maandag 9 maart 2020

Ik wacht: 101 verhalen uit het aardbevingsgebied

Keerzijde van de Gouden jaren

In 2014 las ik Gouden jaren van Annegreet van Bergen. Een boek over hoe geweldig het leven wel niet is geworden, na de oorlog. Leuk om de ontwikkelingen te herkennen. Iets ouder dan de schrijfster, heb ik ze allemaal bewust meegemaakt. Ik schreef er een recensie over die op zich positief was, maar toch begon er iets te knagen: ik miste iets. Een zekere mate van nuancering en relativering. En kaartte dat aan in mijn recensie. Dat kon niet iedereen waarderen. Maar ik sta er nog steeds achter.

"Want de auteur blijft natuurlijk wel een econoom! De positieve toon is goed: niet zeuren, kijk eens wat we allemaal bereikt hebben. Of zoals ze zelf zegt:  "Rijker dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden."  Oké, mee eens. Maar wordt het dan misschien nu langzamerhand ook niet eens tijd om te kijken wat er ondertussen met andere belangrijke waarden in ons leven gebeurd is? Medemenselijkheid en zorg voor elkaar, natuur- en milieu en duurzaamheid, psychische gezondheid en ethiek, om er maar eens een paar te noemen. Ik blijf hopen dat een boek daarover net zo'n bestseller zal worden, maar ik vrees van niet: die boodschap zal een stuk minder positief zijn."

De gasbel van Slochteren
 
Wat ik daarbij onder andere voor ogen had, waren de toenemende, zorgelijke berichten vanuit Groningen. Want de eerste verhalen over aardbevingen, schade en een NAM die alle verantwoordelijkheid ontkent, drongen langzaam door tot de rest van Nederland. De Gouden jaren van Annegreet van Bergen zijn mede mogelijk geworden dankzij de 300 miljard euro die de gasbel onder Slochteren tot nog toe opleverde. Maar nu de keerzijde duidelijk is - zo'n 100.000 schademeldingen, huizen die onveilig en onbewoonbaar worden verklaard, steeds meer mensen met psychische problemen en schoolkinderen die leren hoe ze zichzelf tijdens een aardbeving kunnen redden - geeft de overheid niet thuis.

Het gasdossier liet me niet meer los. Er volgen meer en zwaardere aardbevingen. De ministers Kamp en Wiebes wisselen elkaar af en beloven van alles. De minister-president zegt dat het allemaal goed zal komen. Er worden allerlei instanties opgetuigd (CWV, NCG, TCMG), er komt een coördinator, een arbiter. Maar de spelregels worden steeds veranderd, waardoor eerdere oplossingen en afspraken weer ongedaan gemaakt worden. Wiebes spreekt doortastende taal, over de gaswinning die drastisch naar beneden gaat en over harde beloftes over vergoeding van geleden schade. De adder onder het gras is het uitgangspunt dat door de verminderde gaswinning de kans op een volgende aardbeving kleiner zou zijn en er dus veel minder huizen verstevigd behoeven te worden. Iets wat geologen bestrijden: het zal nog jaren blijven rommelen in de Groningse bodem. Maar in één klap worden zo aanvankelijk onveilig verklaarde huizen, plotseling weer veilig verklaard. En de NAM? Die trekt zich nergens iets van aan en gaat gewoon door met het murw maken van de slachtoffers.

Dagblad van het Noorden 

Dat bracht het Dagblad van het Noorden er toe een serie interviews te beginnen met getroffenen. Eén mens kan zaken aandikken en overdrijven, maar tientallen malen een verhaal van dezelfde strekking duidt op een strategie: de kosten van het herstel zoveel mogelijk drukken, de boel traineren en de burger treiteren tot hij verslagen inbindt. Na 101 verhalen is dat wel duidelijk. 

Ik besefte dat het geen prettige verhalen zouden zijn die ik ging lezen, maar dat het zo absurd zou zijn, hield ik niet voor mogelijk. Kafka op Het Hoge Land, stelt Bert Wagendorp in zijn voorwoord. Het is geen wonder dat mensen hieraan onderdoor gaan. Elk verhaal is net even anders, maar samen geven ze een compleet beeld van alle ellende en de moedeloosheid van de meeste getroffenen. Wie begint met lezen, kan niet meer stoppen. Misschien wel door de ijdele hoop dat er eentje tussen zit, dat wel goed eindigt. De enkele verhalen met een positieve draai zijn die van mensen met genoeg geld om eindeloze rechtszaken te voeren of het heft in eigen hand te nemen en zelf de schade te herstellen in afwachting van de vergoeding die waarschijnlijk nooit komt.
Bovendien gaat het niet alleen over de vergoeding van schade of het eindeloos wachten op rapporten, maar ook over het gevoel van onveiligheid. Wanneer komt de volgende beving, gaan we dat overleven? Een huis dat verstevigd zou moeten worden en nu ineens niet meer, voelt voor de bewoners onveilig en is dat waarschijnlijk ook. Een thuis is het in elk geval niet meer.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de schat aan cultuur-historie die verdwijnt. Kerken,  eeuwenoude boerderijen, dorpsgezichten. Door het uitstellen van de juiste en nodige reparaties en weigeren deze gebouwen aardbevingsbestendig te maken zijn sommige gebouwen al niet meer te redden.

In de steek gelaten door de rest van Nederland

De Groningers voelen zich in de steek gelaten en terecht. Door de overheid in de eerste plaats, die niet van plan is op te treden tegen de NAM en ook zelf niet voor de schade wil opdraaien. Maar ook door de rest van Nederland. Alsof wij er niet meer bij horen, klinkt het. Daarom hoop ik dat meer mensen de moeite zullen nemen hun verhalen in Ik wacht te lezen. En te beseffen hoe groot het onrecht is dat de Groningers wordt aangedaan.

Ik wacht: 101 verhalen uit het aardbevingsgebied / woord vooraf van Bert Wagendorp; onder red, van Het Dagblad van het Noorden. Amsterdam - Balans, 2019. Pb., 326 pg., foto's, begrippenlijst. ISBN: 9789463820370.

© Jannie Trouwborst, maart 2020.

zondag 23 februari 2020

Wim Huijser - De kracht van het wandelen

Wandelen zit in de lift! 

Voor het behoud en de verbetering van onze gezondheid is bewegen noodzakelijk. Dat weet inmiddels iedereen wel. Of we met die wetenschap iets doen is een andere zaak. Maar sinds het niet meer per se nodig blijkt om naar de sportschool te gaan of elke dag een heel stuk te rennen, komen er steeds meer mensen in beweging. Want een half uur per dag wandelen is al voldoende, wordt ons voor gehouden. En daar begint het, want wie merkt hoe fijn wandelen is, zal, naarmate de conditie vooruit gaat, steeds vaker en verder willen wandelen. en daarbij ontdekken dat er aan wandelen heel veel kanten zitten.

Ontstressen in de natuur


In Japan heeft men er een woord voor: Shinrin-Yoku, letterlijk vertaald Bosbad. Er worden daar zelfs speciaal "therapeutische bossen" voor aangewezen. Maar Wim Huijser laat in De kracht van wandelen zien, dat elke natuurlijke omgeving zich leent voor wandelen op een helende manier voor lichaam èn geest. Het gaat namelijk niet alleen om het bewegen, maar ook om het jachtige en veeleisende leven achter je te laten en tot rust te komen. Vandaar dat de gemiddelde leeftijd van de wandelaars steeds lager wordt.

Wat ook helpt zijn de digitale middelen die gebruikt kunnen worden om het vinden en volgen van mooie wandelroutes te vergemakkelijken. Op bijvoorbeeld De Wandelzoekpagina staan wandelingen in alle afstanden en soorten. Een groot deel ervan is ook als GPS-route te downloaden en dus altijd up-to-date. En wie liever een wandelboekje heeft, kan veel van deze wandelingen ook vinden in de wandelgidsen van Wandelbart of Uitgeverij Gegarandeerd Onregelmatig.
En dan is er natuurlijk nog het vertrouwde Wandelnet waar de LAW-routes en streekpaden ontwikkeld worden en die tegenwoordig alle routes uit de gidsen ook als GPS-track aanbieden.

Klein beginnen

Om de voordelen van het wandelen voor je lichamelijke en geestelijke gezondheid te ontdekken, moet je echter klein beginnen. Het liefst kies je daarvoor een natuurlijk omgeving uit: park, bos, strand, polder, uiterwaarden. Wim Huijser neemt je mee op je ontdekkingstocht, stap voor stap. Begin met een kwartiertje, kijk anders naar je omgeving, ervaar de wind, de geuren, laat de drukte en het lawaai achter je. 

"Wanneer je regelmatig op deze manier wandelt en je onderdompelt in de natuur, verandert er iets in jezelf. Je raakt niet meer zo snel overweldigd door een maalstroom van gedachten en ideeën maar kunt die misschien wat sturen of even in de wacht zetten. Je kunt je dan beter richten op wat zich nu, op dit moment afspeelt, op de plek waar je dan bent."

Zoveel mogelijkheden

Tot zover de inleiding. Daarna volgen 42 hoofdstukjes met allerlei aspecten van het wandelen en suggesties. Afgewisseld met evenzovele spreuken en citaten over het lopen, wandelen en beleven van de natuur. En sfeervolle foto's.
Ook in Nederland kun je pelgrimstochten lopen, kinderen krijg je gegarandeerd mee het bos in als je met ze gaat geocachen. Samen wandelen of juist alleen, stiltewandelingen, naar je werk lopen, wandelcoaching, struinen. Dat je er creatief van wordt, blijkt uit de stukjes over kunstenaars, schrijvers en filosofen. En de citaten die van hen opgenomen zijn. 

Het boekje is niet duur en een heel leuk cadeau voor iedere wandelaar. De beginneling zal er steun in vinden, de gevorderde zal nieuwe mogelijkheden ontdekken en de ervaren wandelaar zal vooral genieten van de herkenning, de toepasselijke spreuken en foto's.

"We zullen niet ophouden met ontdekken en het einde van al onze ontdekkingen zal de terugkeer zijn naar waar we zijn begonnen en we zullen de plaats voor de eerste keer kennen." T.S. Eliot.

"Pessimisten wandelen altijd in een regenjas; optimisten worden nat." John Vangelis.

"Wie wandelt, verandert. Op ons levenspad zijn we altijd in beweging". Anselm Grün.

"Bij slecht weer kun je wel lekker met je hoofd in de wolken lopen.". Loesje.

 Wim Huijser - De kracht van wandelen. Ede, De Lantaarn, 2019. Pb., 160 pg., kleurenfoto's. ISBN:978-94-6354-103-9

© Jannie Trouwborst, februari 2020.



Dido Michielsen - Lichter dan ik

Njai Isah

Het leven van haar betovergrootmoeder inspireerde Dido Michielsen bij het schrijven van Lichter dan ik. Isah, zoals zij zal heten in deze roman, werd in 1850 geboren op Java. Ze groeit op in de kraton, het vorstenverblijf van de sultan in Djokja. Samen met haar moeder bewoont ze er een eenvoudige woning, waar haar moeder de kost verdient als batikster. Isah is bevriend met de dochters van de sultan, maar bij het opgroeien ontdekt ze al snel dat er onneembare obstakels bestaan in de traditionele standenmaatschappij. Maar ook dat die tradities zowel voor de prinsesjes als voor haarzelf enorme beperkingen met zich mee brengen. Ze besluit haar leven in eigen hand te nemen. Laat zich niet uithuwelijken, maar wordt de huishoudster en minnares van een Hollandse officier. Ze krijgen twee dochters en Isah hoopt dat hij ze zal erkennen en met haar zal trouwen. Maar zo werkt dat niet in de Nederlands-Indische kolonie. Hij laat hen in de steek, haar kinderen worden haar afgenomen en ze moet grote offers brengen om ze te kunnen zien, zonder dat ze hen kan vertellen dat ze hun moeder is. Ze kan niet voorkomen dat haar dochters tenslotte naar een internaat gestuurd worden en niet lang daarna uitgehuwelijkt. Ze heeft geen idee waar ze kunnen zijn en blijft de rest van haar leven naar hen op zoek. Ze voorziet in haar levensonderhoud met de verkoop van kruiden die ze zelf verbouwt en slaapt bij vrienden in de armoedige kampongs in de buurt van de stad. Vlak voor ze op 67-jarige leeftijd sterft, vraagt ze een vriendin haar verhaal op te schrijven, in de hoop dat haar dochters of hun nakomelingen ooit de waarheid zullen weten.

Van binnenuit

Over Nederlands-Indië zijn al heel wat boeken verschenen. Maar wie denkt het wel te kennen door de prachtige verhalen van Nederlandse auteurs als Louis Couperus en Hella Haasse, vergist zich. Want dat is het mooie van dit verhaal: het is vanuit het perspectief van een Javaanse vrouw geschreven. Daarvoor heeft Michielsen een handige truc toegepast: het verhaal is zogenaamd geschreven door de vriendin van Isah, Tjanting. Zij schrijft het voorwoord en nawoord om uit te leggen dat ze niets verzint, dat het allemaal door Isah verteld is, maar dat Isah zelf het Nederlands niet goed genoeg beheerst om haar eigen verhaal op te schrijven. Daarna laat zij Isah in de ik-persoon aan het woord. Dat alles maakt het verhaal nog directer, aangrijpender en geloofwaardiger.

We volgen het leven van Isah chronologisch en maken kennis met de omgeving waarin ze verkeert. Allereerst de kraton, later het huizen van verschillende Hollanders en tenslotte de kampongs. Met de beperkingen die er gelden door traditionele gebruiken en religie, maar ook met de vooroordelen die de Hollanders hebben. De rijke cultuur van de Javanen, die zich bijvoorbeeld toont in de symboliek van de batikstoffen die haar moeder op zeer kunstzinnige wijze bewerkt, worden door de blanken niet begrepen. Uit alles blijkt dat de meesten geen belangstelling hebben in en respect voor de inlandse cultuur. Zoals de eis dat hun vrouwelijk personeel witte kebajas dragen: voor de Javanen de kleur van de rouw.

De onderdrukking door de Hollanders en de effecten daarvan op de oorspronkelijke bewoners kunnen niet duidelijker tot uitdrukking komen dan door deze njai (zoals een huishoudster en minnares genoemd wordt) aan het woord te laten. Ze kan er nooit iets van laten merken, maar haar gedachten erover delen in deze roman is geen enkel probleem. En dat maakt dit verhaal zo uitzonderlijk. Het maakt de onmacht voelbaar en het schetst haar verachting voor de leeghoofdige Hollanders. Hun Europese pracht en praal kan niet tippen aan de bezielde symboliek van de natuur, traditionele voorwerpen en batikpatronen. Door hun invoering van het cultuurstelsel ontstonden armoedige kampongs waar niemand meer werk heeft. In Isahs verhaal wordt duidelijk dat het al broeit in de kampongs en dat het wel tot een uitbarsting moet komen.

Eind goed, al goed?

Nee. En ik verklap daarmee niets, want al op de eerste bladzijden van het boek wordt duidelijk: Isah zal haar dochters nooit meer terugzien. En toch is het verhaal van begin tot eind spannend. Alle belangrijke personages zijn levensecht beschreven, de situaties benauwend, het verdriet en de wanhoop voelbaar. Maar ook de onvermoeibare wijze waarop ze blijft hopen en zoeken.
In het Nawoord deelt Tjanting haar dilemma ons: mag ik Isahs verhaal, dat voor haar dochters bedoeld is, wel uitgeven als boek? Ze besluit uiteindelijk het toch te doen, om daarmee alle andere vrouwen en kinderen die hetzelfde is overkomen ook een stem te geven. En dat zijn er velen.

Zelden heb ik zo'n aangrijpend, spannend, triest en leerzaam boek gelezen als de roman Lichter dan ik van Dido Michielsen. Dat er heel veel tijd gestoken is in cultuur-historisch onderzoek is duidelijk. Ik ontdekte de titel op de longlist voor de Libris literatuurprijs 2020. Inmiddels is bekend gemaakt dat het de Nederlandse Boekhandelsprijs 2020 gewonnen heeft. Dat lijkt me volkomen terecht, want het is ook nog eens heel goed geschreven.

(Achterin staat een verklarende woordenlijst, maar door de manier waarop de Javaanse woorden in de tekst zijn verweven is het ook zonder die lijst vaak wel duidelijk waar het om gaat. Ik heb maar zelden iets op hoeven te zoeken.)

Dido Michielsen - Lichter dan ik. Amsterdam, Hollands Diep, 2019. Pb., 267 pg.,
ISBN: 9789048845033.


© Jannie Trouwborst, februari 2020.

zondag 16 februari 2020

Kees Kooman - Nieuw boeren: Je leent het land van je kinderen


Kees Kooman is onderzoeksjournalist en schrijver. Hij schreef verschillende boeken over de landbouw. Zo verscheen in 2015 Boerenbloed - Melkquota, megastallen en het verdwenen platteland. Daarin stelt hij vast wat de gevolgen zijn van het besluit de melkquota los te laten, zowel voor de boeren als voor het landschap, en voorspelt hij de crisis waar de veeteelt nu in verkeert. Van de achterflap van dat boek:

"Journalist Kees Kooman, inwoner van Ee, zag de afgelopen jaren het landschap om hem heen veranderen en de megastallen verrijzen. Hij gaat op onderzoek uit. Hij praat met wetenschappers, politici en milieubeweging over de kansen, de bedreigingen en zelfs de gevaren voor de melkveehouderij. Maar Kooman praat vooral met de boeren zelf. Kiezen zij voor grootschaligheid of juist niet, wat zijn hun dromen en ambities? Zij spelen de hoofdrol in dit nostalgisch stemmende én verontrustende boek over het kantelpunt waarop 'Nederland Boerenland' zich bevindt."


Nieuw Boeren 

Opnieuw gaat Kees Kooman in gesprek met boeren. Hij bezoekt tien boeren die het roer helemaal omgegooid hebben. Zij gaan op een andere manier boeren. De titel luidt nadrukkelijk Nieuw boeren en niet Nieuwe boeren. De boeren die hij spreekt, komen allemaal uit oude boerenfamilies. En in elk van de tien gesprekken komen ook de vorige generaties aan bod.

Het beeld dat uit deze portretten naar voren komt, is niet dat van dromers zonder realiteitszin. Stuk voor stuk gaat het om ondernemers die overtuigd zijn van het feit dat het roer om moet en dat doen op een manier die zowel de natuur spaart, als hen een goed inkomen verschaft. De verhalen zijn heel divers. Soms verrassend en soms eigenlijk heel vanzelfsprekend. 

Tradities 

In enkele van de verhalen wordt duidelijk dat de voorouders altijd een klein gemengd bedrijf hebben gehad. Vaak vertelt de grootvader daar zelf nog over. De vader vertelt over de schaalvergroting, de investeringen, de regelgeving en de macht van de banken en de tussenhandel. Het mee moeten doen met de groei en er steeds minder aan verdienen. De zoon ziet dat het anders moet en keert terug naar het model van zijn grootvader. Door manieren te vinden om zelf direct te leveren aan de consument en dus de tussenhandel uit te schakelen, zijn de verdiensten goed. En door er voor te zorgen dat het inkomen niet meer afhankelijk is van één product, kunnen tegenvallers gemakkelijk opgevangen worden. En de natuur? Die vaart er, tot genoegen van de boer, wel bij.

Anderen breken met de traditie door zich te richten op een nieuw product, maar ook zij gaan uit van de consument en leveren hun product zelf aan afnemers. Voorbeelden daarvan zijn een bloeiend bedrijf dat theeplanten en zaad voor de theeplanten over de hele wereld levert. En binnenkort ook zelf thee gaat verkopen. Of de boer uit Zeeland die zich gespecialiseerd heeft in zilte groenten die hij levert aan restaurants, maar die hij ook veredelt en vermeerdert.

Eveneens onderweg naar vroeger is een groep boeren op Schiermonnikoog. Ze keren terug naar kleinschalig boeren en een traditioneel werkende coöperatie. En op Landgoed Twickel wordt de boer bijgestaan door de rentmeester van het landgoed, die ook zijn verhaal doet. Een andere manier van grondbewerking, kleinschaliger gebruik en kringlooplandbouw houden het fraaie landschap in stand, zorgen voor biodiversiteit en leveren de boer voldoende op om van te leven. 

Wat ging er fout? 

Door de verhalen van deze tien boeren op te tekenen laat Kooman zien wat er na de Tweede Wereldoorlog allemaal fout is gegaan op het platteland. En geeft hij voorbeelden van hoe het anders kan. Met een goed inkomen en aandacht voor de natuur. Maar nog steeds, geven de kinderen van de laatste generatie aan, wordt er op de landbouwschool het achterhaalde mantra van de schaalvergroting geleerd en wordt er aan kringloop landbouw, zonder kunstmest en met een andere grondbewerking geen aandacht besteed. 

Ondertitel 

De ondertitel van het boek is een citaat uit een interview met een van de boeren: Je leent het land van je kinderen. Opvallend is, dat terwijl op dit moment veel kinderen het niet meer zien zitten hun ouders op te volgen op de boerderij, dat bij het Nieuwe boeren heel anders ligt. Leven met de natuur, een goed inkomen en zelfstandigheid, dat is een aanlokkelijk perspectief.
Inspirerende en hoopgevende verhalen in deze tijden van crisis.

Kees Kooman - Nieuw Boeren: je leent het land van je kinderen. Gorredijk, Noordboek, 2019. Pb., 272 pg., foto's. ISBN:978-90-5615-550-6 of 978-90-5615-502-5.

©Jannie Trouwborst, februari 2020.

zondag 9 februari 2020

Eva Meijer - Het schuwste dier

In 2017 wordt het oeuvre van Eva Meijer, dat bestaat uit zowel fictie als non-fictie, bekroond met de Halewijnprijs. Op dat moment heeft ze al een aantal succesvolle titels op haar naam staan en verschillende prijzen ontvangen. Ook de daarna verschenen boeken zijn succesvol gebleken. Dat heeft Cossee ertoe doen besluiten om Het schuwste dier, haar debuut uit 2011, opnieuw uit te geven. Want ook al werd het boek destijds genomineerd voor de Academica  Literatuurprijs, de Gouden Boekenuil en de Vrouw&Proza debuutprijs, toch kreeg het niet de aandacht die het verdient. Bovendien is er in deze roman al veel van haar latere thematiek te herkennen. Een herkansing dus.

Rouw in de familie om een plotselinge dood

De hoofdpersoon, een meisje van nog geen twintig, studeert sinds een paar maanden in Engeland. Ze wordt teruggeroepen naar huis vanwege de plotselinge dood van haar tante. De zelfmoord van deze zieke zus van haar moeder schokt de hele familie. Er is verbijstering, verdriet, ongeloof, woede, er moet van alles geregeld worden. De hoofdstukken hebben als titel de namen van de week waarin zich dat alles afspeelt. Een week waarin de tijd stil lijkt te staan, terwijl het leven gewoon door blijft gaan. Een week waarin iedereen opgesloten lijkt te zitten in de eigen rouw en het eigen verdriet.

Intiem perspectief

De naam van de ik-persoon kennen we niet. Toch zitten we in haar hoofd gevangen. Ze deelt in veelal korte zinnetjes haar gedachten met ons. Die variëren van banale alledaagse dingen die haar opvallen, via observaties van de reacties van de anderen om haar heen, tot haar eigen rouwgevoelens en de ondertussen ook nog verwarrende liefdeservaringen met haar voormalige lerares.
Een meisje van twintig is er in te herkennen. Nog zoekende en onzeker. De gebeurtenissen rond het sterfgeval laten haar anders kijken naar haar familieleden. Door het gedrag te beschrijven, ontstaat er een bepaald beeld van de persoon en van de verhoudingen tussen de familieleden. Het is een manier van schrijven waarin van de lezer de nodige empathie wordt verwacht. Dat maakt het lezen boeiend, terwijl het tegelijkertijd de verwarring teweeg brengt die in deze week iedereen in zijn greep houdt.
Dieren zijn ook aanwezig. Vooral huisdieren. De honden en katten, waar nauwelijks aandacht voor is bij de andere mensen, die troost bieden, recht hebben op verzorging, ook in lastige tijden. De ik-persoon kijkt naar ze om. Ook het gedrag van de vogels slaat ze met interesse gade. Als afleiding.

Het schuwste dier

De gesprekken tussen de betrokken familieleden lijken willekeurig, maar zijn het niet. Gekibbel bijvoorbeeld over welke vla de tante het liefst lustte, is in feite een strijd over wie haar het beste kende: haar partner of haar zussen. Zo gebeurt er veel dat meer is dan het lijkt, alles om het gesprek over het verdriet en het gemis niet aan te gaan. Dat is het schuwste dier, dat zich verstopt en alleen zichtbaar wordt in een plotselinge huilbui en de talrijke omhelzingen. Het verhaal krijgt zo een diepere laag. Ook de ik-persoon probeert door observatie van het dagelijkse niet met het ergste bezig te zijn, maar toch dringt het zich geregeld op. Dat zich uit in filosofische overwegingen.

Er zijn verschillende manieren waarop iets verloren kan gaan.
Soms verdwijnt het gewoon. Het was er eerst nog. Het is niet duidelijk waar het gebleven is, en of het ergens gebleven is. Een goocheltruc.
Soms verdwijnt het langzaam uit zicht, als een schip of en huis vanuit het achterraam van een auto. Een van beide partners beweegt moedwillig, of beide partijen bewegen van elkaar af.
Soms wordt het weggegooid. Oud papier, gft-afval, een kunstgebit dat niet meer past, een boodschappenlijstje dat iemand in een winkelwagen heeft laten liggen.
Soms wordt het vergeten. Niemand denkt er ooit meer aan. Het bestond, maar omdat iedereen vergeten is dat het bestond, bestond het misschien niet. (Soms duikt het weer op, door een associatie met iets anders of een vraag).
Soms is het al weg terwijl het er nog lijkt te zijn, zoals een ster.
Soms is het avond, wordt het laat en later, nacht, ochtend. Dat het weer avond wordt, maakt voor de avond die geweest is niet uit. Elke seconde is al voorbij als je aan hem denkt. (Nu.)

In het slothoofdstuk, tijdens een wandeling met de hond, lukt het haar uiteindelijk de woorden te vinden die haar moeten helpen om te leren verder te leven in het besef van het onvermijdelijke.

Mooi debuut, goed dat het opnieuw is uitgegeven.

Eva Meijer - Het schuwste dier. Amsterdam, Cossee, 2020. Pb., 219 pg., ISBN:978-90-5936-879-8.

© Jannie Trouwborst, februari 2020.

Eerder verschenen op dit blog, de recensie van Eva Meijer Het vogelhuis.

zondag 2 februari 2020

Dick Walda - Trompettist in Auschwitz, herinneringen van Lex van Weren

Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen. Het zijn woorden van de dichter Leo Vroman die steeds opnieuw indruk maken.

De voorgeschiedenis

Dit jaar herdenken we dat het 75 jaar geleden is dat kamp Auschwitz werd bevrijd. Over de verschrikkingen in de concentratiekampen zijn al veel verhalen verteld en boeken geschreven. En steeds opnieuw maken ze indruk. Omdat het unieke verhalen blijven, omdat elke situatie anders was en omdat elk mens uniek is, ook in de manier waarop hij of zij met deze onmenselijke toestanden omging. Het verhaal van Lex van Weren (1920-1996), een na de oorlog bekende trompettist, is eveneens bijzonder. Toch zwijgt hij er tientallen jaren over, net als veel van de overlevers. In 1978 en 1979 lukt het Dick Walda om hem zijn ongelooflijke verhaal te laten vertellen. Anderhalf jaar lang interviewt hij hem wekelijks over zijn jaren in Auschwitz. Daarna maakt hij er een chronologisch verhaal van waarin Lex van Weren zelf als verteller aan het woord is. 
Het eerste druk van het boek verscheen in 1979. Deze tweede druk is uitgebreid met een interview met Albert Gemmeker, de voormalige commandant van Westerbork. Tot ongenoegen van Van Weren stemde Gemmeker slechts toe als het pas na zijn dood gepubliceerd zou worden.

Het ooggetuigenverslag

Hoe indrukwekkend en indringend zijn verhaal ook is, Van Weren vertelt het met een bewonderenswaardige nuchterheid. Zoekt verklaringen voor het gedrag van zowel zijn mede gevangenen als de SS'ers die het in het kamp voor het zeggen hebben. Doorziet het systeem dat ze opzetten, waarbij andere gevangenen om hun eigen leven dragelijker te maken of te redden, tot hun handlangers worden, zodat de SS'ers geen omkijken hebben naar het reilen en zeilen binnen het kamp en zich kunnen beperken tot allerlei sadistische spelletjes. Hij laat op een overtuigende manier zien hoe oorlog en fascisme de mens deformeren. 
Rode draad in zijn verhaal is de verbijstering waarmee hij kijkt naar wat er om hem heen gebeurt en de vraag hoe het komt dat de mens tot deze daden in staat is. Over zijn aankomst in Auschwitz zegt hij: "Dat letterlijk alle Joden uitgeroeid moesten worden, kwam niet in mij op. Ik zag die crematoria roken en toch wilde ik het niet geloven."
Iets wat hem ook na de oorlog nooit losgelaten heeft. Samen met zijn vrouw is hij meermaals op bezoek geweest in Auschwitz en op de verschillende plekken in de omgeving waar hij te werk werd gesteld. "Ik wilde er achter komen hoe het mogelijk is geweest dat gewone mensen zoiets hebben aangericht."
Ook zoekt hij in Duitsland Albert Gemmeker op, de voormalige commandant van Westerbork, na de oorlog sigarenwinkelier. Een kleine wraak om hem te zien beven en gedienstig te zijn. En regelt hij dat Dick Walda Gemmeker een interview mag afnemen. 

De trompettist

Als jongeman heeft Lex van Weren geen zin in school en speelt hij het liefst in orkestjes op zijn trompet. Als hij in 1943 wordt opgepakt heeft hij al furore gemaakt in Joodse orkesten. Zijn trompet heeft hij steeds meegenomen. Zowel in Westerbork als in Auschwitz en later Dachau, blijft hem dankzij dat instrument veel, maar lang niet alles, bespaard. Zolang hij in een orkest kan spelen, is hij redelijk veilig. Want de kampleiding houdt van vaste vrolijke avonden met veel muziek en met een hoop geluk lukt het steeds deel van uit te maken van een orkestje. Toch blijft het verhaal onverminderd schokkend.

De bevrijding en daarna

Als de Russen Auschwitz naderen worden de gevangenen gedwongen naar Dachau te lopen. Onderweg sterven er velen, maar dankzij zijn trompet, mag Van Weren in Dachau blijven, terwijl de meesten doorgestuurd worden naar andere werkkampen, waar velen omkomen. Tenslotte bevrijden de Amerikanen Dachau en kan hij eindelijk met een normale trein terug naar Nederland.
Hij pakt zijn leven weer op, trouwt in 1946 en groeit uit tot een van de grootste trompettisten van de vorige eeuw. In de jaren 50 en 60 maakt hij furore als dirigent van het populaire City Theater Orkest in Amsterdam. Hij verwerft grote populariteit met zijn belangeloze optreden voor charitatieve instellingen. In 1964 ontvangt hij als een van de eersten een Gouden Harp vanwege zijn grote verdiensten voor de Nederlandse lichte muziek.

Een dwingende boodschap

Dat hij na jaren van zwijgen uiteindelijk toch bereid is zijn verhaal te vertellen is omdat hij wil oproepen tot waakzaamheid. 

"Let op, wees waakzaam, besef dat er overal ter wereld mensen klaar staan en hun kansen afwachten om de macht te grijpen, te onderdrukken en te moorden. Auschwitz en andere concentratiekampen hebben ons de les geleerd: vrijheid is het kostbaarste goed dat wij bezitten." 

Een boodschap die nog steeds niets aan urgentie heeft verloren.

De inleiding bij het boek werd geschreven door trompettist Eric Vloeimans, groot fan van Van Weren. Toegevoegd werd het interview met Albert Gemmeker, voormalig commandant van Westerbork.

Dick Walda - Trompettist in Auschwitz: herinneringen van Lex van Weren. Met een inleiding van Eric Vloeimans. Amsterdam, Balans, 2019. Pb., 2de bew. druk, met zwart-wit foto's, 175 pg. ISBN:978-94-638-2089-9.

© Jannie Trouwborst, februari 2020.

donderdag 30 januari 2020

Poeziëweek 2020: Pontjespoëzie

Vandaag begint de Poëzieweek van 2020. Ik lees met enige regelmaat poëzie, al blog ik er niet zo vaak over. Maar ik schrijf het soms ook wel eens. Gewoon voor mijn eigen plezier. Dat het niet helemaal onverdienstelijk is en dat anderen het ook kunnen waarderen blijkt af en toe, als ik er een prijsje mee win. Maar wat een vriendin onlangs ontdekte, daar was ik toch even stil van.

Vrienden van de Voetveren


Sinds ik het wandelen ontdekte, het zal zo'n 25 jaar geleden zijn, ben ik lid van de Vereniging Vrienden van de Voetveren. Je staat er misschien niet bij stil als je gebruikt maakt van een van de vele pontjes die op wandelroutes liggen, maar ze hebben bescherming nodig. Soms om ze te behouden als opheffing dreigt, soms geldelijke steun voor een opknapbeurt en allerlei andere zaken om ze in de vaart te houden. Wandel je graag en zie je ze niet graag verdwijnen? Vanaf 5 euro per jaar kun jij al Vriend zijn. 

In 2010 hield de vereniging voor de tweede keer een poëziewedstrijd over pontjes. Er werden 75 gedichten ingestuurd, waarvan er 39 gekozen werden om in een bundeltje te verschijnen. Er waren drie prijzen te verdelen. Ik won de derde prijs en mijn gedicht kwam met de andere 38 in het bundeltje Pontjespoëzie II te staan. Het boekje kreeg ik toegestuurd. Mooi vorm gegeven met naast elk gedicht een stemmige zwart-wit foto.

Van Breskens naar Vlissingen

Ik borg het boekje op en dacht er niet meer over na. Tot een paar maanden geleden. Een vriendin stuurde me een foto met de vraag of ik het gedicht op de foto had geschreven. Ze had het gevonden in de wachtruimte van het veer tussen Breskens en Vlissingen op een groot bord met een naam eronder die bijna de mijne is: Trouwhorst-van Oostrum. Een schrijffout dus, want in het boekje staat mijn naam wel goed. Ze werd er door geraakt, heel begrijpelijk gezien de nare periode die ze doormaakt. En dat raakt mij weer: ze voelt dus heel goed aan wat ik met het gedicht wil zeggen. En dat het daar nu hangt en meer mensen kan raken, ontroert me. Er hangt zelfs een Duitse vertaling naast voor de toeristen....Geen idee hoe het daar gekomen is en wie het uitgekozen heeft. Maar dat is ook niet belangrijk. 

Gedichtendag 2020

En nu, tien jaar later, op de gedichtendag van 2020, zal ik het hier delen op mijn blog. Ik vind dat wel een beetje eng. Hoe zal het beoordeeld worden? Maar eigenlijk moet ik me daar niet druk om maken. Ik sta er nog helemaal achter en als er al zovelen zijn die het hebben kunnen lezen in de wachtruimte van de veerdienst in Breskens, dan wordt het tijd het ook met mijn blogvrienden te delen.

Philippine, 17 juli 2010

Hier

Hier
tussen twee oevers
wordt het stil
in mij.

Wind zucht
mijn hoofd leeg,
water wiegt
mijn lijf
tot lome leden

Bagage lost op
in een wazige verte,
nevel versluiert
het land voor de boeg

Hier
tussen twee oevers
wordt het stil
in mij,
laat ik los
en geniet.

Jannie Trouwborst-van Oostrum

 
 (Te vinden in Pontjespoëzie II: 39 gedichten over een veerpontje. Vrienden van de Voetveren, 2011. Pb., 88 pg., zw.-wit foto's. ISBN:978-90-803523-8-4)

© Jannie Trouwborst, januari 2010.