autobiografie lijkt me een vruchteloze onderneming voor iemand die zichzelf niet kent." (...) "Maar hoe betrouwbaar zijn herinneringen? In de loop van jaren worden ze aangedikt of vervagen ze. Voor elke herinnering zou je minstens één betrouwbare getuige moeten hebben. Die herinnert het zich weer op zijn eigen manier. De oorspronkelijke zekerheid van de herinnering wordt ondermijnd."
En hij eindigt met de opbeurende en relativerende woorden: "Laat dit mijn biograaf niet ontmoedigen. Zelf ben ik van mening dat een biografie behoort tot het nobele genre van de fictie."

Het wezen van de poëzie en dan in het bijzonder voor hemzelf komt geregeld aan bod. Zoals in "Prikkeldraad"

"Soms is het allemaal zo klein geworden dat er geen ruimte is voor poëzie. De wereld heeft zich verengd tot een bomaanslag in Bagdad, in Ankara. Daar is alleen ruimte voor bloed en tranen. Poëzie komt dan voor als een luxe speelgoedje voor een ver van de werkelijkheid verwijderd keurkorps van fijn besnaarden. Tegen het kruit is geen poëzie gewassen.
Ik verlang ernaar poëzie te gaan schrijven waarin verslag wordt gedaan van hedendaagse gruwelijkheden. Poëzie die echt van deze tijd is. Poëzie als een vorm van journalistiek. De door prikkeldraad tegengehouden vluchtelingen, de moordpartij in de Bataclan, de bombardementen op Syrië, alles zou daar zijn plaats in moeten vinden. Poëzie gevoed en besmeurd door wat er op aarde gebeurt."

Een aantal columns verder lukt het hem ook. 

ZAVENTEM
Afgerukte arm bot en bloed
laaiend vuur in de vlieghal
zij zit met het hoofd van haar kind in handen
schedel beroofd van dromen
hij merkt in een tel van eeuwigheid
dat zijn benen ontbreken
en sterft
bommengordels aangegord
bliezen de baarden zich rechtvaardig op
puur en genadeloos in hun jacht op maagden
zullen wij ook zo paradijsgericht zijn?
god ontferm u
en schaf religie af.

Nog iemand verbaasd dat ik deze dichter bewonder?

Remco Campert - Zonder roken bij mij geen poëzie. Amsterdam, D Bezige Bij, 2016. Pb., 140 pg. ISBN:978-90-234-98506. (Columns eerder verschenen in De Volkskrant).

© Jannie Trouwborst, november 2016.

Ik lees Nederlands: 42/35.

zaterdag 12 november 2016

Philippe Claudel - Het verslag van Brodeck

Net als de jaren hiervoor hield Literasa in september de Ik lees Frans Maand (KLIK HIER). Ik wilde wel graag meedoen, maar mijn Frans is niet goed genoeg om in 1 maand een heel boek te lezen. Het werd een vertaling van Charlotte van David Foenkinos (KLIK HIER). Maar er was meer: wie haar een originele tip gaf voor een Frans boek, kon meeloten naar Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel. Dat was wel heel verleidelijk, want ondanks dat ik weinig vertalingen lees, maak ik toch voor Claudel geregeld een uitzondering. En laat ik nu ook nog de gelukkige winnaar zijn! Ik heb het boek inmiddels gelezen en ben er zo van onder de indruk, dat het toch nog enige tijd heeft geduurd voor ik aan dit verslag kon beginnen. Maar het wordt nu wel tijd om er eens even echt voor te gaan zitten.

Samenvatting

Brodeck heeft er niet om gevraagd. Hij is door zijn dorpsgenoten uitgekozen om een verslag te schrijven over de Anderer, een vreemdeling die enkele maanden eerder in het dorp is komen wonen. Details zijn niet nodig, de feiten zijn genoeg. Zolang maar duidelijk wordt dat de dood van de vreemdeling onvermijdelijk was.
Brodeck ontdekt al snel meer dan hij ooit kwijt zal kunnen in het verslag. Hij besluit naast het officiële verslag een persoonlijk document bij te houden. Al schrijvende wordt hij herinnerd aan zijn deportatie naar het kamp waar hij al zijn waardigheid verloor, en komt hij erachter wat zijn vrouw is aangedaan tijdens zijn afwezigheid. Intussen hoort hij steeds meer gedempte stemmen, die hem doen inzien dat hij zelf misschien ook niet zo thuis is onder zijn dorpsgenoten als hij tot dan toe had gedacht.
Het verslag van Brodeck is een parabel op de Shoah waarin het woord 'jood' niet één keer voorkomt. Haarscherp schetst Philippe Claudel tot welke gruwelijkheden mensen in staat zijn om zichzelf te redden, maar bovenal laat hij zien hoe liefde de kracht geeft om te volharden, tegen alle angst in. Het verslag van Brodeck is een intense roman, waarin Claudel met zijn gevoelige en beeldende manier van vertellen de kern van het menselijk bestaan raakt.(Bezige Bij).


Leeservaring

Zoals de samenvatting al aangeeft, lopen er twee verhaallijnen door elkaar. Het persoonlijke verslag zoals wij dat voorgeschoteld krijgen, is geschreven door de ik-figuur Brodeck en het is eigenlijk het belangrijkste verhaal. Het vormt een onthutsend beeld van het verloop van zijn leven. Daarbinnen is hij bezig met het verslag waar zijn dorpsgenoten om vroegen, maar voor hem is dat minder belangrijk: hij moet voorzichtig zijn met wat hij opschrijft en heeft zo zijn eigen gedachten over de gebeurtenissen. Aan het einde komen de twee verhaallijnen samen: het verslag is af, hij heeft zijn conclusies getrokken en vertrekt met de drie mensen waar hij het meest van houdt uit het dorp.

Tijdens het schrijven springt het verhaal heen en weer tussen zijn bevindingen nu en wat hem in het leven is overkomen. Puur associatief en daardoor niet altijd chronologisch. Nergens noemt Claudel plaatsnamen, jaartallen, hij laat veel aan de lezer over. Dat geeft ruimte voor eigen interpretaties, maar doet je meteen beseffen dat de gruwelijke verhalen van wat mensen elkaar aan kunnen doen, zeker als ze gezamenlijk optrekken en elkaar ophitsen, van alle tijden en alle streken zijn. Net als het trachten te redden van je eigen hachje, waaraan ook hij zich eenmaal heeft schuldig gemaakt en waar hij nog altijd onder lijdt.
Bijna niemand in het verhaal krijgt een normale naam: het zijn allemaal bijnamen die karaktereigenschappen suggereren en de gedetailleerde fysieke omschrijvingen vormen karikaturen. Alleen zijn vrouw Emélia , dochtertje Poupchette en Fédorine worden bij naam genoemd en liefdevol omschreven. Het verhaal is gruwelijk, somber, maar ook poëtisch, teder. Het is realistisch en magisch, troosteloos en hoopvol. Je wordt als lezer heen en weer geslingerd, zoals Brodeck heen en weer geslingerd wordt bij het opdiepen en noteren van zijn herinneringen.
Elke interpretatie is juist, het is aan de lezer, zegt Claudel in een interview. Mij bekroop evenwel het gevoel dat er zoveel meer in dit boek zit, dan ik kan vermoeden. Maar dat het me desondanks enorm aangreep, in verwarring bracht en tot denken aanzette, blijft een feit.

Dit is mijn interpretatie: Brodeck is een jochie van 4 als hij tijdens WO I op de puinhopen van een verwoeste stad wordt gevonden door een oude vrouw: Fédorine, zijn ouders zijn dood. Ze neemt hem mee en zal altijd voor hem blijven zorgen, er is een sterke, liefdevolle band tussen beiden. Ze komen te wonen in het dorp (ergens in de Elzas/Lotharingen) waar het drama, waarover Brodeck verslag moet doen, zich afspeelt. Hij is ooit door zijn dorpsgenoten naar de stad gestuurd, om als een van de weinigen te studeren om van nut te zijn voor de rest van het dorp. Tijdens zijn studie leert hij Emélia kennen, maar hij moet samen met haar terug naar het dorp vluchten vanwege de Kristallnacht: ook hij wordt aangevallen. WO II is een feit en zijn dorp wordt door de Duitsers ingenomen. Hij wordt als Jood aangegeven, opgepakt en naar een concentratiekamp gestuurd waar hem de vreselijkste dingen overkomen en hij getuige is van de gruweldaden die mensen elkaar kunnen aandoen. Hij overleeft en keert naar huis terug. Het is de liefde voor zijn vrouw die hem door alle vernederingen en kwellingen heeft heen gesleept. Niemand had hem terug verwacht, hij krijgt signalen dat zijn vrouw door zowel door de Duitsers als de dorpelingen misbruikt is. Poupchette kan niet van hem zijn, maar hij houdt zielsveel van haar en van zijn vrouw die door alle gebeurtenissen niet meer spreekt, alleen nog neuriet. En van Fédorine. Gelukkig zijn met deze drie mensen is voor hem belangrijker dan terugkijken naar alles wat hem is aangedaan.

Dan komt er een vreemdeling naar het dorp en vraagt onderdak in de herberg. Hij heeft een ezel en een paard bij zich en kleedt zich anders, heeft een vreemde haardracht (zwarte, lange krullen). Niemand kent zijn naam. Hij is heel vriendelijk, dwaalt door het dorp en de omgeving, schrijft en tekent in een notitieboekje. De nieuwsgierigheid van de dorpsbewoners verandert langzamerhand in achterdocht, angst en afwijzing. En tenslotte in razernij en moordlust. De Anderer, zoals Brodeck hem noemt, heeft iedereen uitgenodigd om de tentoonstelling van zijn tekeningen en schilderijen te bekijken. Ze lijken onschuldig, maar wie beter kijkt, ziet dat hij hen een spiegel voor houdt: hun misdaden en slechte eigenschappen zijn aan de portretten af te lezen, de landschappen tonen de plekken waar door hun schuld vreselijke dingen gebeurden. Ze zijn behoorlijk dronken en opgefokt, als ze besluiten dat deze vreemdeling moet sterven. Ze vernielen de kunstwerken. Dan doden ze zijn twee dieren, waardoor hij ontroostbaar is. Maar dat is niet genoeg.
Brodeck stapt de herberg binnen, als de moord net heeft plaatsgevonden. Ze willen dat hij in zijn verslag duidelijk maakt, dat het niet anders kon, dat deze vreemdeling wel moest sterven. Als hij het officiële verslag af heeft, begrijpt Brodeck dat hij hier niet kan blijven. Hij vertrekt uit het dorp, heel vroeg in de morgen en heeft het gevoel alsof alles achter hem van de aardbodem verdwijnt. 

Nergens de woorden Jood, Kristallnacht, WO I en WO II, collaborateurs, concentratiekamp. En de herberg, de vreemdeling, de ezel en het paard? Verwijzingen naar Jezus? De Anderer die bij zijn dood alle schuld van de dorpsbewoners op zich neemt, zodat er vergeten kan worden wat ze misdaan hebben? Op een kar kwam het kind Brodeck naar het dorp, met diezelfde kar vertrekt hij weer: de altijd dwalende Jood, nergens veilig. Zich afvragend: "Misschien ben ik wel nergens meer. Misschien ben ik uit de geschiedenis gestapt. Misschien is de tijd der fabelen wel aangebroken en ben ik de reiziger uit die fabel wel."
Een fabel: een verzonnen, moraliserende vertelling. Ook ons wordt een spiegel voorgehouden. Lees het verhaal van de reiziger uit deze fabel en word je bewust van wat er om je heen gebeurt, nog steeds.
"Ik heet Brodeck. In godsnaam, onthoud het. Brodeck".

Philippe Claudel - Het verslag van Brodeck. Amsterdam, De Bezige Bij, 2014. Pb., 15de dr., 333pg. ISBN:978-90-23453956.

© Jannie Trouwborst, november 2016.