zondag 23 september 2018

Als tijd voorbij gaat – Martins en Matoso


Filosoferen met kinderen, dat is zo leerzaam. Niet alleen voor hen, maar ook jezelf. En leuk bovendien. De onbevangen manier waarop zij nog naar de wereld kunnen kijken, daarvan valt veel te leren. Dat werd me weer eens duidelijk toen ik het prachtig uitgevoerde prentenboek  “Als tijd voorbij gaat” in handen kreeg.

Vraag aan een volwassene wat “tijd” is en hij zal meteen komen met uren, dagen, maanden, jaren. Kortom met een gestructureerd overzicht, volgens de klok en de afspraken die erover gemaakt zijn door grote mensen. Maar hoe leg je dat uit aan een kind dat nog geen klok kan kijken? En is tijd eigenlijk niet veel meer dan de meetbare eenheden die wij gebruiken?
Een kind heeft wel degelijk een besef van wat het begrip inhoudt: het beleeft de tijd door te kijken, te ontdekken, te voelen. Tijd wordt een rekbaar begrip door kinderogen. En daar heeft dit boek gebruik van gemaakt. Eenvoudige tekeningen in heldere kleuren en korte tekstjes tonen voorbeelden van het zichtbaar maken van tijd. Allemaal onder de noemer:  Als tijd voorbij gaat.

De jongsten (tot ong. 4 jaar) zullen er begrip voor ontwikkelen (je wordt steeds groter, iets wat je eerst niet kunt, kun je nu wel), de iets oudere kinderen (tot ong. 7 jaar) zullen het willen uitproberen en onderzoeken (schaduwen worden langer, uien worden doorzichtig in een pan) en de nog oudere kinderen en volwassenen zullen genieten van alle voorbeelden en zich uitgedaagd voelen nog meer voorbeelden te bedenken waaraan je kunt zien dat de tijd voorbij gaat.

En zo worden kleine filosoofjes geboren:  napraten over wat tijd eigenlijk is. Is dat een gestructureerd begrip, gevangen in meetbare eenheden of is het wat we ervaren? Want waarom kan een dag omvliegen of juist erg lang lijken te duren? Moet je het onderscheid van gestructureerde tijd en ervaren tijd misschien gescheiden houden en steeds opnieuw bepalen wat nu belangrijk is: de klok of je gevoel?

Er zijn landen waar filosoferen in de klas een vast onderdeel van het lesprogramma is. Op vrijwel geen enkele school in Nederland gebeurt dat. Misschien is dat iets voor een volgende TV-serie van Stine Jensen: filosoferen met kinderen? Dan kan ze met dit boek beginnen.

Kortom: een mooi vormgegeven, leerzaam en leuk prentenboek voor jong en oud. Je zou hopen dat er meer begrippen op deze manier tastbaar gemaakt worden. 

Isabel Minhos Martins (tekst) en Madalena Matoso (tekeningen) – Als de tijd voorbij gaat. Elburg, Karmijn, 2018. Vert. door  Jannemieke van Ittersum en Wilma Seijbel. Geb., 42 pg., ills., isbn:978-9492-168-207.

© Jannie Trouwborst, september 2018. 

dinsdag 11 september 2018

Dutch mountains - Francine Houben/Mecanoo architecten

Deze zomer maakte ik kennis met Francien Houben. In de vierdelige Tv-documentaire Francine Houben, een Hollandse architect met wereldsucces wordt Houben tijdens werk- en privé-momenten in onder andere Rotterdam, New York, Boston, Limburg en Taiwan gevolgd (KLIK HIER).
Francien Houben heeft de leiding over Mecanoo. Een architectenbureau dat in bijna 35 jaar uitgroeide van een geëngageerd groepje van vijf Delftse studievrienden tot een florerend en gerenommeerd, international werkend bedrijf. 

In de serie ligt de focus op enkele prestigieuze projecten waaronder haar opdracht voor de ingrijpende renovatie van The New York Public Library en het Wei-Wu-Ying Center for the Arts in Taiwan. Werk en privé momenten (onder andere in haar zelf ontworpen huis in Rotterdam) wisselen elkaar af. Dat succes niet zomaar aankomt waaien, toont de documentaire ook: een valpartij, een hersenschudding, de stress die komt kijken bij het leiden van een groot bedrijf in combinatie met het ontwikkelen van creatieve ideeën. En dan zijn er nog de financiële risico's bij megaprojecten, het onderhandelen met de meest uiteenlopende opdrachtgevers en geldschieters. Haar echtgenoot blijkt een onmisbare steun.

Wat mij echter het meest opviel in de documentaire zijn haar uitgangspunten bij het ontwerp en de manier waarop ze leiding geeft aan haar team. Hier is een bevlogen vrouw aan het werk die samenwerken belangrijk vindt en die gebouwen wil ontwerpen die harmoniëren met hun omgeving en die dienstbaar zijn aan hun gebruikers. Ze heeft al heel wat spraakmakende bibliotheken op haar naam staan zoals die van de TU in Delft en die van Birmingham. In Washington is ze daarnaast bezig met de vernieuwing van de Martin Luther King Library.
Bibliotheek Midden-Brabant wil dat ze in de LocHal, onderdeel van de Spoorzone, de voormalige NS‐werkplaats en bedrijventerrein met  veel industrieel erfgoed achter het Tilburgse station, de zogeheten Bibliotheek Nieuwe Stijl verder vorm gaat geven.

Nieuwsgierig geworden door de documentaire leende ik in de bibliotheek het boek: Dutch Mountains: Francine Houben/Mecanoo architecten. Het is een fotoboek dat 8 van haar gebouwen van alle kanten laat zien, met steeds een inleiding over de keuzes die gemaakt zijn om er voor te zorgen dat het gebouw bij zijn omgeving past en dat het niet alleen mooi is, maar ook dienstbaar aan de gebruikers. Midden in het boek is een uitgebreid interview opgenomen dat mooi aansluit op de documentaire. Een uitspraak:

Interieur bibliotheek van Birmingham
"Ik zeg graag van mijn werk: het is visionair en dienstbaar. Dienstbaar niet in de zin van onderdanig, gedienstig. Ik maak gebouwen voor de gebruikers, voor de bevolking. Dat vind ik het mooie van dit beroep. Dat onderscheidt een architect van de kunstenaar. Architectuur is geen autonome kunst. Ik vind wel dat je autonoom moet zijn als architect. Maar een kunstenaar werkt voor zichzelf, een architect voor het publiek."

Dat doet me denken aan de ambassade van Berlijn, ontworpen door Rem Koolhaas. Tijdens een architectuurreis naar Berlijn kregen we er een rondleiding. Na een lovende film over de beroemde architect hoorden we van het personeelslid dat ons rondleidde hoe het gebouw ervaren wordt door de mensen die er werken. Wat in de praktijk onhandig blijkt, mag niet veranderd worden van de architect. Blijkbaar gaat niet elke architect in de eerste plaats uit van de gebruikers.

De documentaire en het boek, ze vullen elkaar mooi aan. Het boek is in drie talen geschreven (Nederlands, Engels en Chinees). Met foto's van Harry Cock en Jan Tromp als auteur en interviewer.

Dutch Mountains - Francine Houben/Mecanoo Architecten. Wezep, Uit. de Kunst, 2011. 350 pg., met foto's van Harry Cock en tekst van Jan Tromp. Incl. biografie van Francine Houben. ISBN: 978-94-911196-00-3.

Wie op de site van De Architect klikt en in het zoekvak Mecanoo invult, kan nog veel meer geslaagde projecten bekijken.

© Jannie Trouwborst, september 2018.

zondag 9 september 2018

Astrid Roemer - Olga en haar driekwartsmaten.

Astrid Heligonda Roemer (Paramaribo, 27 april 1947) is een Surinaams schrijfster. In 1966 vertrok ze naar Nederland, maar ze keerde terug naar haar geboorteland om daar te werken als onderwijzeres. In 1975 vestigde zij zich opnieuw in Nederland. Van 2006 tot 2009 woonde zij weer opnieuw in haar geboorteland. In mei 2016 ontving zij als eerste auteur van Caraïbische oorsprong de P.C. Hooft-prijs. Volgens de jury zijn haar romans niet alleen 'scherpe en relevante interventies in het publieke debat', maar ook 'complexe verbeeldingen van de geschiedenis van Suriname'. (Wikipedia).


Kerstmis in Friesland?


Olga en haar driekwartsmaten is een kleine roman van Astrid Roemer, verschenen na de toekenning aan haar van de P.C. Hooft-prijs in 2016. Als de titel al bevreemdend is, dan is de inhoud dat zeker. Waarom zou Roemer een boek schrijven over een steenrijk complex gezin met aanhang dat traditioneel kerst viert in een kapitale villa in de wijdte van Friesland?
Na een eerste lezing bleef ik in verwarring achter. Dat ik juist deze schrijfster uitkoos voor deze Maand van de Surinaamse Literatuur had alles te maken met haar vele romans over de Surinaamse zaak. Ik verwachtte niet anders dan dat deze laatste daar ook toe zou behoren. Maar dat leek op het eerste gezicht niet zo te zijn. Een uitgebreid en informatief artikel op de site van de Werkgroep Caraïbische Letteren (KLIK HIER) en een tweede lezing hielpen me verder. Het is allemaal veel ingewikkelder en vooral ingenieuzer dan het op het eerste gezicht lijkt.

Het verhaal

Ergens in het noorden van Friesland bereidt August, de pater familias van de steenrijke familie Pericard, de komst van zijn verwanten voor, samen met zijn trouwe huisknecht Lucienne. Over de hele wereld zijn ze uitgewaaierd. Het is traditie dat de twee weken rond Kerstmis en Nieuwjaar in een intiem samenzijn doorgebracht worden met smakelijke maaltijden, uitstekende wijn en dat de gasten de feestdagen opluisteren met klassieke muziek. Enkele jaren eerder is zijn vrouw Eva overleden en hij is blij dat ze er straks allemaal weer zullen zijn om hem uit zijn eenzaamheid te verlossen: zijn kinderen en hun aanhang en zijn kleinkinderen. En dat huisknecht en vertrouweling Lucienne er is om alles op rolletjes te laten lopen.
Diep ontroerd is hij, als zijn lievelingsdochter Olga, die zich al vier jaar niet heeft laten zien, ook arriveert, met haar nieuwe man. Bij de andere familieleden roept zij echter uiteenlopende en verwarrende gevoelens op, niemand weet echt goed wat hij of zij van hun zus of tante moet denken. Langzaamaan lijken de feestelijke dagen op gang te komen, zeker als onverwacht ook nog de zus van de heer des huizes met haar partner op de stoep staat. Het feest kan beginnen. Maar dan verdwijnt Olga, na een wandeling met haar man. Ze blijkt verdronken in zee. Wat is er gebeurd? De ontwikkelingen rondom haar dood houden de gemoederen bezig. Maar gezamenlijke rouw brengt hen ook dichter bij elkaar.
Dan besluit vader August dat het tijd is om de brieven te lezen die hij ooit verzegeld van de notaris ontving. Ze zijn door zijn moeder aan hem en zijn zus Hilde gestuurd toen ze in Zwitserland op een internaat zaten. Maar ze hebben hen nooit bereikt. De inhoud ervan en de gevolgen die dat voor de familie heeft, zijn schokkend.

De stijl

Het is niet eenvoudig deze kleine roman te lezen. Ten eerste komen er heel veel familieleden aan het woord en ter sprake. Gelukkig staat er voorin het boekje een uitgebreide stamboom. Tijdens het lezen moest ik er geregeld naar terug grijpen. (Er staan trouwens wel een paar foutjes in). Maar wat lastiger is, is dat de tekst in een soort staccato is opgeschreven. Zelf zegt Roemer er in haar inleiding over: "Olga en haar driekwartsmaten is een gebeurtenis gevat in 62 tekstbrokken." Binnen de tekstbrokken staan alleen hier en daar punten. Maar of iemand spreekt of denkt, of wanneer de stem van de ene op de andere persoon overgaat: dat moet je door zorgvuldig lezen zelf ontdekken. Geen woord te veel.
Wie voor de tweede keer de roman leest, begrijpt de inleiding beter, kent de familieleden iets beter en hun verhoudingen. Maar toch blijft er veel raadselachtig.

De inhoud

Zoals Lidewijde Paris opmerkt in haar boek Hoe lees ik is het doorgronden van een verhaal mede afhankelijk van je referentiekader. Het was mij duidelijk dat dat van mij in dit geval te kort schoot om het boek op zijn waarde te kunnen schatten. Het was hier en daar best spannend, maar er zat meer achter, zoveel was wel duidelijk. Ik was dan ook blij met de uitgebreide uitleg van de Werkgroep Caraïbische letteren. Die ga ik hier niet herhalen. Wie daar belangstelling voor heeft, kan die HIER lezen. Ik haal er slechts een aspect uit, waar ik wel een vermoeden van had: de huismeester Lucienne.

Lucienne is een zwarte Zuid-Afrikaanse vluchteling, die vanwege zijn strijd tegen de Apartheid moest vluchten. Lucienne heeft Olga ontmoet toen hij in een nachtclub werkte als uitsmijter en haar dronken naar huis bracht. Hij is opgenomen in de familie en is nu al tientallen jaren bij hen in dienst. Maar hij is intussen meer dan een bediende, wordt beschouwd als een van hen.

"Aan Lucienne was te merken, dat er niets in de villa gebeurt, wat hij niet toe zou laten. De jongeman uit het apartheidsoord dat Zuid-Afrika ooit was, is vastgegroeid aan zijn verwanten en wordt door hen ervaren als vertrouweling."

In de slaventijd in Suriname was een zwarte huisknecht niet ongewoon. Het kwam zelfs voor dat deze mee naar Holland werd genomen, als de familie besloot terug te keren. Dan werd hij vanzelf een vrij man, omdat men in Holland geen slavernij kende.
Lucienne heeft sinds vier jaar een vriendin in de Caraïben. Een keer per jaar gaat hij er drie weken heen, tussendoor komt zij een paar weken naar Holland. Ze verwacht een kind van hem dat binnenkort geboren zal worden. Daarom zal hij er dit keer een maand heen gaan. Hij overdenkt zijn geluk: 

"Kan een man in een vreemd land meer dan vertrouwen verdienen? Hij wordt snotterig. Ben je uien aan het snijden vraagt Rooni en blijft staan bij hem. Hij keert zich om: Ik word vader over een paar maanden. Hij hakkelt. Mavis begint haar heupen te bewegen op de maat van de radiogeluidsgolven, die als guirlandes door de keuken kronkelen, zweven, drijven, slingeren en blijven hangen bij een grote, breedgeschouderde kerel die zijn tranen laat lopen: eindelijk een eigen bloedverwant in een vrouw die niet is aangetast door de apartheid van zijn geboorteland. Wild dansen, ja stampen wil hij!" (Rooni en Mavis, de keukenhulpen, zijn eveneens zwarte mensen).

Misschien wilde Roemer met haar kleine roman juist de nadruk leggen op de onzichtbare zwarte persoon die tevens de vertrouweling is. Nu… en vroeger?

Wat mij verder nog opviel was de opmerking over een Zweedse schoonzoon: Luther komt uit een volk dat niet belast is met een koloniaal verleden. Zomaar een losse gedachte, lijkt het, bij de schoonvader waar verder niets mee gedaan wordt. Of wordt hiermee indirect de hedendaagse lezer aangesproken? Betekent het: Hoe je het ook went of keert: het koloniale verleden zal altijd een last blijven? Een boek van Astrid Roemer zonder link naar het gedeelde verleden van Suriname en Nederland was ook niet te verwachten, zelfs niet als het over een welgestelde Friese familie gaat.

Astrid H. Roemer - Olga en haar driekwartsmaten. Amsterdam, Prometheus, 2017. 124 pg., stamboom. ISBN:978-90-446-3169-2.

© Jannie Trouwborst, september 2018.


dinsdag 4 september 2018

Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald

Een boek over Suriname met in de titel: Mevrouw Grünwald bevreemdde mij. Dat klinkt toch Duits? Maar het klopt helemaal. In de loop van een paar eeuwen is de inheemse bevolking van Suriname uitgebreid met vele nationaliteiten. Daar hoorden ook Duitsers bij.

Een gemêleerd gezelschap

De oorspronkelijke inwoners van Suriname, vroeger ook wel indianen genoemd, woonden voornamelijk in de binnenlanden. Inmiddels vormen zij een minderheid in Suriname. In het oerwoud woonden ook de  marrons, afstammelingen van slaven die van de plantages weggelopen waren om in het regenwoud een nieuw bestaan op te bouwen. Tegenwoordig vormen zij een aparte bevolkingsgroep in Suriname, die duidelijk anders is dan de andere groepen. 
De oorspronkelijke slaven kwamen uit West-Afrika. De afstammelingen van deze slaven zijn de creolen. De term ‘creool’ betekent ‘in eigen huis geboren’. De term werd vroeger al gebruikt voor toenmalige slaven die in Suriname geboren waren. De creolen hebben een “westerse” levensstijl, hoewel er onder hen ook steeds meer aandacht is voor hun traditionele gebruiken en religies. De meeste creolen wonen in Paramaribo. 
Na afschaffing van de slavernij haalde men in de 19de eeuw contractarbeiders naar Suriname om op de plantages te werken: Hindostanen uit India en Javanen (de meesten moslim, maar ook met traditionele geloofsovertuigingen). Ze mochten gratis terug naar hun thuisland, maar de meesten bleven.
Dan zijn er natuurlijk nog nazaten van de plantagehouders: Nederlanders, Fransen, Engelsen, Portugezen. En tenslotte de zendelingen van de Evangelische Broedergemeente, ook wel hernhutters genoemd, met wortels in Duitsland. In Suriname is de Evangelische Broedergemeente nog altijd het grootste protestantse kerkgenootschap met zo'n 60.000 leden. En zo kwamen de voorouders van Mevrouw Grünwald in Suriname terecht.

Een Duits paspoort

De voorouders van meneer en mevrouw Grünwald kwamen al 200 jaar eerder naar Suriname. Maar het nageslacht behield het Duitse paspoort, uit sentimentele overwegingen. En dat breekt op, als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Dat de Duitsers zich schandelijk misdroegen in Nederland, net zo als de Japanners in Indië, daar zijn genoeg aangrijpende boeken over geschreven. Maar het leek altijd of er in het buiten de oorlog gebleven Suriname niets aan de hand was. Dat dat toch heel anders lag, laat Diana Tjin ons zien in deze roman, die gebaseerd is op feiten en verhalen van slachtoffers.

Anna is negentien, als haar grootmoeder haar naar Mevrouw Grünwald stuurt met een brief. Ze heeft geen idee waarom. Ze mag blijven logeren. Thuis gaat het niet goed en ze is blij er een paar dagen tussen uit te zijn. Twee verhalen heeft de schrijfster dooreen geweven: het oorlogsverhaal van Mevrouw Grünwald en het dramatische verhaal dat zich bij Anna thuis afgespeeld heeft. Uiteindelijk komen ze samen, als het Anna duidelijk wordt, waarom haar grootmoeder haar juist naar deze vrouw gestuurd heeft.

Kamp Copieweg

Mevrouw Grünwald vertelt Anna over haar tijd in Kamp Copieweg. Hoewel de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname vreedzaam naast elkaar leven als de oorlog uitbreekt, wordt van hogerhand bevolen dat iedereen met een Duits paspoort geïnterneerd moet worden. Eerst alleen de mannen, later ook de vrouwen en kinderen en zelfs gevluchte Duitse Joden en dienstweigeraars uit Zuid-Afrika (Boeren die nog een Nederlands paspoort hadden). Na heen en weer gesleept te zijn tussen verschillende tijdelijke onderkomens, komen ze allemaal terecht op Kamp Copieweg. De ontberingen zijn schrijnend. Met de moed der wanhoop en soms met een beetje hulp van oude vrienden buiten het kamp, worstelen ze zich door de jarenlange, ellendige gevangenschap heen. Maar als Nederland allang bevrijd is, verblijven zij nog in het interneringskamp. Pas in 1947 komen ze weer vrij. Ze kennen Parimaribo niet meer terug. Dankzij de bauxietindustrie is het een welvarend land geworden, waardoor veel mensen er een luxe leventje op na kunnen houden. De Amerikanen die de bauxiet nodig hadden voor de vliegtuigindustrie in de oorlog hebben asfaltwegen aangelegd en voor werkgelegenheid gezorgd.
Mevrouw Grünwald denkt haar gewone leven weer op te kunnen pakken, ze heeft zelfs haar huis terug, waar de buren goed voor gezorgd hebben. En iedereen is heel behulpzaam. Maar dan wordt ze geconfronteerd met iets dat met het geheim uit de titel te maken heeft.
Met haar drie kinderen vertrekt ze naar Amsterdam, om te ervaren dat ze ook daar bepaald niet met open armen ontvangen wordt.

Anna's verhaal

Zo goed als het verhaal van Mevrouw Grünwald te volgen is, zo duister is dat van Anna, haar broer Simon en haar vader, moeder en grootmoeder. Niet alleen moet de lezer veel raden en zelf zien in te vullen, symboliek speelt er ook een grote rol in. Duidelijk is dat er sprake is van heftige ruzies en kindermishandeling en uiteindelijk moord. En dan wordt duidelijk waar de verhalen elkaar raken: ook in het kamp was er sprake van een vader die zijn zoon uithongerde en mishandelde tot de dood erop volgde. Zijn dochter was al voor de oorlog zwanger naar Nederland gevlucht. En langzaam begint het tot Anna door te dringen waarom haar grootmoeder haar juist naar deze vrouw toegestuurd heeft.

Twee belangrijke Surinaamse thema's

Het debuut van Diana Tjin mag er zijn. De schandelijke internering van goedwillende Surinaamse burgers zonder enige nazisympathieën en de mensonterende manier waarop ze gevangen gehouden zijn tot ver na de bevrijding is een schandvlek die niet onopgemerkt mag blijven. Diana Tjin heeft het goed beschreven.
Maar minstens zo belangrijk is de aandacht voor het andere thema: kindermishandeling. Het komt in veel Surinaamse boeken voor en niet voor niets. Wie mishandeld is als kind, heeft een grote kans zelf ook tot mishandelen over te gaan. De vreselijke verhalen over de behandeling van slaven staan in genoeg boeken beschreven. Maar blijkbaar moet het nog vele generaties na de afschaffing van de slavernij duren, voor deze keten doorbroken wordt.

Het zal best ingewikkeld geweest zijn deze thema's dooreen te weven. Ook voor de lezer is het een uitdaging Anna's verhaal te duiden en het verband tussen beide verhalen te achterhalen. Het besef, dat hier de vinger gelegd wordt op een hardnekkig Surinaams probleem, laat mij als lezer verslagen achter.

Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald. Haarlem, In de Knipscheer, 2017. 229 pg., met lit. opg., isbn:978-90-6265-954-8.

Diana Tjin (1961) is geboren in Amsterdam. Haar ouders zijn afkomstig uit Suriname. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde ze klassieke talen. Ze is werkzaam als catalografe bij de Universiteitsbibliotheek.

© Jannie Trouwborst, september 2018.

zaterdag 1 september 2018

Verzamelblog #MSL2018



Het is 1 september 2018, we gaan beginnen!

Boek uit? Meld het aan IN DE REACTIES op de pagina: Zoeklicht op Suriname: wie doet er mee? (KLIK HIER).

Vermeld daar auteur, titel, je naam (zoals je die hier vermeld wilt zien) en NIET te vergeten de link naar je beschrijving. Wie geen blog heeft (of een account op Hebban of Goodreads bv.) kan daar een korte indruk van het boek achterlaten. Dus iedereen kan meelezen. Heel veel plezier!

De verzameling

De recensies staan in volgorde van binnenkomst. Aan het einde van deze maand zullen 4 boeken verloot worden onder allen die hier onder vermeld staan.

Achter de naam van de auteur en de titel van het boek, zie je de naam staan van de lezer. Als die een link naar de bespreking heeft aangeleverd, kun je op de naam klikken om die te lezen. Voor de boeken die hier staan zonder link, zul je bij de reacties op de bovengenoemde pagina moeten kijken. Heb je wel een link, zorg dan dat ik die weet, zodat men hiervandaan direct op je recensie terecht komt. Werkt er iets niet naar behoren of mis je je eigen bijdrage? Laat dat dan vooral weten via de bovengenoemde pagina bij de reacties.

1. Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald JannieTr

2. Etchica Voorn - Dubbelbloed Sandraleest

3. Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald Ali

4. Michiel van Kempen - Voor mij ben je hier JannieTr

5. Annette de Vries - Scheurbuik  JannieTr

6. Astrid H. Roemer - Olga en haar driekwartsmaten JannieTr 

7. Johan Fretz - Onder de Paramariboom Susan (in een serie recensies in een blog)

8. Ellen Ombre - Erfgoed José

9. Frank Martinus Arion - Dubbelspel  Erik

10. Karin Amatmoekrim - Tenzij de vader Sue 

11. Clark Accord - Tussen Apoera en Oreala Ali

12. Michiel van Kempen - Voor mij ben je hier Erik

13. Astrid Roemer - Neem mij terug, Suriname Erik

14. H.M. van den Brink - Reis naar de West Erik





 © Jannie Trouwborst, september 2018

vrijdag 31 augustus 2018

Nienke van Hichtum - Afke's tiental

Als laatste boek voor de Maand van de Klassieker 2018 (KLIK HIER) koos ik voor een kinderboek uit 1906: Afke's tiental geschreven door Nienke van Hichtum. Het was het lievelingsboek van mijn Friese grootmoeder Trijntje van Oostrum-Molenaar (Bolsward 1892 - Drachten 1975). Ze had het al zo vaak tegen me gezegd: lees dit maar eens, dan weet je hoe mijn jeugd eruit zag. Toen het boek verscheen was ze net aan haar eerste dienstje begonnen (14 jaar oud). Maar ik vermoed dat ze het pas later gelezen heeft.

Mijn oma kwam uit een arbeidersgezin dat bij vlagen (werkeloosheid en ziekte) flinke armoede kende. Ze was de tweede in het gezin met 10 kinderen waarvan er 3 op zeer jeugdige leeftijd overleden. Waaraan is niet meer te achterhalen. Ondervoeding? Kinderziekten waartegen nog niet werd ingeënt? Als twee broertjes enkele dagen na elkaar overlijden, 3 maanden oud en 2 jaar, ga je daar wel aan denken. Het zijn schrijnende verhalen die mijn oma vertelde. Als ze tussen de middag uit het schooltje kwamen en de naaidoos stond op tafel, dan wisten ze dat ze niet om eten hoefden te vragen: dat was er gewoon niet. Voor ze buiten mochten spelen 's middags moesten de meisjes eerst tien toertjes breien aan de sokken. Zij was het die het mij leerde. Ik deed het graag. Maar in hun gezin vroeg niemand zich af of iets leuk was: er moest gewoon veel gebeuren en dat losten ze samen op. Want ondanks alles heeft ze een fijne jeugd gehad, met liefhebbende ouders in een hecht gezin.

Toen ze mijn grootvader ontmoette, was hij actief als een van de oprichters van De Blauwe Knoop (een vereniging tegen drankmisbruik). De uitzichtloze armoede en het drankmisbruik (lonen uitbetaald in de kroeg van de werkgever) brachten een tegenbeweging voort, waarbij ook mijn beide grootouders zich aansloten: de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij).

Afke's tiental

Nienke van Hichtum is het pseudoniem van Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer (1860-1939). Behalve kinderboekenschrijfster was ze vertaalster Fries-Nederlands (en andersom). In 1888 trouwde ze met Pieter Jelles Troelstra, één van de oprichters van de SDAP. Ook Sjoukje/Nienke werd door de tijdgeest gegrepen en omarmde de principes van de beweging. Ze heeft veel geschreven, maar Afke's tiental is haar bekendste boek.
Het verhaal is gebaseerd op het leven van Harmke Feenstra-Tuinstra uit het dorp Warga. Haar dochter was dienstmeisje bij Nienke van Hichtum. Het boek werd voor het eerst uitgegeven als deel 2 van de 'Geïllustreerde Bibliotheek voor Jongens en Meisjes' in 1903 bij uitgever J.B. Wolters. In 1906 werd deze hele boekenreeks overgenomen door de in kinderboeken gespecialiseerde uitgeverij P. Kluitman. Een jaar later verscheen de tweede druk. Pas toen werd het boek populair bij het grote publiek. In 2014 verscheen bij deze uitgever de 61ste druk.


Inhoud

In een klein, arm dorp op het Friese platteland wonen moeder "mem" Afke en vader "heit" Marten met hun tien kinderen in een tochtig en veel te klein huisje. Het jongste kind is pas geboren en het valt Afke zwaar haar laatste "popke" genoeg eten te geven. In tegenstelling tot de rijke boeren en stadslui is voor Afke elke dag er een waarop zij hoopt alle monden weer te kunnen voeden. Geld voor aardappelen, boter, kleren en turf voor de kachel is er nauwelijks en 's winters gaan ze vroeg naar bed om in de bedstee, dicht tegen elkaar aan gekropen, nog enige warmte te vinden. De opofferingen die Afke zich moet getroosten om haar kinderen een bestaan te geven, hoe karig ook, gaan soms heel ver. (Achterzijde boek).

Leeservaring

Wie dit leest, krijgt niet de indruk dat het hier om een kinderboek gaat: deze samenvatting is teveel geschreven vanuit het perspectief van de moeder. Maar het is toch echt een jeugdboek. De kunst is het boek te lezen met kinderogen. Het werd geschreven eind 19de eeuw en we mogen zonder meer aannemen dat het niet alleen bedoeld was voor de kinderen waar het verhaal over gaat. Zij leerden ternauwernood lezen en boeken waren een te kostbaar bezit. Misschien werd het voorgelezen op school, want het verhaal is best spannend. Voor de kinderen van toen dan toch. Een boze boswachter uitdagen, een logeerpartijtje in de onbekende grote stad (Leeuwarden) bij de oudste zus in het huis van haar mevrouw en dan verdwalen. En een zondagse vaartocht met een geleend zeilscheepje die bijna rampzalig afloopt.

De vraag is echter wat de werkelijke drijfveer van Nienke van Hichtum was om dit boek te schrijven. Ze probeert duidelijk iets over te brengen. Ten eerste dat het gezin, hoe arm en radeloos soms, altijd een hechte eenheid vormt en samen optrekt. Maar ook dat het zich (te) gemakkelijk neerlegt bij onrecht en ongelijkheid en niet in opstand komt. En dat de jongens als echte Friezen zich niet laten kennen bij verdriet en tegenslagen, daar zijn ze trots op. Typerend is overigens dat de meisjes vanzelfsprekend de zorgtaken op zich nemen.

Maar dan is er de andere kant: het verschil tussen rijk en welvarend, en extreem arm. Het was geen gefantaseerde of aangedikte toestand waarover Nienke schrijft. Ze laat zien dat mededogen niet veel hoeft te kosten. De mevrouw waar de oudste dochter (14 jaar) werkt, laat de zusjes van 4 en 6 ophalen om twee weken bij hen te komen logeren na de geboorte van de jongste. Ter ontlasting van Afke en om ze een beetje aan te laten sterken. En ze stuurt vanaf dan elke week een mandje eieren.
Tijdens hun zeiltocht op het grote meer komen vader en de kinderen meerdere luxe schepen tegen. Sommige negeren de kleine boot met de armlastige bemanning en varen roekeloos voorbij en weigeren een groet te beantwoorden. De kinderen begrijpen dat niet. Dan komt er een boot waar duidelijk een partijtje aan de gang is. Als de feestende kinderen het bootje ontdekken, zwaaien ze en gooien allerlei lekkers in hun zeilscheepje. Weer zijn de kinderen verbaasd: dat ze al dat lekkers zomaar krijgen, maar voor het eerst komt dan de vraag even naar boven: waarom hebben zij zo veel en wij zo weinig. Om die snel weer weg te duwen: te pijnlijk. Het is nu eenmaal zoals het is.

Een verhaal met een boodschap

Een spannend kinderboek met een politieke boodschap. Enerzijds een hart onder de riem voor de arme kinderen: een hecht en liefdevol gezin en het blij kunnen zijn met de kleine dingen in het leven is heel wat waard. Zo heeft mijn oma haar jeugd ook ervaren, maar ik denk toch dat dit beeld wat te romantisch is. Niet iedereen was in staat zo harmonieus zijn lijden te dragen. In veel gezinnen, zeker als vader ook nog eens zijn karige loon verdronk, was het niet zo gezellig als bij Afke.
Anderzijds (en dat was denk ik haar werkelijke motief) was het een appèl op de welgestelden. Via hun kinderen en de boeken die deze lazen, waren die wellicht beter te bereiken. De SDAP maakte velen kopschuw, bang voor het uitbreken van een revolutie. Nienke van Hichtum toonde: met een beetje naastenliefde en wat eerlijker delen komen we heel ver. Betere woningen, een redelijk loon, goede zorg en scholing. Dat alles zou voor iedereen moeten gelden.

Hoe moeten we het succes van dit boek duiden? Je kunt het oubollig en zoetsappig noemen, maar voor de tijd waarin het geschreven werd, viel dat wel mee. Na meer dan 100 jaar kun je het een treffend tijdsbeeld noemen. Maar dan nog kan ik er niet de vinger op leggen waarom dit boek al 61 drukken achter de rug heeft en in een strip is verwerkt. Er moet iets tijdloos in zitten, dat door alle generaties heen begrepen wordt. En eigenlijk is dat heel hoopvol. Wie het weet mag het zeggen.

Tot slot 

Een mooie film over het leven van Nienke van Hichtum is: Nynke, een liefdesgeschiedenis, onder regie van Pieter Verhoef, met in de hoofdrol Monic Hendrickx (2001). Te leen via de bieb op DVD.

Afke's tiental is verkrijgbaar:

- als stripboek door Dirk Matena (ISBN 9789079287512), ook verkrijgbaar in het Fries en als kleurboek

- als e-book (ISBN: 9789081549363)

- als 61ste druk bij Kluitman (ISBN: 9789020621082)

- als antiquarische uitgave of tweedehands bij boekwinkeltjes.nl

Ik las de jubileum uitgave bij het 125-jarig bestaan van Uitgeverij Kluitman:

Nienke van Hichtum - Afke's tiental. Alkmaar, Gebr. Kluitman, 1989. Geb. 154 pg., met 16 ills. van J.H. Isings Jr., 51ste geheel herz. dr.

© Jannie Trouwborst, augustus 2018.

dinsdag 28 augustus 2018

Jacob van Lennep - De zomer van 1823

In de zomer van 2000 zag ik de televisieserie De zomer van 1823, waarin Geert Mak en Theo Uittenbogaard dezelfde voetreis maakten die de vrienden Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in de zomer van 1823 door Nederland ondernamen. Ze gaan telkens op zoek naar de oorspronkelijke route van Jacob van Lennep met behulp van zijn dagboekaantekeningen. Soms verdwalen ze, maar dat is niet anders dan in 1823: ook Jacob en zijn vriend Dirk stuitten wel eens op minder begaanbare paden. Alle afleveringen zijn nog steeds te zien via de site van Geert Mak: KLIK HIER. Elke aflevering is verbonden aan een thema. De negen thema’s schetsen een beeld van het Nederland van voor de industriële revolutie.

In de televisieserie is Geert Mak de gids die het heden met het verleden verbindt. Zo ontstaat een uniek beeld van Nederland waarin landschap, dorpen en steden in hun huidige en historische context te zien zijn. Tegelijkertijd verschijnt er een boek: Lopen met Van Lennep bij Uitgeverij Waanders. Het boek is vanuit het oorspronkelijke manuscript in modern Nederlands hertaald door Marita Mathijsen. Mede door het succes van de tv serie worden er zo'n 65.000 exemplaren van verkocht. Inmiddels is het niet meer verkrijgbaar.

Heruitgave

Nu, bijna 20 jaar later, is er een uitgebreidere en vernieuwde versie van Lopen met Van Lennep verschenen bij Atlas Contact, onder de titel: De zomer van 1823. Wie de oude en nieuwe versie naast elkaar legt, zal goed moeten zoeken om de verschillen te ontdekken. Er zijn wat illustraties toegevoegd en enkele daarvan zijn nu in kleur. Maar ook de oudere versie bevat veel afbeeldingen en de meeste in kleur. Persoonlijk vind ik het papier van de oude uitgave en de kaft mooier: de binnenflappen geven een gedetailleerde kaart van Holland in 1810 weer. De nieuwe uitgave heeft als pluspunt dat er een apart kaartje met de route die de jongemannen liepen, is opgenomen. De toevoeging van een foto van de eerste bladzijde uit het Dagboek van Jacob van Lennep is eveneens interessant. Ook het opnemen van een plaatsnaam register is handig. Aan de tekst is verder niets gewijzigd en daarmee is het oude boek nog net zo waardevol als de nieuwe uitgave. Dat neemt niet weg dat het zonder meer geweldig is dat er nu een heruitgave ligt voor wie het destijds gemist heeft.

Het dagboek van Jacob van Lennep

Op de kaft van de nieuwe uitgave staat de naam van de auteur bovenaan en zo hoort het natuurlijk ook: Jacob van Lennep - De zomer van 1823. Het dagboek van zijn voetreis door Nederland. Bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen. Via zijn dagboekjes en brieven naar huis heeft Jacob van Lennep tot driemaal toe getracht er een lopend boekwerk van te maken, zonder het echt te voltooien. Het is later door anderen bewerkt en uitgegeven, maar de uitgave van Mak en Mathijsen is de eerste uitgave die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst is gebleven. Wel hertaald naar een prettig lezend, hedendaags Nederlands.

Voor de jongens in 1823 was de tocht een studie naar de mentaliteit en de cultuur van het toen net tot stand gekomen Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Jacob van Lennep beschrijft in het verslag  minutieus de bezienswaardigheden, het landschap, de infrastructuur, de werkbezoeken aan instellingen en de zeden en gewoonten in die tijd. Het is een levendige en precieze beschrijving van een voor Nederland belangrijke periode. Napoleon is verslagen en Nederland bevindt zich in een niet al te beste toestand. Er is veel armoede, oude handelssteden verkeren in diep verval en binnenslands zijn grote streken (ongeveer 1/3 deel van het huidige Nederland) nog bedekt met pure wildernis: hoogveenvlaktes in Drenthe, gigantische heidevelden op de Veluwe, onafzienbare woestenijen in de Peel. Er is nog veel water dat later land zal worden.
Nog geen tien jaar na de reis van de studenten worden steden en dorpen verbonden door verharde wegen en kanalen, vijftien jaar later rijden de eerste stoomtreinen en vijfentwintig jaar later roken overal de schoorstenen van de industrie. Maar nu nog niet: Het Nederland van Van Lennep en Van Hogendorp was een land dat leefde in de laatste jaren van de diligence, ganzenveer en tondeldoos, van besloten dorpen en landstreken, van stadspoort en wildernis. Hun Nederland was een wachtend land.
De inleiding van Mak zorgt voor een goed beeld van de historische achtergrond bij het dagboekverslag. In de tekst van het dagboek zelf wordt via noten (achterin in het boek verzameld) verwezen naar uitleg over woorden/namen/ omstandigheden die bij de huidige lezer wellicht niet bekend zijn.

Voor wie?

Wie zich ervan bewust blijft dat de beide jongens geen geschiedenisboek schreven, maar een persoonlijk verhaal over de tijd waarin ze leefden en met de mentaliteit die hoorde bij hun stand, zal ongetwijfeld kunnen genieten van hun verhalen en er plezier aan beleven een en ander te vergelijken met onze tijd. Dat geldt misschien ook wel voor fervente wandelaars: hoeveel van wat de jongens zagen en van waar ze liepen is nog herkenbaar? En Geert Mak fans komen aan hun trekken in de uitgebreide inleiding die de achtergronden van en het perspectief op de tocht belicht. Daarbij kunnen de nog te bekijken video's (zie boven) ook een rol spelen. Het was op verzoek van o.a. Geert Mak dat deze heruitgave er gekomen is.

Niet alles is verdwenen van wat de studenten beschreven. De hoofdstukken gewijd aan de Maatschappij van Weldadigheid, de koloniedorpen Frederiksoord en Willemsoord en de strafkolonie Ommerschans waren destijds voor mij de aanleiding me er verder in te verdiepen. De overblijfselen daarvan zijn nog volop en levendig aanwezig, op velerlei manier (KLIK HIER).

Van Lennep blijkt een uitstekende verteller, die ons op een vlotte manier en met humor een kijkje geeft in het dagelijks leven van toen, inclusief de standsverschillen en ons met oog voor detail de toenmalige sfeer, kleur en geur van het landschap laat ervaren. Samen met de goedgekozen illustraties is het een verrijkend boek voor wie belangstelling heeft voor het leven in Nederland in De zomer van 1823.

Jacob van Lennep - De zomer van 1823 - Het dagboek van zijn voetreis door Nederland. Bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen. Amsterdam. Atlas Contact, 2018. Pb., 312 pg., met reg. en kleurenills. ISBN:978-90-450-3705-9.

© Jannie Trouwborst, augustus 2018.