donderdag 7 november 2019

Vrouwkje Tuinman - Lijfrente

Op 16 maart 2018 overleed Frank Starik, pseudoniem van Frank von der Möhlen, een Nederlandse dichter en prozaïst, alsmede fotograaf, zanger, performer en beeldend kunstenaar. In 2002 richtte Starik in navolging van het Groninger Eenzame uitvaart-project in Amsterdam de Poule des Doods op, een dichterscollectief dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Vrouwkje Tuinman was bijna 15 jaar zijn partner. Met de dichtbundel Lijfrente doet zij verslag van het eerste jaar na het verlies.

De definitie van wat onder poëzie verstaan moet worden, is voortdurend aan verandering onderhevig. Vooral wat betreft de vorm. Zo zijn rijmschema's allang losgelaten, maar de drijfveer van de dichter bleef gelijk: woorden trachten te vinden voor het onzegbare of uitdrukking te geven aan oergevoelens, zoals liefde, dood en rouw.

Het wekt dan ook geen verbazing dat Vrouwkje Tuinman, die al vijf dichtbundels op haar naam heeft staan, woorden tracht te vinden voor de gevoelens die haar in het eerste jaar na de dood van haar geliefde overvallen. Lijfrente is een kwetsbaar verslag van haar worsteling hem zo levendig mogelijk in gedachten bij zich te houden en tegelijkertijd te beseffen dat ze hem los moet laten, dat haar leven verder gaat. Het geld dat hij haar naliet, zet ze om in een lijfrente: een betere titel voor deze gedichtenbundel bestaat er niet. Een voorbeeld van hoe dichters aan gewone woorden een extra betekenis geven.
Gedichten, staat er op de titelpagina van de bundel. Terecht, maar er zijn ook een paar bladzijden met teksten bij die ik eigenlijk gedachten zou willen noemen. Ze passen perfect in de bundel, maar zoeken de grens op tussen proza en poëzie. De term poëtisch proza past daar wellicht bij.

Alle gevoelens die een mens zo'n eerste jaar van rouw overvallen, komen in aansprekende gedichten terug, maar ook de praktische zaken die geregeld moeten worden en soms flink pijn doen. Dan zijn er nog de vaak goedbedoelde, maar foute opmerkingen die anderen maken. Herinneringen, dromen, het leven dat doorgaat, afscheid nemen en opnieuw beginnen, het blijft heel moeilijk.

DAT KUN JIJ,

Zei hij, bij dingen waarover ik twijfelde,
en soms geloofde ik hem.
Vooral als het dingen waren die hij zelf niet kon.

Zo ben jij,

Zei hij, als ik iets presteerde
bovenop de gewone dag.
Iets waar hij zelf nog niet aan gedacht had.

Ik weet niet wie ik nu kan zijn.

Daarnaast was er nog de tentoonstelling over Frank Starik die Vrouwkje Tuinman hielp voorbereiden in het Literatuurmuseum (13 september - 17 november 2019), waar zijn literaire nalatenschap bewaard wordt. En bezorgde ze postuum zijn laatste werk: Klaar. Dat moet een zware opgave geweest zijn. Starik schreef ook over zijn dementerende moeder. In de dichtbundel krijgt ze eveneens een plekje. Haar schoonmoeder blijft denken dat haar zoon nog leeft. Dat maakt de gesprekken moeizaam en pijnlijk.

JA, IK GA NOG STEEDS NAAR HET VERPLEEGHUIS
......
4. 
Dit is mijn schoondochter toch? informeert mijn schoonmoeder bij een verpleger.
Hij was er niet bij, de middag dat ze haar zoon in een kist bekeek. Zijzelf slechts in compartimenten: een deel dat keek, een deel dat registreerde, een deel dat een en twee slechts even aan elkaar kan koppelen, een deel dat het thuis alweer was vergeten.
Ik ben nog altijd schoondochter, al woont hier niemand meer die zich mijn man herinneren kan. 
Wat goed dat je nog steeds komt, zegt hij. 

Verwacht geen dichtbundel waar je troost uit kunt putten of die een leidraad kan zijn bij het verwerken van een verlies. Wie ooit een geliefde verloor zal er een en ander in herkennen, maar rouwen doet ieder mens op zijn eigen manier. Vrouwkje Tuinman heeft besloten haar proces met de lezer te delen. Een moedig besluit dat respect verdient.

Vrouwkje Tuinman - Lijfrente. Amsterdam, Cossee, 2019. Pb, 61 pg., isbn: 978-90-5936-863-7.

© Jannie Trouwborst, november 2019.

woensdag 6 november 2019

Maarten 't Hart - Het Psalmenoproer


Het is voor recensenten erg vervelend als schrijvers zich niet houden aan gangbare categorieën, zodat zij het geschrevene via een specifiek beoordelingsschema kunnen bejubelen of afkraken. Dat Maarten ’t Hart dat ook beseft, blijkt uit zijn toegevoegde Verantwoording. Hij benadrukt, dat hij een documentaire roman heeft willen schrijven, somt alle bronnen op die hij daarvoor gebruikt heeft en legt uit op welke wijze hij geprobeerd heeft de omstandigheden en feiten van weleer zo correct mogelijk weer te geven.

Hij is niet de eerste die zich waagt in het niemandsland tussen fictie en non-fictie. Historische romans, zoals Hella Haasse deze o.a. schrijft, sluiten het meest aan bij fictie: gebaseerd op historische feiten wordt een roman gepresenteerd, die grotendeels op fantasie berust. Haar romans worden meestal besproken als literaire fictie. Aan de andere zijde van het palet vinden we bv. De graanrepubliek van Frank Westerman: de historische feiten overheersen, maar ze worden in een verhaal gegoten en verteld via de levens van enkele hoofdpersonen. Hierbij neigt de criticus naar beoordeling van de wetenschappelijke waarde van het werk, al zijn er ook, die meer nadruk willen leggen op de literaire kwaliteit.

Maarten’t Hart zweeft daar ergens tussenin met zijn documentaire roman. Wie open wil staan voor deze nieuwe manier om de historie in een roman onder de aandacht te brengen, dus wie eerst de Verantwoording en dan het boek leest, zal het op een andere manier beoordelen en waarderen.

In Het psalmenoproer krijgen we de geschiedenis van Maassluis in de roerige 18de eeuw voorgeschoteld. We lezen over de teloorgang van de beug- en haringvisserij, de daaruit voortkomende verpaupering, de sociale onrust, de strijd tussen Prinsgezindten en Patriotten, de oorlogen tegen Engeland, de overstroming van 1776 en de kerkelijke gebruiken en twisten, zoals het psalmenoproer. Alles wat zich tussen 1739 en 1811 afspeelde in Maassluis is gekoppeld aan het leven van de reder Roemer Stroombreker en dat van zijn (onechte) zoon. Alleen de reder leren we echt goed kennen. Van de andere hoofdpersonen (zoon Gilles, echtgenote Diderica en de moeder van zijn zoon Anna bv.) is de karaktertekening beperkt. Ik vind dat geen bezwaar: hoofdonderwerp is de historie, opgehangen aan de kapstok van het leven van een Maassluise reder. Daardoor is het een documentaire roman en geen historische. Het verhaal zelf heeft precies genoeg spanning om over de historie van Maassluis door te blijven lezen: komt het ooit goed tussen de vader en de zoon?

De sfeertekening is perfect, mede dankzij de woordkeuze: 18de eeuwse woorden (veelal gevonden in rechtbankverslagen) en plechtstatige spreektaal, bij de gegoede stand doorspekt met Franse termen. De beschrijving van de stad zelf en haar bewoners doet de rest.

Ik vind het een geslaagd boek. Maassluis, de roerige 18de eeuw, de haringvisserij en haar ondergang, het psalmenoproer: op deze manier gepresenteerd is het aangenaam kennismaken.

Maarten 't Hart - Het Psalmenoproer. Amsterdam, Arbeiderspers, 2013. Hardcover, 14de dr. 288 pg. ISBN: 9789029587860

© Jannie Trouwborst, november 2019

maandag 14 oktober 2019

Rinus Spruit - De wonderdokter Albert Willem van Renterghem

Rinus Spruit (Nieuwdorp, 1946) is een laatbloeier. In 2008 verschijnt ter gelegenheid van de Week van het Zeeuwse boek zijn debuut als Zeeuws boekenweekgeschenk onder de titel: Zwieg stille. In 2009 herdrukt Cossee het boek met als titel De rietdekker, een familiegeschiedenis. Rinus Spruit schetst met gevoel het harde bestaan van zijn rietdekkersfamilie in het begin van de vorige eeuw. Maar het is meer dan een deels autobiografisch verhaal. Het is daarnaast een roman over een vader en zijn zoon. De oude rietdekker vertelt, zijn zoon schrijft het op. En blijft doorschrijven tot na zijn vaders dood. Het boek blijkt een succes, wordt vertaald en als toneelstuk bewerkt. Zijn tweede roman  Een dag om aan de balk te spijkeren (2013) (KLIK HIER) wordt eveneens goed ontvangen. Ook dit boek is in ruime mate autobiografisch, maar hier ligt de focus meer op het leven van de auteur zelf leven dan op dat van de vader. 

In 2017 verschijnt Broeder, schrijf toch eens! (KLIK HIER) Weer een romàn, zoals hij zelf benadrukt: grotendeels gebaseerd op zijn eigen leven, maar met kleine dichterlijke vrijheden. En weer over de verhouding tussen vader en zoon. Maar het is zeker geen herhaling van zetten. De toon is anders, de stijl en structuur wijken af van zijn vorige boeken en, het voornaamste, het thema vader-zoon is heel anders ingevuld. Mede door zijn verhuizing naar het huis van zijn inmiddels overleden ouders.

Zijn werk werd bekroond met de Prijs van de Zeeuwse Boekhandel en de Zeeland Refinery Cultuurprijs. Hadden zijn romans tot nog toe een sterk autobiografische inslag, met De wonderdokter laat hij zien dat hij nog veel meer in zijn mars heeft.

Een autobiografie hertaald

In het archief van de gemeente Goes krijgt Rinus Spruit een omvangrijk boekwerk in handen: de Autobiographie van plattelandsarts Albert Willem van Renterghem. Twee delen, formaat Statenbijbel, met 1389 dicht bedrukte bladzijden. Er in bladerend ontdekt Spruit dat het zonde is dat er zo weinig met deze tekst is gedaan. Renterghem had destijds slechts een klein aantal exemplaren laten drukken, voor zijn vrouw en kinderen en voor enkele universiteitsbibliotheken. Hij bepaalde dat het werk pas na 1975 openbaar mocht worden. In 1990 worden na overleg met een van zijn kleinzoons 90 exemplaren bijgedrukt, maar slechts weinigen zullen kennis genomen hebben van het boekwerk.

Rinus Spruit besluit zijn schouders eronder te zetten. Zijn doel is er een goed leesbaar handzaam boek van te maken dat recht doet aan het belang dat Renterghem voor de wetenschap gehad heeft en de lezer tegelijkertijd een blik gunt op de sociale omstandigheden en het werk van een plattelands arts in zijn tijd. Daartoe moet hij keuzes maken, die hij achterin het boek toelicht. Ook heeft hij het taalgebruik en de soms uiterst lange zinnen aangepast. Het resultaat mag er zijn: het is een vlot leesbaar verhaal geworden over een plattelandsdokter die door zelfstudie opklimt tot een man van aanzien in de negentiende eeuwse geestelijke gezondheidszorg.

De Wonderdokter

Psychiatrie en psychologie zijn relatief jonge wetenschappen. Als grondleggers worden vaak Freud en Jung genoemd, maar lezend in de autobiografie van Van Renterghem kunnen we daar kanttekeningen bij zetten. Er waren meer dokters bezig op dit terrein in die tijd.

Als Van Renterghem dorpsarts wordt, heeft hij al een carrière als marinearts achter de rug. Hij komt terecht tussen de "genees-, heel- en vroedmeesters van het platteland" die slechts een beperkte opleiding hebben. En die in zijn ogen niet goed functioneren. Zijn universitaire opleiding en kennis over de laatste ontwikkelingen op het gebied van hygiëne probeert hij over te dragen, zoals de oorzaken van kraamvrouwenkoorts. Hij blijft zich verdiepen in medische literatuur en komt zo de opvattingen van de Franse dokter Liébeault tegen: een van eersten die zich bezig hield met hypnose bij somatische gezondheidsklachten. Hij besluit de techniek toe te gaan passen bij zijn eigen patiënten, om ze van pijnen en ongemak af te helpen. Dat blijkt zo succesvol dat het aantal patiënten snel toeneemt en hij beschouwd wordt als een wonderdokter: hij brengt mensen in een soort slaap en de klachten verdwijnen na een of enkele behandelingen. Kanttekening daarbij: het is een autobiografie, dus staan er vooral de succesverhalen in. Frederik van Eeden, die ook arts was en een poosje met Van Renterghem samenwerkte, gaf in zijn Dagboek aan dat er naast de successen ook menige teleurstelling was.

Van Renterghem bezoekt congressen en richt zich tenslotte nog uitsluitend op de hypnose-therapie. Zijn praktijk breidt zich steeds verder uit, hij verhuist verschillende malen, met als eindpunt een groot pand in Amsterdam. Hij gaat op bezoek bij Liébeault, Freud en Jung en onderzoekt welke aspecten van hun denken bruikbaar zijn. De psychoanalyse, waarin hij zich ook nog laat opleiden, wijst hij tenslotte af. Hij is spreker op congressen en groeit uit tot een man van aanzien in de psychische gezondheidszorg. Zijn "Instituut voor Psychotherapie" (het eerste ter wereld) maakt indruk. Het is de eerste maal dat het woord psychotherapie wordt gebruikt.

De menselijke kant

Spruit heeft zich zoveel mogelijk aan te teksten van Van Renterghem gehouden, al moest hij veel weg laten. Maar uit de meer persoonlijke zaken en de anekdotes vanuit de dokterspraktijk heeft hij juist die gebeurtenissen gekozen die er voor zorgen dat het boek leest als een roman. Wie òver iemand schrijft heeft de vrije hand, zolang de feiten kloppen. Dit project moet veel ingewikkelder zijn geweest. De tekst van een ander moest zoveel mogelijk in stand blijven, terwijl er wel in geschrapt (en hertaald) moest worden, alle relevante feiten aan bod moesten komen en als geheel prettig leesbaar moest zijn voor een groot publiek. Een verdiend compliment voor de samensteller: hij is op alle fronten geslaagd.

Rinus Spruit (samensteller) - De wonderdokter Albert Willem van Renterghem. Amsterdam, Cossee, 2019. Pb., 216 pg., lit.opg. ISBN:978-90-5936-864-4.

© Jannie Trouwborst, oktober 2019.

zondag 6 oktober 2019

Raynor Winn - Het zoutpad: Over oude wegen naar een nieuw begin

Wie in onze bibliotheek op zoek gaat naar Het zoutpad van Raynor Winn vindt het bij de boeken over Groot-Britannië - Wandeltochten. Er zit een extra sticker op met in hoofdletters WAAR! Op het kaartje in het boek staat als trefwoord reisbeschrijvingen. Wie het gelezen heeft, begrijpt hoe moeilijk het is om dit boek ergens fysiek een plekje te geven. Dat bewijst eens te meer het nut van catalogi: via de titel en auteur word je naar de juiste plek geleid.

Pelgrimspad?

In Europa volgen al honderden jaren pelgrims de wegen die naar Santiago de la Compostella of Rome leiden. Was de aanleiding aanvankelijk uitsluitend een religieuze, tegenwoordig zijn er veel meer redenen om op pad te gaan. Het verwerken van een verlies, het bezinnen op waar je staat in het leven, denken over de toekomst of juist het verleden op een andere manier bekijken. Het beste gaat dat lopend met een ver doel (het pelgrimsoord) voor ogen. Gesprekken met medereizigers helpen daarbij ook. Ik las er boeken over en zag tv-series. Ik moest eraan denken toen ik Het zoutpad las. Er zijn overeenkomsten, maar ook grote verschillen. 
Door bizarre omstandigheden wordt het leven van Ray en Moth, vijftigers die al ruim 30 jaar samen zijn, helemaal op zijn kop gezet. Binnen een paar weken worden ze geconfronteerd met het verlies van hun boerderij, die ze steen voor steen in de loop der jaren hebben opgeknapt, en de mededeling dat Moth een ernstige chronische ziekte heeft en snel achteruit zal gaan. In een opwelling besluit Ray dat ze het zoutpad gaan lopen, de 1014 km lange wandelroute langs de kust van Zuid-Engeland, die officieel de naam South West Coast Path draagt. Ze kopen van het weinige geld dat ze nog bezitten een goedkope tent, slaapzakken, en andere kampeerbenodigdheden en gaan onvoorbereid op pad.

Zwervers

Door het weinige geld dat ze één keer per week kunnen opnemen moeten ze wild kamperen of hun tent illegaal in een hoekje van een camping zetten. Ze lijden vaak honger en dorst, gaan er verwaarloosd uitzien en worden gemeden of uitgescholden voor zwervers. Wat een verschil met de pelgrims op het Jacobspad, die elke nacht in tenminste een hostel kunnen slapen en voor weinig geld van goede maaltijden worden voorzien. Die onderweg prettige gesprekken voeren met medepelgrims en respect krijgen van iedereen die ze ontmoeten. Dat laatste is voor Ray en Moth een uitzondering.

Wonder boven wonder gaat het met Moth steeds beter. Ook raken ze steeds meer gewend aan het ritme van lopen, slapen, lopen, slapen. Al blijft het een zware onderneming met hitte, storm, regenbuien, mist, kou (door de slechte kampeeruitrusting) weinig eten en drinken. Maar de zomer gaat voorbij en met de koude van het najaar gaat het weer slechter met Moth. Ze zijn pas halverwege en het is duidelijk dat dit niet door kan gaan in de winter.
In plaats van zich te bezinnen op hun toestand, weigert Ray na te denken over de toekomst. De tocht begint, en blijft heel lang, een vlucht uit de werkelijkheid die te pijnlijk is om te aanvaarden. Zolang er gelopen wordt, is het vooruitkomen en het vinden van een slaapplaats en van voedsel het belangrijkste. Gelukkig vinden ze voor de winter tijdelijk onderdak en dan kunnen ze voorzichtig nadenken over mogelijkheden na het voltooien van het pad. Want na de winter maken ze het pad wel af, maar met een andere mindset.

Aanvaarding

De overeenkomst met de verhalen van de pelgrims in Europa is dat ook Ray en Moth een verlies hebben te verwerken: van hun veilige huis en van de gezondheid van Moth. Ray vindt troost in het genieten van de schoonheid van de natuur. Ze is dankbaar voor wat het leven haar heeft gegeven en voor wat er nu is. Ze wil nog steeds niet te ver vooruit kijken. Ze hebben samen deze monstertocht volbracht en zullen, wat er verder ook gebeurt, het samen wel aan kunnen. Hun liefde voor elkaar zal daar voor zorgen.

Schrijfstijl

Het had een tranentrekkend verhaal kunnen worden, maar dat is het nergens. De zwaarte van hun leven tijdens de tocht wordt duidelijk, terwijl er steeds ook relativerende, humoristische opmerkingen door het verslag geweven zijn. Ray is de ik-figuur van het boek. Haar ontwikkeling is goed te volgen. Hoe Moth de tocht ervaren heeft, moeten we opmaken uit wat Ray over hem vertelt en uit de gesprekken die ze voeren. Er zit een kaartje voorin, waarmee je de tocht kunt volgen. Ray beschrijft de stadjes en bijzondere plekken waar ze langskomen. Voor wie het pad of een deel ervan kent, zal het boek nog aansprekender zijn. Dat het een waargebeurd verhaal is, maakt het lezen nog intenser.
Raynor Winn - Het zoutpad: over oude wegen naar een nieuw begin. Ned. vert. van The salt path Annemie de Vries. Amsterdam, Balans, 2019. Geb., 318 pg., krt. ISBN:9789460039409.
© Jannie Trouwborst, oktober 2019.



woensdag 2 oktober 2019

Augustus en september: wat las ik?

Vakantie

In september waren we drie weken op vakantie in de Kop van Overijssel. Ik had een dikke roman bij me, een luisterboek op mijn tablet staan en enkele e-books. Maar het enige waar ik in las tijdens de vakantie waren twee boeken over de geschiedenis van de streek, uitgegeven door het streekarchief van Steenwijkerland. Hoe ik daar aan kwam? Voorouders van mijn moederskant bleken uit Blokzijl, Vollenhoven en Sint Jansklooster te komen en toen ik hoorde dat men bij Vele Handen vroeg om mensen die online bevolkingsregisters in wilden voeren van deze stadjes heb ik me meteen aangemeld. Voor elk blad uit het register dat je invoerde kreeg je punten en voor de punten kreeg je deze twee boeken cadeau. Dat is al weer een paar jaar geleden, de genealogie lag hier een beetje stil. Maar toen we de kans kregen op vakantie te gaan in Wanneperveen, grepen we die met beide handen aan, zodat we eens een kijkje konden nemen in de woonplaatsen van mijn voorouders. En uiteraard bezochten we de bijbehorende musea.

Maand van de Surinaamse literatuur

Maar Nederlandse en /of Surinaamse literatuur? Het zat er helaas niet in. Vorig jaar organiseerde ik in september de Maand van de Surinaamse literatuur. Dit jaar zag ik het niet zitten en heeft ALI het van me overgenomen. Ik was echt van plan om tenminste 1 boek voor het project te lezen. Onder de Paramariboom van Johan Fretz had ik op mijn tablet gezet als luisterboek voor de vakantie. Het bleek een vergissing, niet het verhaal zelf, maar het luisterboek. Ik ben een trage lezer, die graag op zinnen kauwt. De vertelstem (was het Fretz zelf?) ging zo snel door de tekst heen, dat ik het er benauwd van kreeg. Ik ben er mee gestopt en had toen ook geen zin meer het als e-book te downloaden. Niet zo behulpzaam dus, als je een leesdip hebt.

 Maand van de Klassieke Literatuur

Ook augustus was een moeizame maand. Het is van oudsher de Maand van de Klassiekers.  Ik nam me voor om dan tenminste één klassieker te lezen. Omdat ik erg van de romans van Elsschot houdt, koos ik er een uit die ik nog niet gelezen had: Lijmen/Het been. Het kon me helaas niet boeien. Ik heb destijds genoten van Villa des roses, Een ontgoocheling/Het Dwaallicht en Tsjip/De leeuwentemmer. Ik heb me door de beide verhalen heen geworsteld en daarna besloten dit jaar maar geen recensie te schrijven in de Maand van de Klassieke Literatuur.

Toch las ik nog wel een andere klassieker, als e-book. Etty Hillesum - Dat onverwoestbare in mij. Eigenlijk weet ik niet of je dat een klassieker mag noemen: lang niet iedereen is bekend met Etty van Hillesum en de teksten waaruit het boek bestaat zijn een keuze uit dagboekaantekeningen en brieven die Etty voor en in het begin van de Tweede Wereldoorlog schreef. Een boek heeft ze zelf nooit geschreven. Toch zijn haar teksten indrukwekkend en belangrijk genoeg om in een speciaal voor haar opgericht documentatiecentrum bestudeerd te worden: Het EHOC, Het Etty van Hillesum Onderzoekscentrum in Middelburg. Het is de bedoeling dat Judith Koelemeijer haar biografie zal gaan schrijven. Ze is daartoe medewerkster geworden van het EHOC. Ik zal nu niet dieper op Dat onverwoestbare in mij ingaan. Maar wat ik las, was voor mij in elk geval genoeg om hier t.z.t. dieper in te duiken.

Recente Nederlandse literatuur

Ik bleef het dapper proberen, maar het lezen van boeken zat niet mee. De krant lukte wel. Ik nam zelfs een proefabonnement van 4 weken op een landelijk dagblad, naast de Provinciale Courant. Als tijdverdrijf, nieuwsgierigheid en omdat ik er een boek bij cadeau kreeg. Toch was ik blij dat het afgelopen was, want twee kranten is gewoon te veel. Bovendien heb ik via de PZC toegang tot Topics, waardoor ik alle artikelen die me interesseren in een groot aantal kranten ter beschikking heb.
Het boek dat ik koos als geschenk was van Tommy Wieringa: De dood van Murat Idrissi. Hoewel het thema van belang is, viel het boek me tegen. De hoofdpersonen waren voor mij te stereotype. Het was niet dik, ik las het wel uit, maar verwacht er geen recensie van.

Een ander e-book dat op mijn nieuwe tablet via de bieb voor drie weken een plekje kreeg, was het debuut van Fieke Gosselaar: Tussen de anderen. Een verhalenbundel over mensen aan de zelfkant van de samenleving. Het boeide me zeker, maar ik kreeg het niet op tijd uit. Toch ben ik zeker van plan het nog eens helemaal te lezen. Het is alleen nog verkrijgbaar of te leen als e-book. Dat vind ik wel jammer. Papier heeft toch nog steeds mijn voorkeur. 

In de planning

Tijdens de laatste week van onze vakantie kwam Sue mij opzoeken en bracht twee boeken mee: Ik ben ik niet van J.J. Voskuil en Kaf van Joep Stapel. Van beide komt t.z.t. beslist een recensie. Net als over De kracht van het wandelen van Wim Huijser dat ikzelf nog kocht bij het bezoekerscentrum van Staatsbosbeheer in Ossenzijl. De vakantie zonder boeken lezen of blogs schrijven heeft me goed gedaan. Maar het gezellige bezoek van Sue was ook inspirerend genoeg om langzaamaan eens te kijken of er nog mogelijkheden zijn voor me om te doen wat ik altijd graag deed: lezen en schrijven.

De laatste week van september waren we weer thuis en kreeg ik bericht van de bibliotheek dat een eerder gereserveerd boek klaar lag: Het Zoutpad van Raynor Winn. Daar lees ik nu in en ik vind het geweldig! Een aanrader van mijn boekwinkelvriendin in Haarlem. Een recensie volgt later. Uitgeverij Cossee verraste me met een nieuw non-fictieboek van Rinus Spruit - De wonderdokter - Albert Willem van Renterghem. Daar lees ik nu ook in. Het gaat heel goed samen met Het Zoutpad gelukkig. Tot slot een boek waar ik heel gelukkig van werd: De Kolonieman, een biografie van Johannes van den Bosch geschreven door Angelie Sens. Ik kreeg het van Uitgeverij Balans. Wie mijn fascinatie voor de Koloniën van Weldadigheid kent, begrijpt mijn blijdschap. Het is een dikke pil, dus het zal misschien even duren, maar een recensie komt er zeker.

Ik hoop dat mijn hervonden enthousiasme beklijft, dan komen er de komende maand misschien weer eens echte recensies, i.p.v. overzichtjes.

© Jannie Trouwborst, oktober 2019.

zondag 29 september 2019

Het Bureau en ik: aflevering 3

Hoewel ik deel 2 van Het Bureau al geruime tijd geleden uitlas, kwam het er maar niet van er ook iets over te schrijven. Recensies zal ik over Het Bureau trouwens nooit schrijven. Het gaat mij meer om wat het bij mij losmaakt. De beschreven periode, zeker vanaf deel 2 (1965-1972) komt overeen met de tijd waarin ik mijn eerst baan kreeg als bibliothecaresse/documentaliste bij een groot museum in Rotterdam. Zowel de kantoorcultuur, als de werkzaamheden voor het kaartensysteem van Maarten Koning roepen herinneringen op. Daar wil ik iets mee doen, al vraag ik me af of die nou wel zo interessant zijn voor anderen.

Samenvatting

Dit tweede deel van Het Bureau, Vuile handen, beschrijft de jaren tussen 1965 en 1972. Buiten woeden het Bouwvakkersoproer, de Maagdenhuisbezetting en de Vietnam-demonstraties. Het Bureau zelf groeit uit zijn voegen en verhuist naar een oud bankgebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht. In een conflict met het Hoofdbureau over samenwerking met een Zuid-Afrikaans Instituut voor Volkscultuur neemt Maarten Koning bijna zijn ontslag. De gepensioneerde directeur Anton Beerta blijft achter de schermen actief. Hij haalt Maarten tegen zijn zin in de Vlaams-Nederlandse redactie van Ons Tijdschrift en splitst hem een onmogelijke opdracht in de maag voor de Europese Atlas voor Volkscultuur. Als Maarten zich tijdens een congres van die opdracht tracht te bevrijden, maakt hij zichzelf onbedoeld tot spreekbuis van de jongere congresleden. Dit geeft hem het gevoel in een fuik te zijn gezwommen.

Als ik naar het verloop van het verhaal kijk, dan valt me op dat Maarten zelfverzekerder aan het worden is. Hoewel hij nog steeds van alles toegeschoven krijgt waar hij iets mee moet zonder het echt te willen en niet weet hoe hij zich daaruit moet redden, bijt hij ook geregeld van zich af en gaat zijn eigen gang. Ook privé wordt het iets rustiger voor hem: Nicolien moppert nog steeds over van alles, vooral met betrekking tot zijn werk en het toenemende aantal mensen dat hij aangenomen heeft, maar het is minder heftig. Samen doen ze mee aan demonstraties en ze wandelen veel. Nog steeds is hij ervan overtuigd dat hij een zinloze baan heeft, maar hij lijkt zich bij het onvermijdelijke neergelegd te hebben: er moet toch geld verdiend worden. Dat hij Beerta niet op wilde volgen als directeur van Het Bureau heeft de vervelende consequentie dat hij zich nu zal moeten voegen naar het regiem van zijn voormalige collega Balk.

Mijn invalshoek

De Maagdenhuisbezetting en de Vietnamdemonstraties zie ik nog voor me. De toestanden in het Zuid-Afrika van die tijd ook. Herinneringen aan de omslachtige manier van werken met kaartsystemen beschreef ik al in de vorige aflevering van Het Bureau en ik (KLIK HIER). Nu meer over de kantoorcultuur.

Ik behoorde tot een van de eerste lichtingen die de "Frederik Muller Akademie" (een nieuwe opleiding op HBO niveau voor bibliothecarissen en documentalisten) verliet op 21-jarige leeftijd en zonder problemen een baan vond. Het was toen nog de gewoonte dat één van de leraren na ongeveer een jaar contact opnam met de afgezwaaide leerlingen en hen opzocht op de werkplek. En zo kwam heer B. op een dag ook naar het museum in Rotterdam. Zijn bezoek betekende voor mij een omslag.

De bibliotheek van het museum bevatte, behalve veel boeken over kunst en kunstenaars, een grote collectie kunstcatalogi, voornamelijk van tentoonstellingen over de hele wereld, maar ook van belangrijke veilinghuizen. Het was mijn taak deze in de kelder opgeslagen catalogi in een kaartsysteem te verwerken: op plaats, op museum, op kunstenaar en/of thema van de tentoonstelling. Het typen van de kaartjes was een eenvoudig karweitje.

De bibliotheek was als volgt ingedeeld: een lange wand met boeken tot het plafond (de bovenste planken alleen te bereiken met een ladder), op de ene kop van de ruimte het bureau van het hoofd van de bibliotheek Mej.v.d.T. en op de andere kop het bureau van de conservator Moderne Kunst, Liesbeth B.C. (later directeur van een museum in Arnhem). Dwars tegen het bureau van de Mej.v.d.T. stonden de bureaus van Jurriën P., beheerder van het Prentenkabinet (dat zich in de ruimte naast de bibliotheek bevond) en mijn bureau. De raampartij tegenover de boekenwand was voorzien van tralies (inbraakbeveiliging).
Liesbeth en Jurriën waren iets ouder dan ik, Mej v.d.T. van middelbare leeftijd. In tegenstelling tot Mej. Haan uit Het Bureau, die Mevrouw genoemd wilde worden, wilde zij nadrukkelijk met Mejuffrouw worden aangesproken.

Ik wist niet veel van beeldende kunst toen ik er kwam werken, maar tijdens de lunchpauzes nam Jurriën me mee het museum in en vertelde me veel. Ik zoog het op als een spons. Ook via de catalogi die ik in handen kreeg, leerde ik veel. Het duurde dan ook niet lang voor ik me af begon te vragen of ik niet ook eens de klanten mocht helpen die naar boeken kwamen vragen in de bibliotheek of, onder toezicht, boeken mocht catalogiseren. Maar Mej.v.d.T. bleef onverbiddelijk: ik wist niet genoeg van kunst. Bovendien was dat haar taak.

Ook op het persoonlijke vlak klikte het bepaald niet. Mej.v.d.T. sprak kwaad over onze beide kamergenoten, vooral haar laatdunkende en kwetsende uitspraken over de geaardheid van Jurriën vond ik schokkend. Maar ik was te timide om er tegenin te gaan en ik voelde me schuldig dat ik niet in staat was Jurriën te verdedigen. Maar ook voor mezelf opkomen lukte niet. Niet wat betreft de werkzaamheden, maar ook niet toen ze me belachelijk maakte toen ik vertelde dat ik ging trouwen. "En wat stel je je daar dan bij voor? Een bos bloemen en een mooie jurk en dan de rest van je leven iemand in je buurt dulden die je het leven zuur zal maken en je inruilt voor een ander als je ouder wordt". Ik was met stomheid geslagen en wist niet hoe te reageren.

En toen kwam dus heer B. van de Bibliotheekschool op bezoek. Hij kreeg uitgebreid uitleg van mijn bazin over de bibliotheek en mijn werkzaamheden. Hij vroeg of ik naar mijn zin had. Wat kon ik zeggen in haar bijzijn? 's Avonds belde hij me thuis op. Met eigenlijk maar één mededeling: dat hij het zonde van mijn opleiding vond als ik daar zou blijven hangen. Of ik moest uitdagender werk krijgen of ik kon beter naar wat anders omzien. Onzeker als ik was, stribbelde ik tegen. Ontslag nemen klonk zo eng. Zelf weten, was zijn antwoord.

In de weken erna probeerde ik nog een keer of ik niet wat meer mocht doen dan kaartjes tikken (MULO-werk zei meneer B.). Maar Mej.v.d.T. bleef onverbiddelijk. Uiteindelijk voelde ik me er zo ongelukkig dat ik er ziek van werd en toch ontslag nam. Jammer dat het zo moest lopen, maar het is een leerzame periode geweest. Ik ben nog altijd blij met alles wat ik destijds ondanks de strubbelingen opgestoken heb van de kunstgeschiedenis.

Hoe past dat bij Het Bureau? Ik herken de momenten in het kantoorleven van Maarten Koning waarin hij niet voor zichzelf of voor anderen opkomt en zich dan waardeloos voelt of schuldig. Hij lijkt in dit tweede deel te groeien, ook ik groeide er in de loop der jaren deels overheen. Minder timide, meer voor mezelf en anderen opkomen. Alleen dat knagende schuldgevoel, volkomen misplaatst vaak, dat blijft de kop op steken. Eens kijken hoe Maarten daar in de volgende delen mee om gaat.

En nu verder?

Van Sue kreeg ik Ik ben ik niet, met daarin o.a. een interview met zijn vrouw. Volgens de achterflap: In 'Het mislukte leven', dat aan 'Ik ben ik niet' voorafgaat, praat Lousje Voskuil tijdens een aantal wandelingen en maaltijden met Detlev van Heest over de diepe existentiële crisis die haar man in de jaren vijftig doormaakte. Het mislukte leven bevat verrassende onthullingen over de schrijver die we uit zijn boeken zo goed meenden te kennen. 
Ik ben van plan dit boek te lezen voor ik verder ga met deel 3 van Het Bureau. 

© Jannie Trouwborst, september 2019.

zaterdag 10 augustus 2019

Victoria, de jonge koningin - Helen Rappaport

De tv-serie

Vorig jaar keek ik met veel plezier naar de tv-serie Victoria, de jonge koningin. Een prachtig kostuumdrama van de BBC over de nog jeugdige koningin Victoria van Engeland. Laat kostuumdrama's maar aan de BBC over, die zijn altijd tot in de puntjes verzorgd. Maar hier was meer aan de hand. Geen romanfiguur in de hoofdrol, maar een koningin die we vooral uit haar latere jaren kennen. Wat we voorgeschoteld kregen, was een nauwkeurige biografie die de periode omvat van haar jeugd via haar kroning op achttienjarige leeftijd en haar huwelijk met Prins Albert tot en met de geboorte van hun eerste kinderen. Dat de serie waarheidsgetrouw deze periode in beeld kon brengen is te danken aan de vele documenten die bewaard zijn gebleven, waaronder correspondentie en dagboeken van Victoria.
Het script van de serie is geschreven door Daisy Goodwin, historica en gespecialiseerd in de 19de eeuw. Ze schreef al eerder twee succesvolle romans die zich afspelen in het Victoriaanse tijdperk.


Het verband tussen boek en serie

Helen Rappaport is eveneens historica en schreef twaalf non-fictieboeken, met name over het Victoriaanse tijdperk en over het Russische keizerrijk. Ook is ze vaak nauw betrokken bij BBC documentaires over deze onderwerpen. Voor dit boek putte ze, net als Daisy Goodwin uit de indrukwekkkende hoeveelheid dagboeken die koningin Victoria heeft nagelaten.

Hét boek bij de tv-serie, staat er op de omslag. En zo is het ook. Het voorwoord is van Daisy Goodwin. De meeste foto's zijn uit de serie en er is zelfs een hoofdstuk toegevoegd met de titel Achter de schermen. Voor wie de serie gezien heeft, zal het boek de nodige herkenningspunten bevatten. Maar het boek is meer, en ook anders, dan een herhaling op papier. Er zijn veel achtergrondverhalen opgenomen over de getoonde periode. Zowel van de verschillende hoofdpersonen, als van de toestand in het land. Dat maakt het lezen voor iedereen opnieuw boeiend. Uiteraard is dit een non-fictieboek en heeft Daisy Goodwin voor de tv-serie de feiten voorzien van een geloofwaardig, maar fictief sausje. Maar wie dit boek leest, ziet tevens hoe knap dat script geschreven is zonder de waarheid geweld aan te doen.

Het boek en de uitvoering

Om met het uiterlijk te beginnen: het boek is fraai uitgevoerd. Zeer rijk geïllustreerd, bijna geen bladzijde zonder foto's. Uit de tv-serie of kopieën van (vertaalde) fragmenten uit handgeschreven brieven en dagboeken, originele afbeeldingen van jurken, schilderijen en dergelijke. Alles is gedrukt op stevig, mat papier waarop de kleurenfoto's goed tot hun recht komen. Ruim 300 bladzijden bevat het boek en door de luxe uitvoering is het behoorlijk zwaar.

Maar dan de inhoud, want daar gaat het toch eigenlijk om. Net als in de serie wordt het verhaal van de jonge Victoria chronologisch verteld. Hier en daar lezen we een kanttekening bij wat er in het script gesuggereerd wordt. Maar bijna nergens botsen die twee. Wel blijken twee figuren een iets andere rol gekregen te hebben om het verhaal een extra romantisch tintje te geven. Het doet aan het levensverhaal van Victoria en Albert niets af en het is leuk om te lezen hoe het in werkelijkheid zat met met deze belangrijke bijfiguren. 
Daarnaast gaf deze literaire vrijheid de mogelijkheid om in de serie iets te laten zien van hoe het leven van de gewone man en vrouw er in die periode in Londen uitzag. In het boek lezen we daar nog meer over. En over vele andere zaken, die soms maar even werden aan gestipt in de serie. Zoals bijvoorbeeld het verhaal achter de trouwjurk, waarvan een foto uit de serie staat naast een oude tekening van de echte. Over de stoffen die allemaal uit Groot-Brittannië moesten komen, waaronder het Honitonkant. Hoe de maker ervan daardoor van een faillissement werd gered en dat de maakster van de jurk zelf de patronen vernietigde om te voorkomen dat de jurk nagemaakt kon worden.

Voorin staat een uitgebreide stamboom en van de figuren die een belangrijke rol speelden in het leven van Victoria krijgen we in de loop van het boek ook allemaal een beter beeld. Zelfs over de belangrijkste acteurs lezen we het een en ander.

Een prachtig cadeau

Ik heb het boek gewonnen bij een loterij, uitgeschreven door Uitgeverij Karmijn. Dat heeft mijn oordeel op geen enkele wijze beïnvloed. Wie mijn blog de afgelopen 15 jaar heeft gevolgd weet intussen dat ik alleen blog over boeken die dat waard zijn in mijn ogen. Zelfs recensie-exemplaren halen soms dit blog niet (wel laat ik dan de uitgever weten waarom niet).
Ik vind het van veel lef getuigen dat een kleine uitgeverij als Karmijn dit prachtige boek heeft uitgegeven. Ik hoop van harte dat het een verkoopsucces zal worden. Het boek is het meer dan waard om onder de aandacht gebracht te worden. Het is een fantastisch cadeau, zowel voor iemand die de tv-serie heeft gezien, als voor mensen die geïnteresseerd zijn in biografieën of historische romans. Voor die laatsten zal vast gelden, dat ze alsnog de serie willen zien, nadat ze het boek hebben gelezen en bekeken.

Helen Rappapoort - Victoria, de jonge koningin. Elburg, Karmijn, 2019. 300 pg., foto's tek.,ills. ISBN:978-9492-168-290.

© Jannie Trouwborst, augustus 2019.