vrijdag 8 juni 2018

Martin Michael Driessen - De pelikaan

Het gebeurt niet vaak dat ik een boek lees dat volop in de belangstelling staat. Ik kies liever iets dat nog niet door al zovelen onder de aandacht is gebracht en dat over het hoofd gezien dreigt te worden, terwijl het echt de moeite waard is. Maar soms vind ik het jammer als ik daardoor niet toekom aan veelbesproken titels die ik wel graag zou willen lezen. En dat was het geval met De pelikaan. Twee jaar geleden las ik met veel plezier Rivieren van dezelfde auteur (KLIK HIER)  nog voor hij daarmee de ECI literatuurprijs won en dat dus daarna eveneens heel veel aandacht kreeg. Driessen bleek met De pelikaan opnieuw een kanshebber, ditmaal voor de Libris literatuurprijs. En al zwoor ik na Rivieren dat ik meer van hem wilde lezen, hier was ik dus nog niet aan toegekomen. Er zijn inmiddels al zoveel recensies over verschenen (ook op DLVA) dat ik er niet veel meer aan toe te voegen heb. Behalve een notitie voor mijn leesarchief.

Samenvatting

Andrej is postbode in een slaperig stadje aan de Adriatische kust in communistisch Joegoslavië. Josip is verantwoordelijk voor de kabeltrein naar het heldenmonument boven op de heuvel. Hij is ongelukkig getrouwd en houdt er een minnares op na. Amateurfotograaf Andrej weet beelden van een amoureuze ontmoeting vast te leggen en begint Josip ermee te chanteren. Kort hierna ontdekt Josip dat postbode Andrej brieven open stoomt en geld steelt. Om aan de verwachtingen van zijn onbekende chanteur te voldoen begint hij op zijn beurt Andrej te chanteren. Intussen kabbelt de blauwe zee rustig door. Met een scherpe blik op beider geestesgesteldheid en met empathie voor zijn personages ontvouwt Martin Michael Driessen een parabel van onontkoombare, wederzijdse gebondenheid. 
Tegelijkertijd ontwikkelt zich de dreiging van de naderende Balkanoorlog, die hun stadje uiteindelijk zal verwoesten. Tegen de achtergrond van toenemende etnische haat en de teloorgang van communistische idealen in het Joegoslavië van na de dood van Tito weet Driessen het alledaags leven te verheffen tot opwindende literatuur. (Achterzijde boek).

De setting

Het verhaal begint met een beschrijving van het stadje in het Kroatische deel van Joegoslavië niet lang na de dood van Tito, met een hondenrenbaan, een bijzondere kabelbaan (ook die van Wiesbaden wordt genoemd) en de pelikanen op het strand. En we maken nader kennis met de hoofdpersonen Andrej en Josip. Alle elementen die een rol gaan spelen in de rest van het verhaal zijn aanwezig.
Door het perspectief afwisselend bij een van de beide mannen te leggen wordt de lezer nauw betrokken bij hun overwegingen en het sussen van hun geweten. Dat maakt dat je ze niet zonder meer veroordeelt, ook al doet hun opponent dat wel. Maar wij weten dan ook meer als lezer.

Symboliek, metaforen en humor

Wat zich vervolgens ontvouwt is een spannend verhaal, vol symboliek, metaforen en droge humor op z'n tijd. Tot op de allerlaatste bladzijde.

De kabelbaan bestaat uit twee rijtuigen die elkaar tegemoet rijden over een enkel spoor. Eén van boven naar beneden, de andere andersom. Door boven het rijtuig van waterbalast te voorzien, trekt het het andere omhoog. In het midden ontmoeten ze elkaar, daar is een stukje dubbelspoor, daarna gaat ieder weer zijns weegs. Zo is het ook met Andrej en Josip en met Josip en Jana: de beide mannen houden elkaar financieel in evenwicht zonder het te weten en Josip en Jana zijn af en toe samen, maar hebben daarnaast nog een ander leven.
Josip en Andrej zijn tegenpolen: Josip is een oudere held uit WO II, Andrej een jongeman die het gevoel heeft dat hij er niet toe doet. Hij rijdt rond met bijna lege posttassen, heeft weinig contact met de wereld om hem heen: een symbool voor het isolement van Kroatië? Als de Balkanoorlog zich begint aan te kondigen staat Andrej te trappelen om mee te doen, terwijl Josip weet wat oorlog betekent en de oplaaiende nationalistische gevoelens van zijn dorpsgenoten probeert te sussen.

De droge humor van Driessen: Wanhopig op zoek naar een vriendin spreekt hij een meisje aan op het strand: of ze een ijsje wil? Ja hoor.

"Ze at al het ijs op en keek hem af en toe aan. Het was ongelooflijk intiem. "Ik lust er nog wel één", zei ze. "Ik ook!" zei Andrej haast juichend en hij rende de houten trappen op naar  de ijsbar van het Esplanade. Het leek een soort zielsverwantschap te zijn. Na een half uur had hij haar alles over zichzelf verteld en zij zei dat paars haar lievelingskleur was. 

Deel twee (van de vijf) eindigt met de woorden: "Op die aprildag in 1988 begon hun wederzijdse afhankelijkheid." Het was de eerste dag dat ook Josip overgegaan was tot chantage. De Balkanoorlog sluipt de tekst binnen door de heftige gesprekken op het terras van het dorpscafé. Deel vier begint met een aanslag, nog geen oorlog, maar het zou niet lang meer duren. De dreiging, de onderlinge haat en vooroordelen, de plaatselijke schermutselingen. Driessen weet een hele onbehagelijke sfeer te creëren.

Mooie beeldspraak: "de lange rij leegstaande arbeidershuisjes die trapsgewijs de helling volgde, als de ruggengraat van een dood dier". Of toen Andrej op zijn fiets aangereden werd bij de bushalte: "de bus siste pneumatisch, als een voorwereldlijk monster dat de verwrongen fiets wellicht wantrouwde  als een soort onbekend insect."

De Pelikaan

De titel die een boek krijgt, komt nooit zomaar uit de lucht vallen. Waarom De pelikaan? Ik vond het wel leuk daar wat meer tijd aan te besteden. Allereerst zijn er de pelikanen die elk jaar terugkeren naar het strandje bij het dorp. Maar de pelikaan is ook het symbool van de bloeddonatiedienst, vanuit een christelijk achtergrondverhaal. Daaruit voortkomend zou de pelikaan zijn jongen voeden met zijn eigen bloed. Andrej heeft een hekel aan de dieren omdat ze hem herinneren aan de periode waarin hij uit geldnood bloed gaf. Josip heeft ervaring met oorlogsgewonden en redt het leven van Andrej na zijn ongeluk, door te zorgen dat zijn slagaderlijke bloeding niet tot de dood leidt. De mannen, die elkaar voor die tijd nauwelijks kenden, worden vrienden. Niet bewust van het feit dat ze elkaar chanteren en zo het geld (bloed?) rond blijven pompen. Zowel Andrej als Josip leven op van het geld: ze doen er dingen mee die hen gelukkiger maken.
Ook de kabelbaan zelf valt onder de metafoor: door water te lozen uit de ene wagon en te pompen in de andere, helpen de twee wagens elkaar op weg.

Als de oorlog begint, raken de pelikanen besmeurd met olie en zullen het niet overleven. Als we de metafoor doortrekken moeten we vrezen voor de gevolgen voor de kabelbaan en de hoofdpersonen.

Parabel van de pelikaan en de vissen

Op internet vond ik een fabel uit Indonesië over bedrog. Bij het lezen ervan bekroop me het onheilspellende gevoel dat Driessen hier een lijntje doortrekt naar Screbenica.... 
Een oude pelikaan liegt de vissen voor dat hun vijver binnenkort leeggevist zal worden. Hij weet wel een rustig plekje waar ze veilig zijn... Een kreeft ontdekt al snel het bedrog: de vissen worden niet door de pelikaan gered, maar opgegeten! Lees het verhaal
 
Tot zover mijn beleving van De pelikaan. Al wordt de ernst sterker en de humor minder naar het einde toe, toch ontlokten de slotwoorden me weer een wrange glimlach. Kortom: ik heb van dit boek genoten. Beetje laat misschien, maar toch van harte aanbevolen.

Martin Michael Driessen - De pelikaan. Amsterdam, Van Oorschot, 2017. Geb., 199 pg., ISBN:978-90-282-8048-9.

© Jannie Trouwborst, juni 2018.

donderdag 31 mei 2018

Jan Libbenga - Paupers en boeven

Van pauperparadijs tot strafgevangenis

In 2018 is het 200 jaar geleden dat Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid oprichtte. Zijn plannen zijn ambitieus: door middel van landbouwkolonies op de nog woeste gronden van Drenthe wil hij "den toestand der armen en lagere volksklassen verbeteren" en ze verheffen tot beschaafde burgers. Voor veel zogenaamde kolonisten is alles beter dan de omstandigheden waarin ze op dat moment leven en ze laten zich door (te) mooie verhalen graag overhalen. Ze krijgen een ingerichte woning, kleding en een lapje grond. Ze verplichten zich de kosten daarvan terug te betalen met het werk dat ze verrichten. Hetzij bij de ontginnen van de gronden of in bijvoorbeeld de weverij.

Voor velen blijkt het een uitweg uit de armoede, ondanks het harde werk en de vele tegenslagen die de kolonies in de beginperiode treffen. Maar niet iedereen kan of wil zich voegen naar het strenge regiem dat er heerst. Al snel ontstaat de behoefte aan een plek waar onzedige, onwillige kolonisten kunnen worden afgescheiden van de rest. Hiervoor wordt een "strafkolonie" ingericht: in eerste instantie op de Ommerschans en later, vanwege ruimtegebrek, ook in Veenhuizen.
Het constante geldgebrek van de Maatschappij zorgt voor nieuwe plannen: ook bedelaars en weeskinderen worden opgenomen. Men bouwt er nieuwe, grote complexen voor.

Wil Schackmann schreef over bovenstaande materie al drie boeken: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie. In dit artikel lees je er meer over. In juni verschijnt het vierde en laatste deel: De strafkolonie (1818-1859). De focus ligt in al deze boeken op de mensen die ermee te maken kregen en de jaren vanaf de start van het project tot het moment waarop der Rijksoverheid besluit de gebouwen over te nemen, eind negentiende eeuw.

 200 Jaar strafkolonie Veenhuizen

Jan Libbenga besteedt voldoende aandacht aan deze voorgeschiedenis, maar in zijn boek ligt de focus toch meer op de ontwikkeling van het gevangeniswezen. Niet alleen in Veenhuizen maar, mede dankzij de experimenten daar, ook in andere gevangenissen. Zowel in Nederland, als daarbuiten. Zonder De strafkolonie van Schackmann nog gelezen te hebben, is nu al duidelijk dat het twee verschillende, maar elkaar mooi aanvullende boeken zullen zijn.

Opgegroeid in Veenhuizen kende Libbenga zijn woonplaats vooral als het "gevangenisdorp". De hierboven geschetste voorgeschiedenis ontdekt hij pas echt in het Drents archief bij het schrijven van dit boek. Hij maakt er net als Wil Schackmann, dankbaar gebruik van. Maar hij zoekt verder waar Schackmann ophoudt: in de archieven van de Rijksoverheid en dan met name die van Justitie en Sociale Zaken. Diverse andere archieven, zoals die van het Instituut voor Sociale Geschiedenis, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, het Nationaal Archief en dat van de Reclassering geven hem een completer beeld.

De bewoners van het strafkamp

Naast de landlopers en bedelaars, die nog lange tijd opgevangen worden, komen er kampen voor Jehova's Getuigen en verkeersdelinquenten, drugsvrije afdelingen en een werkkamp voor jongeren. Veenhuizen krijgt de eerste Open Gevangenis, waar leren en werken buiten de instelling gecombineerd worden met de straf. In de Eerste Wereldoorlog dient het als opvang voor Belgische vluchtelingen en vlak voor de Tweede Wereldoorlog voor de uit Duitsland gevluchte Joden. Tijdens beide oorlogen vinden zwarthandelaren en smokkelaars er onderdak en na de oorlog ook NSB'ers en oorlogsmisdadigers (de Vier van Breda verbleven er). Drugscriminelen, de Molukse treinkapers en tenslotte zware criminelen die een extra beveiligde gevangenis noodzakelijk maken, ze komen allemaal aan bod.

Experimenten

Er staan veel nieuwe en interessante feiten over de strafkolonie Veenhuizen in Paupers en Boeven. Zo wordt niet alleen duidelijk hoeveel verschillende soorten gevangenen Veenhuizen gehuisvest heeft, maar ook hoeveel resocialiseringsprojecten er zijn uitgeprobeerd. Welke bewakings- en strafmaatregelen de voorkeur krijgen, hangt af van wisselende maatschappelijke opvattingen over detentie en resocialisatie en de politieke kleur van opeenvolgende kabinetten. Waarop bezuinigd wordt eveneens. Geregeld is er sprake van sluiting, verbouwingen, afstoten, uitbreiden, inkrimp van personeel. Veenhuizen worstelt met het zwalkende beleid van de overheid. Zowel de bewakers als de gevangenen komen meerdere malen in opstand.

Wie de diversiteit ziet van de detineerden in de loop der jaren begrijpt ook wel dat er differentiatie moet zijn in de manier van opvang en behandeling en dat ontwikkelingen op het gebied van de veranderende en toenemende zware criminaliteit om steeds weer andere aanpassingen en maatregelen vragen. Toch ontstaat de indruk dat Veenhuizen langzaam uitgroeide tot een speeltuin van justitie. Soms over de rug van de gevangenen en de bewakers heen.

Toekomst

Libbenga sprak voor zijn boek met ervaringsdeskundigen: ex-gevangenen, (oud-)bewakers en (oud-)directeuren. Na de laatste sluitingsdreiging heeft de tijdelijke opvang van Noorse gevangen voor uitstel gezorgd. En nu wordt sinds 2017 geëxperimenteerd met gezinsgerichte opvang in Esserheem, een van de gevangenisgebouwen in Veenhuizen. Men wil kinderen zo min mogelijk schade laten ondervinden van het feit dat hun vader in de gevangenis zit.
Het laatste woord in het laatste hoofdstuk is aan instellingsdirecteur Marie-Anne de Groot.

"De toekomst van Veenhuizen op langere termijn ziet zij als "Pauperparadijs 3.0". De Groot: "Ik denk dat we steeds meer mengvormen gaan zien van detentie en zorg. Daarbij is het dan in sommige gevallen ook niet meer nodig om mensen achter slot en grendel te zetten. En dan wordt Veenhuizen misschien een dorp als voorheen, waar wonen, detentie en begeleiding gewoon door elkaar lopen.".

Unesco Werelderfgoed?

In juli 2018 zullen we het weten: benoemt de Unesco het Nederlandse Veenhuizen en de koloniedorpen Frederiksoord en Wilheminaoord, samen met het Vlaamse koloniedorp Wortel en het gevangenisdorp Merksplas tot Werelderfgoed? Hoe het ook zij: wie zich verder in deze materie wil verdiepen, kan terecht in het Gevangenismuseum in Veenhuizen en het Koloniemuseum in Frederiksoord. Maar ook dit goed gedocumenteerde en boeiend geschreven boek (voorzien van vele zwart-wit foto's en een uitgebreide literatuurlijst) draagt daar in belangrijke mate aan bij.

Jan Libbenga - Paupers en boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen. Amsterdam, De Kring, 2018. Pb., 288 pg., zwart-wit foto's, index, lit. opg. ISBN:978-94-6297-095-3


© Jannie Trouwborst, mei 2018.

maandag 21 mei 2018

Lia Tilon - Archivaris van de wereld

 Wie was Albert Kahn?

De BBC documentaire De man die de wereld wilde fotograferen zette Lia Tilon (Broek in Waterland, 1965) op het spoor van Albert Kahn (1860-1940). Ze doet uitgebreid onderzoek naar deze excentrieke man en zijn bijzondere project en besluit haar bevindingen in een roman op te tekenen.

Als zoon van een veehandelaar in Elzas-Lotheringen vertrekt Albert op 16-jarige leeftijd naar Parijs om als jongste klerk bij een bank te gaan werken. In de avonduren studeert hij (letteren, wetenschap, rechten). De filosoof Henri Bergson was één van zijn leraren. De mannen worden vrienden voor het leven.
Al snel maakt hij promotie in het bankwezen en in 1898 begint hij zijn eigen bank. Het daarmee opgebouwde kapitaal gebruikt hij voor het verwezenlijken van zijn ideaal. Hij is er namelijk van overtuigd dat kennis van vreemde landen en culturen het onderling begrip tussen de volkeren zal vergroten. Vanaf 1898 verstrekt hij reisbeurzen om studenten in staat te stellen over de wereld te reizen om kennis op te doen die begrip zal kweken voor elkaars onderlinge verschillen: Les bourses de voyage Autour du Monde. In 1902 sticht hij als aanvulling daarop La société Autour du Monde, een discussie- en onderzoeksforum. De leerstoel géographie humaine aan het College de France richt hij op in 1912, de oprichting van het nationaal comité voor sociale en politieke studies volgt in 1916. In 1929 financiert Albert Kahn het eerste centrum preventieve geneeskunde voor studenten in Straatsburg en in de tuin bij zijn landhuis laat hij een biologisch laboratorium bouwen om de microcinematografie te perfectioneren.

Archief van de Planeet

Ondertussen werkt hij tussen 1908 en 1931 aan Het Archief van de planeet. Hij stuurt fotografen naar meer dan vijftig landen. Ze maaken ruim 180.000 meter film en meer dan 72.000 autochromes. (Autochroom is het eerste procedé in de fotografie dat kleurenfotografie mogelijk maakt). Eén van de eerste fotografen die hij inzet voor zijn vredesideaal is zijn nog jonge chauffeur Alfred Dutertre. Kahn betaalt zijn opleiding tot fotograaf en samen ondernemen ze enkele reizen.
De beurscrach van oktober 1929 maakt een eind aan Kahns carrière en plannen. Zijn bezittingen, waaronder het landgoed met daarop de woning van Kahn worden in beslag genomen, maar hij krijgt toestemming er tot zijn dood in november 1940 te blijven wonen. Tegenwoordig is het een museum, met de grootste autochrome-collectie ter wereld.

Archivaris van de wereld

Lia Tilon noemt haar boek nadrukkelijk een roman. Ze heeft veel tijd besteed aan het verzamelen van feitelijke gegevens en daarnaast het secuur bijgehouden dagboek van Dutertre gelezen. Maar er bleef ook genoeg waarnaar gegist moest worden om er een prettig leesbaar verhaal van te kunnen maken. Daartoe heeft ze haar fantasie gebruikt, zonder de feiten geweld aan te doen. En zo ontstond de roman: De Archivaris van de wereld.

Het boek heeft twee verhaallijnen die elkaar voortdurend afwisselen. In het (fantasievolle) gedeelte horen we de stem van Dutertre, die zijn doodzieke werkgever verzorgt in de vervallen villa op het landgoed in Boulogne, vlakbij Parijs. Via flashbacks vertelt hij feiten uit het verleden van Kahn en mijmert hij (ingevuld door Tilon) over zijn eigen leven.
De andere verhaallijn volgt het dagboek van Alfred Dutertre van 13 november 1908 tot 6 februari 1909, terwijl hij met Kahn op wereldreis is. Veel houvast om de karakters van beide mannen te kunnen peilen is er niet. Dutertre laat weinig van zichzelf zien in de dagboeken en de manier waarop hij Kahn beschrijft (en dan vooral zijn gedrag) levert meer vragen dan antwoorden op. Alleen de vastberadenheid van Kahn om alles voor zijn ideaal in te zetten komt herhaaldelijk en duidelijk naar voren. Tilon suggereert dat hij tot op zijn sterfbed is blijven geloven in zijn project voor vrede in de wereld via meer onderling begrip. Maar of dat ook voor Dutertre geldt?

De feiten zijn interessant, het procedé van de autochrome eveneens, het dagboek van Dutertre geeft tot op zekere hoogte een historische blik op de wereld zoals die op de autochromes is vastgelegd. De geromantiseerde verhaallijn kan echter niet bewerkstelligen dat het verhaal in een boeiende roman verandert. Aan de stijl ligt het niet en wie geïnteresseerd is in deze bijzondere wereldverbeteraar en zijn erfgoed zal het boek beslist met plezier lezen.

Lia Tilon - Archivaris van de wereld. Amsterdam, Cossee, 2018, Pb., 255 pg., zwart-wit foto's, lit. opg. ISBN:978-90-5936-692-3.

© Jannie Trouwborst, mei 2018.

maandag 14 mei 2018

John Jansen van Galen - Waar een wil is, is geen weg

Verdwalen in Nederland

Op het eerste gezicht een vreemde titel voor dit boek van wandelaar en journalist John Jansen van Galen (1940). Maar wie de ondertitel leest, begrijpt meteen wat hij bedoelt: het is tegenwoordig bijna onmogelijk om nog te verdwalen in Nederland, tenzij..... je er erg je best voor doet. En dat is precies waarnaar hij op zoek is gegaan: de mogelijkheden, omstandigheden en gebieden waar dat nog kan.

"Overal waar ik in Nederland loop, ben ik in de greep van een organisatie" citeert hij Koos van Zomeren. En zo is het ook: het hele land is overdekt met een dicht netwerk van paaltjes en paddenstoelen met gemarkeerde, uitgezette en nauwgezet beschreven wandelroutes. Gedetailleerde kaarten, wandelgidsen en de GPS doen de rest. Cynisch merkt Jansen van Galen op: "het is schier onmogelijk geworden te verdwalen in een land waarin het hele leven is verzekerd en uitgestippeld."

Maar waarom zou je dat willen? Verdwalen is namelijk iets anders dan struinen. Van de paden af is niet overal toegestaan, maar er zijn plekken waar het mag. Wie daarbij dan op een kaart of GPS vertrouwt zal niet echt het gevoel van verdwalen ervaren. Mijn ervaring is bovendien dat sommige mensen een beter richtingsgevoel hebben dan anderen, waardoor verdwalen ook al lastiger wordt. Maar alleen als je werkelijk verdwaald bent, voel je je pas echt volkomen, vrij, ongebonden en aan jezelf overgelaten, stelt Jansen van Galen. 

"Verdwalen roept gevoelens op uit je kindertijd: het is eng maar ook spannend, een beetje angstaanjagend en tegelijkertijd bevrijdend. Je staat er alleen voor. Het geeft een gevoel van beklemming maar ook van ongebondenheid. Je bent aan jezelf overgeleverd, kapitein op je eigen schip. En de wereld ligt voor je open."

Verdwaaltips

Aan de hand van zijn eigen ervaringen en de anekdotes van anderen stelt hij een aantal gebieden voor waar verdwalen nog mogelijk is, bewust opgezocht of per ongeluk. Spannende avonturen, die soms ook minder goed aflopen. Elk hoofdstuk eindigt met tips: waar het besproken gebied zich bevindt, hoe je er kunt komen en wat de horeca(on)mogelijkheden zijn. (Zelfs voor verdwalen hebben we blijkbaar aanwijzingen nodig.)

Hoewel de meeste verhalen over verdwalen uiteindelijk goed aflopen en daarmee vooral alleen een spannend avontuur opleveren, zijn er ook enkele met een tragische afloop. De Wadden, grotten, moerasachtige gebieden zijn voorbeelden van waar het goed mis kan gaan. Zo is het boek zowel een aanmoediging als een waarschuwing voor wie zich aangesproken voelt door de titel: Waar een wil is, is geen weg.  En let ook op de ondertitel: verdwalen in Nederland. In veel andere landen is dat een stuk gemakkelijker, maar ook riskanter...

Zelf heb ik niet echt de behoefte aan de radeloosheid en de paniek van het verdwaald zijn en ik zou dan ook voor een middenweg kiezen: vrij rondstruinen (waar dat is toegestaan!), maar met de GPS in de rugzak voor als ik echt de weg niet meer weet.

John Jansen van Galen - Waar een wil is, is geen weg: verdwalen in Nederland. Amsterdam, Atlas/Contact, 2017. 191 pg., met foto's en tips. ISBN:978-90-450-2630-5.

© Jannie Trouwborst, mei 2018.

donderdag 10 mei 2018

Hannah van Wieringen - Prijs de dag voor de avond valt

IJzerwaren Eddy bezit een dubbel pand aan een Amsterdamse gracht: De Dageraad. Omdat het hem maar nauwelijks lukt het hoofd boven water te houden met zijn ijzerwarenwinkeltje heeft hij de helft van het pand verbouwd tot appartementjes voor studentes. Alleen meisjes, want met jongens heeft hij minder prettige ervaringen. Maar ook de meisjes moet hij goed in de gaten houden. Dus controleert hij geregeld hun kamers als ze weg zijn. Ze houden zich niet allemaal aan zijn strenge regels. Behalve Esther, die houdt zich niet alleen aan alle afspraken, ze is ook vrolijk en aardig tegen hem. Dat valt zo op tussen de andere meiden, dat hij er wantrouwig van wordt. Hij besluit dan ook op een ochtend eens een kijkje te nemen in haar kamer en daar vindt hij tot zijn verbijstering onder haar bed in een kistje met hooi een prachtig, zachtgroen ei.
De novelle die Hannah van Wieringen ons vanuit deze basis voorschotelt, is hilarisch, absurd, fascinerend en fantasievol. Toch kost het geen enkele moeite om je door het verhaal mee te laten slepen alsof het echt gebeurt.

Eddy is zo geobsedeerd door het ei dat hij er niet meer van kan slapen. Hij wil weten wat voor ei het is en hij wil er goed voor zorgen. Dus pakt hij het goed in en stopt het met een warme kruik in zijn rugzak en sjouwt er een hele dag mee door Amsterdam. De avonturen die hij tijdens zijn tocht beleeft zijn zowel komisch als ontroerend. Geregeld wordt hij overvallen door herinneringen uit zijn jeugd, de meeste nogal naar. Zo gaat hij in Artis op zoek naar iemand die alles van vogels weet, komt per ongeluk in het apenverblijf terecht en herinnert zich de dode gorilla die hij er samen met zijn moeder zag hangen. Waar hij zich ook bevindt, bij een bevriende taxidermist (die constateert dat er leven in het ei zit), in Artis, in zijn oude café Centrum, de bibliotheek, een peepshow, op de trappen van de Koepelkerk, steeds wordt hij achtervolgt door associaties en herinneringen. Hallucineert hij? Wat gebeurt echt en wat verbeeldt hij zich? Het maakt eigenlijk niet uit. We worden meegetrokken in zijn gedachtenstroom en maken zo rechtstreeks mee wat het allemaal met hem doet. Hoe het hem aan het nadenken zet over zijn huidige leven. "Je moet ze niet vertrouwen. Blijf binnen en houd je gedeisd", was zijn leefregel.
Bij de Koepelkerk ligt een zwerfster met een sokpop. Ze laat hem vertellen waar hij zich het meest voor schaamt. Na wat geaarzel en van alles opgesomd te hebben, merkt hij tot zijn eigen verwarring op: "Ik schaam mij omdat ik niet gelukkig ben."

"Terwijl hij het gezegd had leek het alsof er een ballon opsteeg. Het was geen wereldschokkende verandering, maar iets, wat het ook was, was door het uitspreken van die woorden vrijgekomen. Er leek ruimte vrij.  De zwerfster orakelde verder alsof de hele uitwisseling nooit had plaatsgevonden. Ze aaide de sokpop en kuste een van de knoopogen teder. Waanzin. Stonden de tranen nu al weer in zijn ogen?" 

Recht naar huis wil hij, maar er volgen nog wat omwegen. Als hij tenslotte aan het einde van de dag aan de andere kant van de gracht op een bankje zit en naar de Dageraad kijkt, ziet hij dat het goed is. Hij prijst de dag voor de avond valt. Hij legt het ei terug en valt uiteindelijk moe, maar gelukkig in slaap. Zijn zoektocht naar de ware aard van het ei bracht hem uiteindelijk vooral dichterbij zichzelf.

"Met veel moeite was er iets van zijn plek geraakt, hij zou het niet ontkennen. Misschien wist hij dit: de leugens die het waard zijn ontmaskerd te worden zijn de leugens die we onszelf vertellen. Maar welke dat precies waren, daar had IJzerwaren Eddy geen lijstje van opgesteld." 

Hannah van Wieringen - Prijs de dag voor de avond valt. Amsterdam, De Harmonie, 2016. Pb., 86 pagina's. ISBN:978-90-76174-76-1.

© Jannie Trouwborst,  mei 2018.

Hannah van Wieringen (Haarlem, 1982) schrijft, vertaalt en bewerkt toneel, met name voor Toneelgroep Oostpool. Ze debuteerde in 2012 als prozaïst met 'De kermis van Gravezuid', (KLIK HIER), een roman in verhalen over een kleine dorpsgemeenschap in de kop van Noord-Holland.  Het boek won de Academica Literatuurprijs 2014, stond op de longlist van de Gouden Boekenuil 2013 en op de shortlist van de Bronzen Uil in datzelfde jaar.
Haar poëziedebuut met de programmatische titel Hier kijken we naar volgde in 2014. Het werd dat jaar genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2015 won zij met deze dichtbundel de debuutprijs van Het Liegend Konijn.

zondag 6 mei 2018

Peter Zantingh - Na Mattias

Na Mattias is de derde roman van Peter Zantingh (1983). In 2014 las ik kort na elkaar zijn beide eerdere romans: De eerste maandag van de maand (2014 - KLIK HIER) over het leven met een dwangneurose en Een uur en achttien minuten (2011 - KLIK HIER) over de effecten van een zelfmoord van een jongere op het leven van zijn omgeving, vooral dat van zijn directe vrienden. Vooral dat laatste boek maakte veel indruk op me en niet alleen op mij: het werd o.a. genomineerd voor de Dioraphteprijs. Na Mattias heeft opnieuw rouw en de effecten van een vroege dood op de overlevers tot thema. Ik was nieuwsgierig of Zantingh daarmee zijn geslaagde debuut kan evenaren. Er kan maar een conclusie zijn: ruimschoots! 

De achterblijvers

Mattias is dood, zoveel wordt direct duidelijk in het eerste hoofdstuk. Maar hoe dat komt blijft lang onbesproken. En eigenlijk doet dat er in het begin ook niet toe. Het draait daarin meer om de gevolgen voor de achterblijvers en de gedachten die ieder van hen heeft over Mattias. Op zich al fascinerend genoeg. Het is niet eenvoudig je daaruit een beeld van Mattias te vormen. Vooral omdat de persoonlijke herinneringen verschillende verhalen vertellen.
Hoe sterk de structuur van het verhaal is, ontdek je pas echt als je het verhaal voor een tweede keer leest. Er zitten geen losse eindjes in, elke hoofdpersoon speelt een rol, soms via een omweg, soms zonder Mattias ooit gekend te hebben. Daarnaast geeft Zantingh tussen de regels door enige maatschappijkritiek in situaties, de gedachten van de hoofdpersonen en in de gesprekken die gevoerd worden.
 
Amber, de vriendin van Mattias, maakt het verhaal rond: voor haar zijn het eerste en het laatste hoofdstuk. Dan is er Quentin, zijn vriend, met wie hij een koffietentje wilde openen. Riet en Hendrik, zijn opa en oma. Nathan, geen bekende, maar iemand die aan het stel een strandhuisje verhuurde waar ze niet voor op komen dagen. Issam, een roadie, die hem alleen online kende van een computerspel. Kristianne, zijn moeder. Chris, een blinde man, ook geen bekende, hij gaat trainen voor een marathon met Quentin. Tirra, een oorlogsvluchtelinge die Kristianne ontmoet via een taalcursus.

Typerend voor de familieverhoudingen is dat ze er onderling maar moeilijk over kunnen praten. Onmacht en boosheid, elkaar niet begrijpen omdat iedereen zijn verdriet anders verwerkt, elkaar proberen te ontzien. Maar met het niet uitspreken van gevoelens maken ze het elkaar juist extra moeilijk. Ook Quentin heeft het moeilijk, maar stort uiteindelijk zijn hart uit bij Chris. Kristianne kan dat tot haar opluchting bij Tirra, die niet meteen, zoals de meesten,  begint met een eigen verhaal over iets dat minstens zo erg is als het verliezen van je kind. Maar wat Tirra op haar beurt niet kan vertellen, is misschien nog wel het meest schrijnend.

Het is onmogelijk het verhaal niet tekort te doen in deze summiere samenvatting. De worstelingen met het verwerken van het verlies worden heel realistisch en invoelbaar beschreven, zonder enige vorm van sentimentaliteit. Ook pijnlijk mooi is de beschrijving die blinde Chris geeft van hoe het is blind te worden terwijl je kind opgroeit. De hopeloze worsteling van alcoholist Nathan is ronduit droevig.
Wie het boek voor de tweede maal leest, zal ontdekken hoe zorgvuldig zelfs het kleinst detail betekenis krijgt, zoals het zandkasteel dat het dochtertje van Chris bouwt. Of de titel van het succesnummer waarmee de band waar Issam als roadie voor werkt bekendheid krijgt. De rest is aan de lezer om zelf te ontdekken. 

Maatschappijkritiek

En daarnaast is er de summiere maatschappijkritiek. Op de vredesmissie in Afghanistan (Quentin), op de afbraak van onze verzorgingsstaat (Opa Hendrik), op de houding ten aanzien van bootvluchtelingen: grappen over maken, waarbij sommigen lachen en anderen wegkijken (Nathan op cursus), de onmacht en het uitblijven van hulp voor een alleenstaande buitenlandse moeder, die haar kind door tegenslagen het verkeerde pad op ziet gaan. Niet dat dit alles met nadruk gebracht wordt, juist de terloopse zinnetjes doen hun werk voor de aandachtige lezer. Zelfs de doodsoorzaak van Mattias, die in de laatste hoofdstukken onthuld wordt (en die ik hier natuurlijk niet kan vermelden) brengt maatschappijkritiek met zich mee, als Amber constateert hoe iedereen zich haar verdriet toegeëigend heeft en soms zelfs misbruikt....... 

Peter Zantingh - Na Mattias. Amsterdam, Das Mag, 2018. Pb., 200 pg. ISBN:978-94-924785-5-9.

© Jannie Trouwborst, mei 2018.

zaterdag 5 mei 2018

Tommy Wieringa - De heilige Rita

Het tweede boek dat ik besloot uitsluitend voor mijn plezier eens te gaan lezen, ondanks dat het al helemaal uitgekauwd is in diverse recensies, was De heilige Rita van Tommy Wieringa. Ik bewaar goede herinneringen aan Joe Speedboot (KLIK HIER), volgde nog wel de reacties op de titels die daarna verschenen, maar kwam eigenlijk nooit meer aan het lezen van zijn boeken toe. Wat mij dit keer over de streep trok was de setting: een dorp in een streek aan de oostgrens, Twente, het deels autobiografische gehalte van het verhaal en de beschrijving van de veranderingen die dergelijke dorpen de laatste jaren ondergaan.

Typisch Tubbergen

Het toeval wil dat er tegelijkertijd op tv een serie uitgezonden wordt onder de titel: Typisch Tubbergen, over het wel en wee van de bewoners van die stad en de omgeving ervan. De overkoepelende serie draait al een paar maanden en neemt steeds 12 afleveringen lang een bepaalde stadswijk of dorpsgemeenschap ergens in Nederland onder de loep. Dit keer sluit het mooi aan bij het verhaal van Wieringa, al wordt er meer de nadruk gelegd op wat nog authentiek is voor Tubbergen en directe omgeving, dan op wat er veranderd is in de loop der jaren.

Maar de setting dus. Wat dat betreft werd ik toch iets teleurgesteld. Dat is echter te wijten aan mijn eigen, onrealistische verwachtingen. Het draait om het verhaal, de karakters van de hoofdpersonen en hun onderlinge verhoudingen en de rol die het dorpsleven daarin speelt, waar nieuwkomers zijn, welkome en minder gewenste gasten, waar zaken (en mensen) voorgoed verdwijnen en hoe dat zijn weerslag heeft op de achterblijvers.

Waar gaat het over?

Bijna vijftig jaar woont Paul Krüzen met zijn vader in een Saksische spookboerderij buiten Mariënveen, een vergeten dorp aan de grens. Eens zorgde zijn vader voor hem, nu zorgt hij voor zijn vader. Lang geleden stortte een Russische piloot neer in het maisveld achter hun huis. Dit zette een keten van gebeurtenissen in werking waarvan ze nooit volledig zijn bekomen. Na de Rus kwamen de Chinezen, die het café en de snackbar in het dorp overnamen, daarna volgde de rest van de wereld. Met hen kwam ook de onzekerheid. Het verzet bestaat uit het beschimpen van de Chinezen en de aanschaf van meer bewakingscamera’s. Voor de betaalde liefde steekt Paul Krüzen de grens over. In het bordeel raakt hij verzeild in een conflict dat hem dwingt de verscholen positie te verlaten die hij in het leven heeft gekozen. Van dit dorp en deze mensen is Rita, patrones van de hopeloze gevallen, de beschermheilige. De heilige Rita is een schitterende en ontroerende roman over een vader en een zoon, en over de nieuwe tijd in een traditioneel grensdorp.

Herinneringen aan Joe Speedboot
 
Deze samenvatting van Libris klopt wel aardig. Maar zegt lang niet alles over hoe ik deze roman heb ervaren. Zo vroeg ik me af of het verhaal van de Russische piloot verzonnen is voor dit verhaal of dat er echt destijds een vluchtende Rus neergestort is in Twente. Is dat belangrijk? Niet echt, maar ik zag toch wel overeenkomsten met het vliegtuigje dat Joe Speedboot bouwde. Zal wel toeval zijn.
Getroffen werd ik door het verdriet dat de moeder van Paul veroorzaakt door er met de Rus vandoor te gaan en niet alleen haar man, maar ook haar kind in de steek te laten. Het geeft ook mooi het streekeigen zwijgen weer: vader en zoon spreken er nooit over en zoeken geen troost bij elkaar. Omdat we alles beleven vanuit het perspectief van Paul kennen wij zijn gevoelens wel, maar naar die van zijn vader moeten hij en wij raden. Die doet zijn best een goede vader te zijn, maar heeft niet echt een idee hoe dat moet. Hij zorgt in elk geval elke verjaardag voor twee tompouces... terwijl Paul elk jaar weer wanhopig op de terugkeer van zijn moeder zit te wachten.

Paul op zijn beurt probeert zich te bekommeren over Hedwiges, een wat zonderlinge leeftijdgenoot die de winkel van zijn ouders voortzet na hun overlijden, maar waar haast geen mens meer komt. Paul is zijn enige vriend. Ze trekken veel samen op en weer valt me de overeenkomst op met de verhouding tussen Joe Speedboot en de gehandicapte Fransje Hermans. Ook daar een dorp en de invloed van nieuwkomers. Maar de verschillen zijn groot. Waren in Joe Speedboot de avonturen en onderlinge verhoudingen nog vrij onschuldig, met een soort jongensachtige branie, in De heilige Rita gaat het er anders aan toe. Naar het einde toe belanden we in een thrillerachtige setting en afrekeningen. Want wie aan zijn enige vriend komt, kan het krijgen, volgens Paul, ook als hij dat wellicht zelf niet zal overleven.....

Pittige thema's

En zo werd ik bij het lezen heen en weer geslingerd tussen verschillende thema's: het zwijgen over pijnlijke zaken, de vader-zoon verhouding, vriendschap, de invloed van nieuwkomers, bindingsangst, de teloorgang van een dorp. Naar het einde toe verandert er iets dat ik niet echt verwacht had: er komt een criminele, nietsontziende factor in het spel. Waarbij hebzucht, misdaad, meedogenloze afrekeningen en wraakzucht een grote rol gaan spelen. Ook dit hoort blijkbaar bij de teloorgang van het land van zijn jeugd. Voor Paul hoeft het dat allemaal niet meer. Of is dit de stem van Tommy Wieringa die hierin doorklinkt?

Soms lees ik dat anderen het boek maar saai vonden tot er eindelijk iets spannends stond te gebeuren in de laatste hoofdstukken. Voor mij had dit slotakkoord echter niet gehoeven. Zoals ik al schreef: het ging me om de setting. Het dorp in een grensstreek, de mensen en hun onderlinge verhoudingen, de vreemden die komen en weer gaan, de teloorgang: een traag verhaal over een langzaam uitstervend en uitdovend dorp. Verteld in aansprekende beelden en via ontroerende scenes. Waarin niet alles gezegd wordt, maar wel begrepen. Meer hoeft dat voor mij niet te zijn.

Tommy Wieringa - De heilige Rita. Amsterdam, De Bezige Bij, 2017. Pb., 286 pg., isbn: 9789023458753

© Jannie Trouwborst, mei 2018.