Posts tonen met het label sociale geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale geschiedenis. Alle posts tonen

maandag 12 april 2021

Khalid Mourigh - De gast uit het Rifgebergte

"Dé Nederlander bestaat niet", zei Koningin Maxima een aantal jaar geleden. Ze kreeg nogal wat commentaar, maar ik was het helemaal met haar eens. Niet alleen omdat ieder van ons uniek is. In de loop der eeuwen hebben heel wat vreemdelingen zich, al dan niet noodgedwongen, in ons land gevestigd en er gezinnen gesticht. Het tv-programma Verborgen verleden geeft een interessant kijkje in onze voorgeschiedenis als volk. Dat we er met zijn allen toch een "gaaf land" van gemaakt hebben, misschien is dat wel typisch Nederlands. Laten we in elk geval ons best doen dat zo te houden.

Khalid Mourigh is de kleinzoon van een Marokkaanse gastarbeider. En om aan te sluiten op wat hiervoor staat: dé gastarbeider bestaat ook niet. Dat maakt de schrijver duidelijk door ons de geschiedenis van zijn grootvader Ali te vertellen. Voor zijn boek heeft hij gebruik gemaakt van de verhalen van zijn (inmiddels overleden) grootvader en andere familieleden. Maar daarnaast heeft hij ook het nodige archiefwerk verricht en heeft zich verdiept in de Marokkaanse geschiedenis. Dat heeft geleid tot een boeiend en leerzaam geheel. 

De overgeleverde verhalen en de feiten wisselen elkaar af. Geregeld schetst hij de historische achtergronden die de basis vormden voor de beslissingen die zijn grootvader uiteindelijk nam. Zelfs de tijd van voor de geboorte van grootvader Ali komt ter sprake.

Wat is een gastarbeider eigenlijk?

De term Gastarbeider komt voort uit het idee dat de arbeiders die geworven werden in Marokko, Turkije, Italië, Griekenland en Spanje hier niet zouden blijven. Vandaar dat de werkgevers het liefst mannen ronselden die goed gezond waren, maar niet geletterd. Schaapsherders uit het Rifgebergte, werd er smalend gezegd. Ze mochten in Duitsland, België en Nederland smerig en gevaarlijk werk doen, waar Nederlanders hun neus voor ophaalden. Maar het was niet de bedoeling dat ze, omdat ze te slim waren of de taal van het gastland konden leren, teveel voor zichzelf op zouden komen. Echt gast zullen ze zich niet gevoeld hebben. Doorgaans vang je gasten anders op: je huisvest ze niet in overvolle pensions en zorgt goed voor ze. De arbeidsomstandigheden lieten veel te wensen over, ongevallen waren het gevolg en daarmee beëindiging van het contract. Koppelbazen verdienden zelf het meest aan de gastarbeiders. En wie opkwam voor dit schrijnend onrecht, kon vertrekken naar zijn thuisland.

En grootvader Ali?

Lang was dit bovenstaande het beeld van de gastarbeiders uit de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Maar uit de geschiedenis van Ali blijkt dat er hier al arbeiders waren uit o.a. Marokko vóórdat ze ter plekke geronseld werden. Ali was wat wij nu een gelukszoeker zouden noemen. In armoede opgegroeid zocht hij steeds plekken op om geld te verdienen voor zichzelf, zijn familie en later zijn gezin. In zijn verhalen komt de geschiedenis van de bewoners van het Rifgebergte tot leven. De koloniale overheersing van Spanje en Frankrijk en de beide wereldoorlogen spelen daarin een belangrijke rol. Als er verhalen gaan dat er in Duitsland, België en Nederland wel een goede boterham te verdienen is, neemt  Ali de gok. Net als familieleden en vrienden. Uiteindelijk komt hij in Nederland terecht, maakt hetzelfde onrecht mee als de latere gastarbeiders, maar kan niet terug gestuurd worden, omdat hij niet op contract gekomen is. Vele werkgevers verslijt hij. Hij weet te overleven in gevaarlijke baantjes en accepteert geen onrecht (veel minder loon voor hetzelfde werk). Bij zijn laatste werkgever heeft hij geluk: die zorgt voor een normale woning en dan kan hij zijn gezin over laten komen.

Khalid Mourigh geeft grif toe dat zijn grootvader de verhalen die hij vertelde, misschien hier en daar wat aangedikt heeft. Toch geven ze wel een reëel beeld van zijn leven. En in dit boek geven ze samen met de nodige historische feiten en achtergronden, een interessant en kleurrijk beeld  van het Marokko voor de tijd van de gastarbeiders en het Nederland in de periode dat ze hier een leven probeerden op te bouwen.

Uitbuiting

Er bestaat geen ander woord voor wat Ali en vele anderen meemaakten in de jaren 70 en 80 in Nederland: uitbuiting. De auteur is om dat duidelijk te maken voor veel bedrijven die zich daaraan schuldig maakten in de archieven gedoken. Het is schokkend om te lezen. Dat dat kon in Nederland. Maar dan realiseer ik me, dat we ze nu Arbeidsmigranten noemen, maar dat de omstandigheden waaronder Polen en Roemenen nu moeten werken en wonen, vaak niet anders zijn. Met schrijnende voorbeelden van een nieuwe generatie koppelbazen.

En zo is De gast uit het Rifgebergte. Het leven van een Marokkaanse arbeider niet alleen een eerbetoon aan grootvader Ali, maar tevens een verhaal dat ons wakker zou moeten schudden: de geschiedenis herhaalt zich. 

Khalid Mourigh - De gast uit het Rifgebergte. Het leven van een Marokkaanse arbeider. Amsterdam, Cossee, 2021. Pb., 240 pg., lit. opg. ISBN:978-90-5936-956-6.

© Jannie Trouwborst, april 2021.

donderdag 11 februari 2021

Julia Wouters - De ZIJkant van de macht

Januari 2021. De politieke partijen lopen zich warm voor de verkiezingen op 17 maart. De kandidatenlijsten voor de Tweede Kamer worden vastgesteld. Wat opvalt, is het record aantal vrouwelijke lijsttrekkers. Ook staan er meer vrouwen op verkiesbare plaatsen dan er nu in de Kamer zitten. Zou er dan eindelijk een barst komen in het bolwerk van vooral witte mannen in wat een afspiegeling van onze bevolking zou moeten zijn? Want dat we er nog lang niet zijn, moge duidelijk zijn. En niet alleen vrouwen zijn er ondervertegenwoordigd.

Julia Wouters (1968) kent de Nederlandse politiek door en door. Zij is politicoloog en was elf jaar lang de rechterhand van Lodewijk Asscher als zijn politiek adviseur en speechschrijver. Daarvoor werkte ze als journalist en als parlementair verslaggever bij verschillende actualiteitenprogramma’s. De ondertitel van haar boek De Zijkant van de macht luidt: Waarom de politiek te belangrijk is om aan mannen over te laten. Deze quote komt van Els Borst (Minister van Volksgezondheid in de kabinetten Kok I en Kok II. In het laatstgenoemde kabinet was ze tevens tweede vicepremier.). Twee andere toepasselijke quotes die ze als motto hanteert, zijn: Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan (Pippi Langkous) en Je gaat het pas zien als je het door hebt (Johan Cruijff).

Want wat is de reden, volgens Wouters, dat er in onze politiek naar verhouding zo weinig vrouwen actief zijn? Dat in de kabinetten van de laatste jaren steeds minder vrouwen benoemd worden? Dat er op dit moment zelfs minder vrouwen in de Tweede Kamer zitten dan een aantal jaar geleden, dat ook in de gemeenteraden het aantal vrouwen aan het afnemen is? Ligt dat aan de mannen die nu nog de dienst uitmaken of zouden ook de vrouwen zelf stappen moeten zetten? Maar hoe dan en wat zijn de belemmeringen?

In een heldere analyse, vol herkenbare anekdotes, schets ze een compleet beeld van de huidige status quo en geeft ze adviezen hoe daar verandering in gebracht zou kunnen worden. Waarbij de quotes van Pippi Langkous en Johan Cruijff een belangrijke rol spelen.

Ze begint haar boek met de geschiedenis van vrouwen in de politiek. Het is goed om eens op een rijtje te hebben welke rol vrouwen gespeeld hebben bij het verkrijgen van het algemeen kiesrecht (ook voor mannen zonder een hoog inkomen!) en om zelf gekozen te kunnen worden in de Tweede Kamer. De eerste en tweede feministische golf geven hoop. Maar daarna stokt het, er is zelfs sprake van een terugloop van de deelname van vrouwen in de politiek. Dat vrouwen daar belangrijke dingen kunnen doen, laat ze met voorbeelden uit het verleden zien in het volgende hoofdstuk: Vrouwenzaken vragen om vrouwelijke politici.

In de daarop volgende hoofdstukken komen alle mogelijke redenen en oorzaken aan bod die ervoor zorgen dat het moeilijk is, maar ook soms gewoon angstaanjagend lijkt, om je als vrouw in de politiek te kunnen manifesteren. Elk hoofdstuk vat in aparte kaders de tips en aandachtspunten nog eens samen. Allereerst is er het vechten tegen alledaags seksisme en hardnekkige vooroordelen. Hoe het te herkennen en te ontdekken hoe daar mee om te gaan. Dan het weerleggen van de bewering van Rutte dat zijn kabinet weinig vrouwen bevat omdat ze niet te vinden zouden zijn. Hij heeft niet goed genoeg gezocht, stelt Wouters, maar, geeft ze toe, het ligt er ook aan hoe je vrouwen benadert. 

Zoals uit meerdere hoofdstukken blijkt, zijn er grote verschillen tussen het gedrag en de reacties van mannen en van vrouwen. Waar een man bijvoorbeeld vrij snel toestemt om aan een kabinet deel te nemen, heeft een vrouw meer tijd nodig. Omdat haar overwegingen anders zijn. Allerlei aspecten die daarbij een rol spelen behandelt ze in de hoofdstukken over de slangenkuil die de politiek kan zijn, geen excuustruus willen zijn, sisterhood en de krabbenmand,  mediaolgica en machisma, tranen en emoties, uiterlijkheden en onheuse bejegening, de eventuele kinderen, domineren (je niet laten wegdrukken en je laten gelden waar nodig). 

Er is werk aan de winkel voor vrouwen die de politiek in willen. De anekdotes waarmee Wouters dat illustreert zeggen genoeg. Maar het kan wel. En ze zijn hard nodig. Niet om tegenover de mannen geplaatst te worden, maar om het evenwicht te herstellen in de besluitvorming. Waarbij een vrouwelijke inbreng noodzakelijk is. In het slothoofdstuk: Met man en macht zet ze nog eens uiteen wat mannen kunnen doen om het voor vrouwen mogelijk te maken om prettig samen te kunnen werken voor de publieke zaak. Ze zijn zich vaak niet eens bewust van de vooroordelen waarmee ze naar vrouwen in de politiek kijken en hen de maat nemen. Al zijn er gelukkig genoeg die open staan voor verandering. Ook zij krijgen het woord.

Een vlot geschreven en prettig leesbaar boek, waarin veel bekende politici (vrouwen èn mannen) hun zegje doen en sprekende voorbeelden geven bij het betoog. Met verrassende inzichten en praktische tips om de samenwerking tussen mannen en vrouwen in de politiek tot een succes te maken.

Julia Wouters - De zijkant van de macht. Waarom de politiek te belangrijk is om het aan mannen over te laten. Amsterdam, Balans, 2019 Tweede dr., 272 pg., met lit. opg. ISBN:978-94-600-3881-5.

©Jannie Trouwborst, februari 2021.

maandag 18 januari 2021

Chris de Stoop - Het boek Daniel

In Vlaanderen is Chris de Stoop (1958) bekender als succesvol auteur en journalist dan hier in Nederland. Sinds 1992 schrijft hij literaire non-fictie over veelal sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen en problemen. In Nederland kwam zijn doorbraak met het succes van en de prijzen voor Dit is mijn hof. Het is het verhaal over het verdwijnen van het traditionele boerenbedrijf in Vlaanderen, aan de hand van de ervaringen van zijn eigen ouders en familie. Dat het boek zo aansloeg in Nederland is gekomen door de ontpolderingsperikelen in de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen, waar dezelfde problemen speelden.

Met Het boek Daniel bouwt hij hier min of meer op voort. Ook hier ligt een persoonlijk verhaal ten grondslag aan een verhaal waarin het verdwijnende boerenleven een grote rol speelt. De manier waarop de feiten over de dood van Oom Daniel verteld worden is bijzonder. Door de spanningsopbouw en de stijl mag het met recht literaire non-fictie genoemd worden.

Oom Daniel

Chris de Stoop kent zijn Oom Daniel niet zo goed. Hij woont ver weg in Wallonië in een vierkantshoeve, zoals wij die ook nog wel in Limburg kennen. Hij leeft er alleen: na het verzorgen van zijn ouders en gehandicapte broer tot aan hun overlijden had hij graag willen trouwen, maar dat zat niet mee. Hij trekt zich terug op zijn hoeve, met enkele koeien, kippen en wat akkers rondom. Contacten met de rest van het dorp heeft hij nauwelijks. Hij komt er één keer per week om wat boodschappen te halen. Vlak voor sluitingstijd, op verzoek van de supermarkteigenaar, om de andere klanten niet af te schrikken: hij ziet er te onverzorgd uit.

Op een avond brandt zijn hoeve af en Oom Daniel komt schijnbaar om in de vlammenzee. Maar in het dorp zijn opeens jongeren die zich dure spullen kunnen veroorloven, er worden stoere verhalen verteld. Wat is er gebeurd?

Rechtspraak in België

De vijf jongeren worden opgepakt en verhoord. Er wordt een uitgebreid onderzoek uitgevoerd en alles wordt vastgelegd in een flinke stapel papier. Dat Chris deze dossiers te lezen krijgt, heeft te maken met de manier waarop de Belgische rechtspraak functioneert. De verdenking van moord betekent dat het proces gevoerd zal worden bij het Hof van Assisen (een rechtbank voor de ernstigste misdaden), waarbij een publieksjury een bindende uitspraak zal doen. Naast wat wij de officier van justitie zouden noemen, is er daarbij nog sprake van een burgerlijke partij: de benadeelde of zijn erfgenamen. De familie vraagt Chris de Stoop of hij die taak op zich wil nemen. En zonder te beseffen wat hij zich daarmee op de hals haalt, stemt hij toe.

Het begint ermee, dat hij inzage krijg in het volledige dossier. Ondanks de aanvankelijke schrik vanwege de omvang, blijkt het een geschikte bron om meer te weten te komen over deze eigenzinnige oom en de achtergronden en motieven van de daders. Dat alles te samen vormt de basis van Het boek Daniel.

Schrijver en journalist

Voor de journalist gelden in de eerste plaats de feiten en achtergronden, voor de schrijver het goed vertellen van een verhaal. Dat dat heel goed samen gaat, bewijst Chris de Stoop in dit boek opnieuw. Hij wisselt de ontrafelde gebeurtenissen die tot de dood van Oom Daniel geleid hebben af met de gesprekken en gebeurtenissen rond de rechtsprocedure. Voor de rechtszitting spreekt hij met iedereen die hem meer kan vertellen over zijn eenzelvige oom. Hij leert hem steeds beter kennen. Erna met onder andere een psycholoog en enkele van de daders. 

En al weten we van te voren dat Oom Daniel het niet zal overleven, het blijft een spannend verhaal. Al is voelbaar dat hij te doen heeft met zijn oom, dat hij verontwaardigd is over wat er met hem gebeurde en hoopt dat er recht gedaan zal worden aan wat hem overkwam, slaagt hij er toch in het verhaal zo neutraal mogelijk te reconstrueren. En achteraf het journalistieke verhaal compleet te maken door te proberen om te doorgronden wat deze jongemannen dreef tot deze daad.

Een aangrijpend verteld en waargebeurd verhaal dat nog lang nawerkt in je hoofd. Want wat moet je bijvoorbeeld met de conclusie van de gerechtspsycholoog?

"Je hebt dus drie partijen die elkaar versterken,"besluit de gerechtspsycholoog. "De samenleving die mensen uitsluit. De jongeren die geen plek vinden in de maatschappij. En het slachtoffer dat zichzelf buiten de gemeenschap plaatst. Elk van die drie heeft bijgedragen tot dit drama."

"Bedoelt u dat Oom Daniel medeverantwoordelijk is?"

En dan zegt de psycholoog iets wat me bevreemdt: "Hij heeft ook zichzelf ontmenselijkt. Hij heeft voor sociale zelfmoord gekozen."

Zijn lijden was er niet minder om.

Chris de Stoop - Het boek Daniel. Amsterdam, De Bezige Bij, 2020. Geb. 254 pg., isbn:978-94-031-0271-9

© Jannie Trouwborst, januari 2021.

woensdag 5 december 2018

Karin Sitalsing - Boeroes, een familiegeschiedenis van witte Surinamers

Dat Suriname een smeltkroes is van mensen met totaal verschillende achtergronden is bekend, maar terwijl ik dacht dat ik al die bevolkingsgroepen wel van naam kende, kwam er tijdens de Maand van de Surinaamse literatuur toch een nieuwe groep in beeld: de Boeroes. Aan de hand van haar familiegeschiedenis schreef Karin Sitalsing er een non-fictieboek over.

Boeroes 

Boeroes zijn witte Surinamers. Ze vormen een minderheid in het huidige Suriname en hebben zich intussen deels vermengd met de rest van de bevolking. Ze stammen af van een groep van 50 arme Nederlandse gezinnen die in 1845 vertrokken naar Suriname, waar hun een stuk vruchtbare grond, goede woningen en vee beloofd was. Maar toen ze na een lange, slopende zeereis aan kwamen op de verlaten plantage Voorzorg aan de rivier de Saramacca was er niets, behalve moeras, muggen en verzengende hitte. Binnen een half jaar was de helft van de immigranten overleden. De overlevenden trokken naar Paramaribo.
In de loop der generaties zijn de Nederlanders van toen Surinamers geworden. Een deel van hen is terug gekeerd naar Nederland, waaronder de moeder van Karin Sitalsing. De heimwee van de eerste generaties Nederlanders naar het vaderland is verdwenen, maar hun afstammelingen die, mede door de chaos rond en na de Onafhankelijkheid, naar Nederland terugkeerden, hebben nu heimwee naar hun thuisland Suriname. Ook al herkennen ze Suriname nauwelijks meer als het land van hun jeugd als ze er af en toe op bezoek gaan.

Karins reisverslag

Mij verbaasde het wel eens als ik in een reportage van Nina Jurna vanuit Suriname een duidelijk witte man met een onvervalst Surinaamse tongval zijn mening hoorde geven. Ik ging er dan eigenlijk vanuit dat het een Nederlander was die al lange tijd in Suriname woonde. Nog vreemder was het hier in Nederland om door de telefoon met een Surinaamse vrouw in gesprek te zijn en haar daarna als witte vrouw te ontmoeten. Karins moeder vertelt er de nodige anekdotes over.

Door de verhalen van haar moeder en andere familieleden werd Karin Sitalsing nieuwsgierig naar haar familiegeschiedenis. Ze ging op zoek in de archieven, las brieven en andere documenten en sprak met zoveel mogelijk familieleden, hier en in Suriname.

Ze doet verslag van haar zoektocht, die voor het grootste deel plaats vindt in Suriname. De eerste acht hoofdstukken hebben steeds één van de voorouders, in chronologische volgorde, als leidraad. Daarin lezen we behalve de feiten die ze vond, ook de verhalen van anderen over deze persoon en haar eigen belevenissen en gedachten om er dichterbij te komen. Soms is die afwisseling een beetje verwarrend, omdat heden en verleden erg door elkaar lopen. Ook de vele namen die voorkomen in al die verhalen zijn soms moeilijk te plaatsen in het geheel. Gelukkig heeft ze achterin een stamreeks opgenomen, waarin je af en toe kunt kijken over wie het precies gaat. Daar bevindt zich ook een woordenlijst met Surinaamse woorden ter verduidelijking. Al worden er niet zo extreem veel van die woorden gebruikt dat het verhaal niet te volgen zou zijn.

Meer dan een familiegeschiedenis

Voor Karin Sitalsing was het in de eerste plaats een verslag van haar zoektocht naar haar familiegeschiedenis. Voor de geïnteresseerde lezer is het echter vooral een interessant overzicht van de geschiedenis van deze onbekende groep kolonisten. 

Dat er in de 19de eeuw aan meer arme gezinnen overzee een beter bestaan beloofd werd, is ook al door andere schrijvers en documentairemakers naar voren gebracht. Ik denk daarbij o.a. aan een vergelijkbaar verhaal beschreven door Carolijn Visser in Argentijnse avonden (KLIK HIER). Daarin komt de oorsprong van de Hollandse kolonie in Argentinië ter sprake  en aan de Documentaire Braziliaanse Koorts (KLIK HIER) over arme Zeeuwse landarbeiders, die droomden van eigen grondbezit in het onbekende en verre Brazilië. Veelal ongeletterde landarbeiders werden in cafés geronseld en gingen met vrouw en kinderen via de haven van Antwerpen naar Brazilië. Daar wachtte een bikkelhard bestaan: grondbezit bleek een leugen en de beloofde comfortabele woning was niets meer dan een paar boomstammen met een dak van palmbladeren. Geld om terug te keren naar Zeeland hadden deze mensen uiteraard niet.

In deze landen had men minder mogelijkheden om er nog wat van te maken, zoals dat de Boeroes in Suriname uiteindelijk wel lukte. Waarschijnlijk doordat ze in feite in een Nederlandse kolonie terecht gekomen waren en niet, zoals bv. de armen van Carolijn Visser, achtergelaten werden in een onherbergzame omgeving in Argentinië.

Tussen twee culturen

De Boeroes voelden zich echte Surinamers, al hielden ze hun tradities in ere. De verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen waren goed, vertelt men aan Karin. Dat veranderde na de Onafhankelijkheid. Politiek werd bedreven op grond van etniciteit en daarmee ontstond een ander soort samenleving, waarin de grootste etnische groep het voor het zeggen had. Wie naar Nederland terugkeerde, voelde zich ook daar niet meer op zijn plek. En in Suriname veranderde alles zo snel (en niet ten goede) dat ook dat niet meer als thuis kon voelen. Het Suriname van vroeger was verdwenen. De cultuur van de Boeroes, ooit gestoeld op Hollandse tradities, verdween grotendeels door vermenging van de verschillende bevolkingsgroepen. Zowel in Suriname als in Nederland worden nog pogingen ondernomen om via bijeenkomsten er iets van vast te houden. Maar of dat nog lang zal lukken? Het is goed dat hun geschiedenis nu in elk geval vastgelegd is.

Karin Sitalsing - Boeroes, een familiegeschiedenis van witte Surinamers. Amsterdam, Atlas/Contact, 2016. Pb., 272 pg., met foto's, lit. opg., stamboom en woordenlijst. ISBN:978-90-450-3084-5.

© Jannie Trouwborst, december 2018.

vrijdag 23 februari 2018

Anita Terpstra - Het huis vol

Hoe hebben mijn grootouders dat klaargespeeld, vraagt Anita Terpstra zich af, als ze zelf moeder wordt en zich realiseert dat zowel haar vader, als haar moeder in een wel heel groot gezin opgroeiden. Bij haar vader Sake waren ze met 7 kinderen en bij haar moeder Geertje met zelfs 14. En hoe was het voor de kinderen? Was het gezellig, kregen ze wel voldoende aandacht en welke invloed heeft het gehad op hun volwassen leven? Was er verschil tussen de oudste of de jongste zijn? En hoe gaan ze nu met elkaar om?


Niet alleen de familieband wakkert haar nieuwsgierigheid aan. Het feit dat ze journalist is, is uiteindelijk de reden om te proberen er meer over te weten te komen en er een boek over te schrijven. Daarvoor heeft ze de hulp van haar ouders, tantes en ooms nodig. Bijna allemaal stemmen ze toe en vertrouwen haar hun verhalen toe. Van de 21 werken er 18 mee: haar oudste tante is verstandelijk beperkt, één oom is al overleden en één oom wil niet. Vanwege te pijnlijke herinneringen, vermoedt ze. De anderen zijn openhartig genoeg om haar een indringende blik op het leven in hun grote gezin te gunnen. Anita Terpstra heeft met Het huis vol, een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin met behulp daarvan een boeiend verslag geschreven.

In het voorwoord gaat ze in op de dilemma's waarmee ze te maken krijgt. Haar familieleden hebben haar in vertrouwen genomen, maar moet alles wel verteld worden? Er zijn zeker pijnlijke waarheden bij, maar ook onderlinge ruzies en zaken die iedereen zich net even anders herinnert. Gesprekken met vreemden, die ook uit zulke grote gezinnen komen, sterken de journalist in haar, om toch door te zetten, met zoveel mogelijk respect voor alle betrokkenen.

Eerst komt het gezin van haar moeder, de familie Borger aan de beurt. Na een stamboom (die heel handig is bij het lezen) vertelt Anita Terpstra steeds het verhaal van één kind tegelijk, te beginnen met de oudste. Dat blijkt een goede strategie. Elk kind krijgt zo volop de aandacht die er vroeger niet was, zonder de anderen als stoorzender er doorheen. Het maakt het eigen verhaal zuiverder, persoonlijker. En ook vaak anders dan dat van de broers en zussen. Maar erg is dat niet: het gaat om de ervaring, niet om het achterhalen van een gemene deler.

Het tweede deel is voor de familie van vaderszijde, de familie Terpstra. De structuur is hetzelfde. Het verhaal is anders door het vroege overlijden van moeder Aaltje, waardoor vader Dorus alleen voor zijn 7 kinderen moest zien te zorgen.

Tussen de verhalen van de afzonderlijke kinderen staat steeds een informatief hoofdstuk met feitelijke gegevens over een besproken onderwerp, zoals Grote gezinnen en de invloed van de kerk, Het huishoudboekje, Vernoemen, Gezinsverzorgster, Roken, enz. Intermezzo's, die de verhalen aanvullen of juist tonen waar ze afweken van de norm.

De manier waarop Anita Terpstra de verhalen van de broers en zussen vorm gegeven heeft, maakt dat het een prettig leesbaar boek is geworden. Elk verhaal is een combinatie van een korte weergave van de situatie nu en van haar gesprek daarover met de betrokkene enerzijds en een deels gefictioneerde weergave van de anekdotes en herinneringen anderzijds. Deze keuze maakt het mogelijk je in te leven in de gebeurtenissen die de kinderen uiteindelijk gevormd hebben, schrijnende verhalen vaak, die ze niet altijd zo ervoeren destijds, maar die nu vragen oproepen, bij de één meer dan bij de ander. 

"Achter haar klinkt het geluid van fietsbellen en stemmen. Geeske draait zich om en ziet een groepje fietsers naderen. Met haar hand beschermt ze haar ogen tegen de felle zon.
Hé, Geeske ga je mee?
Ze geeft geen antwoord. Ze gaat niet meer naar school. Ze wil graag schooljuf worden, maar ze moet ma helpen. En niet alleen ma. Ze wordt overal naartoe gestuurd om te poetsen. Naar Geertje, of naar haar schoonzus Nienke. 
Ze pakt een handdoek en hangt hem met knijpers aan de lijn. Het wasgoed wappert vrolijk."

Het verschil  tussen de jongsten en de oudsten is duidelijk aanwezig, ook als ze eenmaal volwassen zijn. Ze hebben onderling niet veel contact meer, het grote gezin is in groepjes uiteen gevallen. Het leeftijdsverschil is vaak gewoon te groot. Maar ook karakters spelen mee en de taak die ze in het gezin moesten vervullen.

Het komt allemaal helder naar voren en geeft ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor wie opgroeide in een dergelijk groot gezin, dat met moeite de eindjes aan elkaar wist te knopen. Het boek doet een beetje denken aan Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer (KLIK HIER), waarin deze schrijfster het grote katholieke gezin van haar vader aan het woord laat, over hun jeugd en over de manier waarop ze nu gezamenlijk hun moeder verzorgen die na een hersenbloeding niet meer kan spreken. Die verzorging is de rode draad waar de rest van de roman omheen gecomponeerd is.
In het huis vol ontbreekt die rode draad. Of het moest de armoede zijn en de overlevingsdrang die niet alleen de grootouders maar ook de kinderen kenmerkt. Maar het verhaal over deze beide Friese families is minstens zo boeiend geschreven. En niet alleen als herkenning voor kinderen uit vergelijkbare gezinnen.

Anita Terpstra - Het huis vol. Een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin. Amsterdam, Hollands Diep, 2018. Pb., 286 pg., ills. ISBN:978-90-488-4254-4.

© Jannie Trouwborst, februari 2018.

zondag 10 december 2017

Roelof Bouwman en Henk Steenhuis - Wij van de HBS

Wij van de HBS heeft een ondertitel gekregen waar ik als ervaringsdeskundige volledig achter kan staan: Terug naar de beste school van Nederland. Niet alleen omdat ik mijn 5-jarige HBS-b opleiding op de Rijks HBS in Amersfoort heb mogen genieten, maar ook omdat ik in de loop der jaren via mijn kinderen en kleindochters heb kunnen zien hoe alles anders moest en niet bepaald beter werd. Maar ik zal ook de eerste zijn om toe te geven dat er ongetwijfeld sentimenten meespelen die maken dat ik niet geheel onbevooroordeeld over dit boek zal kunnen oordelen.
Natuurlijk moeten er wetenschappelijke eisen gesteld worden aan de informatie die gepresenteerd wordt over deze specifieke onderwijsvorm en aan de bewijzen die aangedragen worden over de kwaliteit van deze opleiding in vergelijking met andere vormen van voortgezet onderwijs. Maar minstens zo belangrijk is de leesbaarheid voor de geïnteresseerde leek of de oud-HBS'er die herinneringen wil ophalen. Aan beide voorwaarden is ruimschoots voldaan door de inbreng van de historicus Roelof Bouwman en de journalist Henk Steenhuis.


In het eerste hoofdstuk - Thorbecke heeft een plan (1863-1940): Van idee tot instituut maken we kennis met de staatsman Johan Rudolph Thorbecke en zijn overtuigingen en lezen we over de historische achtergronden die meespeelden bij het realiseren van deze nieuwe schoolvorm. Na een aarzelend begin bloeit de HBS op en maakt de verwachtingen van Thorbecke ruimschoots waar. Desondanks zal blijken dat de hogere burgerschool in 1940 zijn langste tijd gehad heeft.

In de hoofdstukken die volgen is er aandacht voor een breed scala aan onderwerpen. De Nobelprijswinnaars komen in beeld. Er is een voorbeeld van de examenopgaven uit 1963 en voor wie ze nog eens proberen wil, staan de antwoorden achterin het boek. De architectuur van de meestal monumentale gebouwen komt aan bod en hun huidige functie. De bewogen oorlogstijd, met bombardementen, de Jodenvervolging, opeisen van de gebouwen en ander onheil kon niet onbesproken blijven. In hoofdstuk 6 wordt een beeld gegeven van het extreem hoge niveau van de leraren, waarmee de kloof met de huidige praktijk van onbevoegde leraren door een tekort aan bekwaamd personeel wel heel pijnlijk duidelijk wordt. Dan is er nog een hoofdstuk met herinneringen van talloze bekende Nederlanders, gevonden in interviews of in hun geschriften. Hoofdstukken over de HBS in de literatuur en in Nederlands-Indië maken het beeld compleet.

In hoofdstuk 10 - Als jullie mij een lul vinden, moeten jullie het eerlijk zeggen: In de jaren zestig werd alles anders schetsen de auteurs de veranderende tijdsgeest in Nederland. Die is er mede de oorzaak van dat er een stevige bodem gelegd wordt onder de Mammoetwet, met als resultaat de uiteindelijke opheffing van de HBS. Niet alleen in naam, maar ook als onderwijsvorm.

Hoe dat kon gebeuren vatten de auteurs samen in hoofdstuk (12) - Van Instituut tot doelwit (1945-1968), Willem van Oranje in 1600-zoveel bij Dokkum vermoord. De Tweede Wereldoorlog heeft zijn sporen nagelaten in de maatschappij. Bij de naoorlogse kabinetten ontstaat een sfeer van Alles moet anders. Het burgerlijke, 19de eeuwse instituut van de Rijks HBS wordt daar één van de slachtoffers van. In dit hoofdstuk staan behalve de historische feiten die leiden tot de Mammoetwet en de vervanging van de HBS door andere schooltypen, ook vergelijkingen betreffende de kwaliteit van het onderwijs en de gevolgen die de verarming van de inhoud en het niveau van de huidige opleidingen voor onze maatschappij, maar ook voor de individuele leerling hebben.

De historische achtergrondverhalen zijn verhelderend, maar daarnaast heeft het boek nog meer te bieden. Ten eerste staat er na elk hoofdstuk een foto met interview van een bekende Nederlander die op de HBS zat. Leuk om te lezen, zeker als je weet wat er uiteindelijk van ze geworden is. Net als hun herkenbare opmerkingen over schoolfeesten of de houding van leraren en de hoeveelheid huiswerk.
Daarnaast vinden we in hoofdstuk 11 een Hall of fame: bekende HBS'ers op een rij. Vier dicht bedrukte pagina's met tientallen bekende namen, die een verholen gevoel van trots oproepen. Schrijvers, politici, kunstenaars, geleerden. Toch is het even slikken als er ook een naam tussen staat, die je liever niet gezien had: Mussert, Anton, ingenieur, leider NSB. 
En in het laatste hoofdstuk (13) staat een overzicht van alle scholen in 1967, kort voor de officiële opheffing van het instituut.

Het kan haast niet anders dan dat dit voor elke oud-HBS'er een heerlijk boek is om te lezen. De inhoud is interessant en bevat naast feiten ook herkenbare herinneringen en amusante anekdoten. De schrijfstijl is helder en maakt het boek vlot leesbaar. Ook aan de vormgeving is de nodige aandacht besteed. De vele zwart-wit foto's zijn een geslaagde aanvulling. Al speelt voor mij ook hier misschien een beetje vooringenomenheid mee: op de omslag staat een schoolfoto van de Rijks HBS in Amersfoort, met helemaal rechts onze directeur de heer Govers en links onze aardrijkskundeleraar de heer van Driel. De leerlingen ken ik  niet: ik kreeg een paar jaar eerder mijn diploma.

Roelof Bouwman en Henk Steenhuis - Wij van de HBS, terug naar de beste school van Nederland. Amsterdam, Meulenhoff, 2017. Geb., 271 pg., zwart-wit foto's, lit. opg. ISBN: 978-90-290-9131-2.

© Jannie Trouwborst, december 2017.


zaterdag 24 juni 2017

Mariët Meester - Hollands Siberië

Vorig jaar schreef ik over de boeken van Wil Schackman: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie (KLIK HIER). Het zijn non-fictie boeken die op een prettig leesbare manier de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid behandelen en een beeld geven van iedereen die er mee te maken had: bestuurders èn degenen die aan hun toezicht waren toevertrouwd. Aanvankelijk ging het daarbij om de stichting van Koloniedorpen (Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord), later kwamen er strafinrichtingen bij (zoals Ommerschans en Veenhuizen) voor kolonisten die zich misdroegen. In Veenhuizen werden daarnaast bedelaars en dronkaards opgevangen en tenslotte ook wezen. Dat laatste om de penibele financiële situatie van de Maatschappij het hoofd te bieden. Het mocht niet baten. In 1859 nam de staat Veenhuizen over en maakte er een Rijkswerkinrichting en Rijksstrafinrichting van.


Mariët Meester (1958)  groeide op in Veenhuizen in de tijd dat het dorp nog niet toegankelijk was voor buitenstaanders. In het dorp woonde iedereen die nauw betrokken was bij de verpleging en bewaking van de opgenomen personen: bewaking, directie, medische en psychologische dienst, leraren, pastorale medewerkers etc. In het voorwoord van haar boek vertelt ze dat ze bij het schrijven ervan is geïnspireerd door echte personen en ware gebeurtenissen, maar dat ze de karakters naar eigen inzicht heeft ingekleurd. Alle namen zijn daarom veranderd, behalve die van enkele Duitse oorlogsdelinquenten en één andere persoon die na de Tweede Wereldoorlog landelijke bekendheid kreeg. Het oeuvre van Mariët Meester bestaat uit 6 andere romans, diverse reisverhalen en non-fictieboeken.

In deze (waargebeurde) roman is de hoofdrol voor Pastoor Peter Pex. Als hij in 1936 naar Veenhuizen komt, denkt hij een plek te vinden waar hij echt iets kan betekenen voor mensen in moeilijke omstandigheden. Het valt niet mee. Onder zijn parochianen vallen zowel het gevangenispersoneel, als de verpleegden (alcoholisten en bedelaars) en criminelen (dieven, souteneurs). Iedere groep heeft eigen problemen en vraagt om andere oplossingen. Daarnaast speelt de hiërarchie binnen het ambtenarenkorps ook nog een rol bij de onderlinge verhoudingen. En niet te vergeten het verschil van mening met de protestante dominee over de groep Joodse bewoners van Veenhuizen die geen eigen kerk en voorganger meer hebben. 

Al lijkt het dat hij er goed mee om kan gaan en hij zijn draai gevonden heeft, er knaagt toch iets aan hem. Overdag loopt hij in het Franciscaner habijt, maar zodra hij het bij het naar bed gaan aflegt, krijgt hij het gevoel dat hij dan pas zichzelf is en overdag de rol van pastoor speelt. Hij realiseert zich dat hij uit liefde voor zijn ontroostbare ouders een rol op zich genomen heeft die bedoeld was voor zijn overleden broer. Als oudste zoon in een katholiek gezin had deze priester moeten worden. Zijn twijfels over het geloof nemen steeds meer toe, zijn weerzin tegen de starre regels en hypocrisie van de kerk ook, het weten van misbruik en de verdoezeling daarvan stuiten hem tegen de borst. Zijn dubbelrol valt hem steeds zwaarder. En dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit.

Samen met zijn huishoudster Martine belandt hij in het verzet. De pastorie wordt een plaats van samenkomst voor de jeugdige verzetsstrijders. Er worden mensen verborgen. Tegelijkertijd groeien de pastoor en de huishoudster steeds meer naar elkaar toe. Meester weet op ontroerende manier te schilderen hoe twee mensen op latere leeftijd de liefde ontdekken. Hun relatie moet echter geheim blijven en dat is moeilijk met zoveel vreemden in huis en onbetrouwbare ambtenaren op het terrein, want ook daar heeft menigeen een dubbele agenda. 

Als de oorlog voorbij is, krijgt Veenhuizen landverraders en Duitse oorlogsmisdadigers toegewezen. Weer een ander slag mensen om mee om te gaan. En weer andere problemen om op te lossen: een staking van het kerkkoor, opgestookt door een voormalig NSB'er, omdat men niet wil zingen met een Joodse organist. De duur van de straf en de manier waarop de foute landgenoten gevangen gehouden worden gaat Pastoor Pex steeds meer tegenstaan, zeker als blijkt dat de Duitse oorlogsmisdadigers er beter opgevangen worden. Hij wordt van steeds meer kanten klem gezet, men roddelt over hem en dan beslist hij dat het tijd is er een punt achter te zetten, zijn ambt op te geven en te trouwen met Martine. Maar of dat nog op tijd is? In de Epiloog laat Mariët Meester ons weten hoe het de (echte) hoofdpersonen uit de roman verder vergaan is.

Hollands Siberië vertelt over de opkomst en ondergang van een man die Veenhuizen zijn beste krachten wilde geven. Het is niet alleen een historische, maar vooral een psychologische roman. De worsteling van Pastoor Pex, zowel met zijn geloof, als met zijn gevoelens voor Martine en de opbloeiende liefde tussen beiden beschrijft Mariët Meester op een meesterlijke wijze. Het is een spannend en ontroerend verhaal geworden, dat zelfs katholieke lezers niet onberoerd zal laten. Ze heeft van Peter Pex een prachtig mens gemaakt die er onbaatzuchtig voor anderen wilde zijn. Daar had zijn Franciscaner pij niets mee te maken.


Mariët Meester - Hollands Siberië (onthullende roman over het gevangenisdorp Veenhuizen). Amsterdam, Arbeiderspers, 2014. PB, 359 pg., plattegrond, isbn:978-90-295-9444-8.

Tenslotte: 

- Het onderzoek van Mariët Meester voor de roman Hollands Siberië (2014) werd vastgelegd in de documentaire Het gevangenisdorp - Veenhuizen in de twintigste eeuw.

- In 2018 is het 200 jaar geleden dat De Maatschappij van Weldadigheid is opgericht. Wat nog zichtbaar is uit die tijd (en dat is veel!) zal dan tot Cultureel Erfgoed bestempeld worden, is de verwachting. In de aanloop daarnaar toe zijn er allerlei manifestaties, tentoonstellingen en wandeltochten deze zomer. Via de beide linken hieronder meer daarover en over het boek (op deze site staat onder andere ook een jaartallenoverzicht van Veenhuizen).

Gevangenismuseum: https://www.gevangenismuseum.nl/
Hollands Siberië: http://www.hollandssiberie.nl/

© Jannie Trouwborst, juni 2017 

Naschrift: ondertussen heb ik ontdekt dat de pastoor Telephorus Smits heette en dat de Pastorie verhuurd wordt als schrijversresidence door Mariët Meester. Elke Geurts logeerde er in mei 2016 een paar weken en schreef erover in haar blog (KLIK HIER). Haar vielen al die strenge namen van de woningen op. Er ontbrak er één volgens haar: Op de pastorie, toch ook een kapitaal pand, staat geen opvoedkundige leuze. Dat komt: Pastoor Smits rules here. Misschien had er Liefde op deze gevel moeten staan. Dat mist nog een beetje hier.

maandag 5 december 2016

Louis van Dievel - Landlopersblues

Landloper, een woord dat waarschijnlijk niemand meer gebruikt. Tegenwoordig spreekt men over zwervers of daklozen en die zijn doorgaans te vinden in een stedelijke omgeving. Maar er was een tijd dat de ouderwetse landloper van dorp naar dorp zwierf en trachtte aan voedsel te komen door te bedelen, iets te verkopen of muziek te maken. Lange tijd levert dat geen problemen op. Totdat Koning Willem I bij zijn terugkeer in 1815 een totaal verarmde natie aantreft: het is crisis in de Nederlanden. Werkeloosheid en hongersnood treffen grote delen van de verpauperde bevolking. De overlast van daklozen, landlopers en bedelaars dreigt te groot te worden, met name in de steden. Landlopen en bedelen wordt bij wet verboden, zowel in de Noordelijke, als in de Zuidelijke Nederlanden. Wie wordt opgepakt, komt in strafkolonies terecht, zoals Ommerschans (1820 - Overijssel), Veenhuizen (1822 - Drenthe) of Merksplas (1824 - Vlaanderen). Pas in resp. 1993 (Vlaanderen) en 2000 (Nederland)  wordt de wet afgeschaft. Volgens de rechten van de mens kan niemand veroordeeld worden voor arm en dakloos zijn. Dat klinkt alleszins redelijk, maar of het zo ook uitpakte voor alle betrokkenen?

Louis van Dievel (Mechelen - 1953, journalist en schrijver van o.a. De Pruimelaarstraat, shortlist  Libris literatuurprijs 2007) schreef in zijn roman Landlopersblues over het leven van enkele landlopers uit de tweede helft van de 20ste eeuw, die overleden kort voor het einde van de Merksplas als landloperskolonie.

Merksplas is tegenwoordig een gevangenis en strafinrichting. Maar net als in Veenhuizen is er een plek ingeruimd voor een gevangenismuseum en wordt het kerkhof in ere gehouden. Hier zijn sinds halfweg de negentiende eeuw duizenden landlopers begraven, bijna altijd naamloos. De witte kruisjes dragen enkel een nummer. Niemand miste de overleden landlopers. Maar nu gaan steeds vaker kleinkinderen op zoek naar de grootvader wiens naam in de familie taboe is, die nooit heeft bestaan en over wie nooit wordt gesproken.

Landlopersblues begint wanneer kleindochter Anita na lang zoeken het graf van haar grootvader Pol Vervoort ontdekt op het landloperskerkhof van Merksplas. En zich afvraagt waarom hij indertijd vrouw en kinderen in de steek liet.

Een stem geven aan landlopers die niets hebben nagelaten en die geen familie hebben die over ze kan of wil vertellen: hoe doe je dat? De oplossing van Van Dievel is even verrassend als effectief: hij laat ze allemaal zelf aan het woord. Vanuit hun graf communiceren ze met elkaar, zonder dat de levenden het kunnen horen. Want ook zij krijgen een stem in het verhaal: de kleindochter, de weduwe van een cipier en een gepensioneerde cipier die nu voor het kerkhof en het museum zorgt.

De hoofdrolspelers worden op de eerste pagina geïntroduceerd aan de hand van een korte typering. "Pol Vervoort, ex-havenarbeider, landloper". "Jeanne van Gorp, weduwe van cipier Gerard van Gorp". "Nest de Fauw, dief, gedetineerde". Want tussen de landlopers ligt ook een enkele crimineel. In elk hoofdstukje (meestal maar enkele bladzijden lang) horen we de stem van één van deze hoofdrolspelers. Hun trieste voorgeschiedenis wordt stukje bij beetje duidelijk. Maar omdat het er best veel zijn (5 landlopers, 3 gedetineerden en 3 nog levende personen) is het soms wat lastig de levensverhalen uit elkaar te houden. Geregeld terugbladeren naar de eerste bladzijde helpt wel, maar pas bij een tweede maal lezen gingen alle personen echt voor me leven.

Er is een mooie mix gemaakt van de achtergrondverhalen. Zoals van grootvader Pol, die zwerven móest en zelf niet precies weet waarom. Die momenten van spijt had, maar zich tegelijk zo schaamde dat hij geen weg terug meer zag. En die, nu hij Anita hoort en ziet bij zijn graf, nog meer beseft wat hij gemist heeft. En van Jefke, als dwerg geboren, werkend bij het circus met zijn ouders. Hij is pas veertien als ze overlijden en de directeur hem verkoopt aan kermisklanten, die hem vervolgens uitbuiten. Pol ontfermt zich over hem. Of over Berten Bossard, door zijn moeder als heel kleine jongen, samen met zijn broertje zonder uitleg achtergelaten aan de poort van een klooster. De paters misbruiken beide kinderen. Het drijft zijn broertje tot zelfmoord en Berten is daar getuige van. Ze zetten hem buiten zodra hij daar groot genoeg voor is. Het leger lijft hem in voor een extra lange diensttijd, omdat hij niet reageerde op de oproep (die hij in zijn zwervend bestaan nooit ontving). Daar leert hij o.a. zuipen als de beste....

Zo komen alle verhalen voorbij, eigen keus/schuld of juist pech en ongeluk, het maakt niet uit. Uiteindelijk kennen ze elkaar, zoals ze daar nu liggen, van Merksplas. Wie wegens landlopen door de rechter wordt veroordeeld, komt daar terecht. Uit de verhalen wordt duidelijk, dat de landlopers het hier niet slecht hebben. Er heerst wel een zekere orde, alcohol is (officieel) verboden en er moet gewerkt worden. Daar verdienen ze iets mee voor als ze weer vrij komen. In het voorjaar en de zomer zijn ze liever buiten. Maar tegen de winter verzuipen ze hun laatste cent en melden zich daarna als landloper bij de rechter. Die kent hun verhalen inmiddels en veroordeelt ze welwillend tot een verblijf in Merksplas, waar een warm bed en een goede maaltijd wacht.

Daaraan komt een eind als in 1993 de kolonie Merksplas (en het vergelijkbare Wortel) wordt gesloten. Jeanne, de weduwe van een cipier, vertelt daar verontwaardigd over. "Dien je zo de rechten van de mens?" Honderden mensen worden  van de ene op de andere dag op straat gezet en hebben dus in de winter geen toevluchtsoord meer. Merksplas verandert in een gesloten strafinrichting. Drugsverslaafden en illegalen komen in de plaats van de landlopers. De landlopers op de begraafplaats maken dat niet meer mee. Ze zijn allemaal voor 1990 overleden.
Het is knap om zowel al deze feitelijke, als persoonlijke aspecten in een roman te verwerken. Van Dievel maakt op natuurlijke wijze gebruik van Vlaamse woorden en uitdrukkingen, dat leest prettig. Een Vlaamse zwerver spreekt nu eenmaal geen ABN. En de context lost een enkele onduidelijkheid wel op.

Landlopersblues: het verwijst naar de melancholieke muziek die Jaak Ponsaerts uit zijn "mondmuziekje" (mondharmonica) haalde. Als hij zich triestig voelt, speelt hij er improviserend op, is even helemaal weg van de wereld en ontroert iedereen, zelf de stoerste kameraden. Blues, melancholie, heimwee naar de vrijheid van het zwerven, maar ook naar wat verloren gaat in de loop van een mensenleven en niet meer terug te draaien valt: daarover mompelen de mannen onder de voeten van Anita, in zichzelf en soms met elkaar. En Van Dievel maakt ons daar een stille getuige van.

Louis van Dievel - Landlopersblues. Antwerpen, Vrijdag, 2016. Pb., 254 pg. ISBN:978-94-6001-452-9

© Jannie Trouwborst, november 2016

Ik lees Nederlands 44/35. 

Deze recensie verscheen eerder op  De Leesclub van Alles en De Leestafel .

woensdag 2 november 2016

Wil Schackmann - Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid


"Maar als u voor de blauwe wandelroute kiest, komt u ook langs de koloniehuisjes in Wilhelminaoord, de begraafplaats, het koloniekerkje en het schooltje" legt de vrijwilligster van het Museum De Koloniehof in Frederiksoord (Drenthe) ons uit.

We zijn op vakantie in de buurt en bezoeken het museum om ons nader te verdiepen in het unieke verhaal van de Maatschappij van Weldadigheid, opgericht om de schrijnende armoede aan het begin van de negentiende eeuw te bestrijden.  Een ambitieus plan van nieuw te stichten landbouwkoloniën moest de stedelijke paupers perspectief bieden op een beter bestaan. Het kleinschalige museum geeft via een permanente expositie een overzicht van het ontstaan van de Maatschappij, het kolonistenleven en de toekomstplannen met betrekking tot behoud van uniek cultureel erfgoed. In de parkachtige tuin er omheen bezoeken we een schooltje, de voorbeeldakkertjes met gewassen van toen en een nagebouwd koloniehuisje. Maar als we de wandelroute van 8 km volgen, ontdekken we pas hoeveel uitstekend onderhouden monumenten er bewaard gebleven zijn. Het lijkt wel een openluchtmuseum. We zien veel schildjes van Monumentenzorg en informatiebordjes, maar de meeste huisjes zijn particulier bezit en niet te bezichtigen. In het kerkje van Wilhelminaoord kun je je bruiloft vieren en in het schooltje van Boschoord woont een kunstenaar.

Unesco Werelderfgoed

Wie eenmaal de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid  kent en ziet dat er nog zoveel tastbaar en goed onderhoudende erfgoed is overgebleven kan begrijpen dat het in 2011 werd opgenomen op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Unesco. Naast de koloniedorpen gaat het daarbij om de strafinrichtingen van Ommerschans en Veenhuizen en de vestigingen in de "Zuidelijke Nederlanden", want ook daar staan nog monumenten van een  koloniedorp (Wortel) en een strafinrichting (Merksplas). Het zou mooi zijn om in het jubileumjaar 2018, als de Maatschappij 200 jaar bestaat, de definitieve status te bereiken.

Maatschappij van Weldadigheid 

In 1818 verkeert ons land in grote armoede. Met name in de steden leeft zo’n 50% van de mensen onder de armoedegrens. Ze bedelen, stelen en leggen hun kinderen te vondeling. Generaal Johannes van den Bosch, een vooruitstrevend en sociaal bewogen legerofficier, ontwikkelt het plan om armenkoloniën te stichten op de woeste, Drentse zandgronden. Hij krijgt carte blanche van Koning Willem I. Deze koloniën moeten voorzien in huisvesting, werk, zorg en scholing. Elk gezin dat neerstrijkt, kan rekenen op een woning met een stuk grond dat bewerkt moet worden. Het bouwen van de woningen, het ontginnen van de grond en het aanleggen van een wegen- en afwateringsstelsel gaan snel. De hand van de legerofficier is herkenbaar in het landschap: rechte paden en lanen, doorsneden door afwateringskanaaltjes, huisjes op vaste afstanden van elkaar en facilitaire gebouwen op cruciale punten in de kolonie. Er ontstaat een duurzame zelfvoorzienende gemeenschap, die haar bewoners de gelegenheid biedt zich te ontworstelen aan de stadse armoede en die een ziekenfonds (1827) en leerplicht (1819) introduceert.

Tot zover klinkt het goed, maar dat een samenleving toch minder maakbaar is dan gedacht, moeten Johannes van den Bosch en zijn opvolgers in de daarop volgende vijftig jaar ontdekken. Grote schulden geven de genadeklap. Toch bestaat de Maatschappij nog steeds, zij het in een andere vorm. De staat neemt in 1859 de gestichten in Ommerschans en Veenhuizen over. De vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord blijven van de Maatschappij. De kleine landjes worden samengevoegd tot enkele grote bedrijven en in 1869 maakt de Maatschappij voor het eerst winst op de landbouw. Het sociale gezicht blijft bestaan: een landbouw-, tuinbouw- en bosbouwschool, een geneeskundige dienst en vanaf 1893 een eigen complex voor bejaarde kolonisten (ook dit monument is er nog). Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw worden de laatste arbeiderskolonisten gewone huurders van de Maatschappij. Beheer van de landelijke bezittingen, bosbouw en natuurbeheer en sociale hulpverlening blijven speerpunten. 

Drieluik 

Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).

Zijn werkwijze is voor alle drie de boeken gelijk. Om het prettig leesbaar te houden zijn er geen voetnoten en verwijzingen opgenomen. Ze staan wel vermeld op een bij het boek behorende internetsite. De geschiedenis van de betreffende kolonie is in tijdvakken verdeeld die op elkaar aansluiten. Binnen het tijdvak krijgen zowel de belangrijkste, feitelijke gebeurtenissen een plek, als de gevolgen voor de betrokken kolonisten, bedelaars of wezen. Door daar persoonlijke verhalen bij te gebruiken is het niet moeilijk om je in te leven in de levensomstandigheden van de bewoners van de instellingen. Echt partij kiezen doet hij niet. Hij benadrukt in alle drie de boeken dat we het verhaal moeten begrijpen in de context van de beschreven periode. Dat ondanks alles wat fout ging of beter gekund had, we geen vergelijking mogen maken met de omstandigheden van nu. Velen buiten de gestichten in de verpauperde steden hadden een slechter bestaan. Zijn laatste boek besluit hij met de woorden:

"Kortom, als ik het geheel overzie denk ik niet in de eerste plaats "Wat erg was het daar", maar denk ik vooral "Wat ben ik gelukkig dat ik niet toen leefde".
  
Een andere constante heeft betrekking op de houding van de bestuurders van de Maatschappij: voor kritiek staat men niet open. Misstanden zijn altijd aan anderen of de omstandigheden te wijten. Pas als het niet anders kan door het risico op negatieve publiciteit is men bereid iets te onderzoeken of te veranderen. Maar wel stilzwijgend, om niet toe te hoeven geven dat de kritiek terecht was.

De Proefkolonie

De Proefkolonie begint met een uitleg van de manier waarop Johannes van de Bosch zijn ambitieuze plan in de steigers zet en aan zijn beginkapitaal komt. Zijn goede verstandhouding met Koning Willem I speelt daarbij een grote rol en zal dat in de toekomst blijven doen. Hij heeft alles van tevoren goed doordacht en ingewikkelde berekeningen uitgevoerd. Zijn charismatische persoonlijkheid en dadendrang doen de rest. In januari 1818 wordt de Maatschappij opgericht en in oktober van datzelfde jaar komen de eerste kolonisten aan op wat dan nog de proefkolonie heet. En dat die naam goed gekozen is, zal in de daarop volgende vijf jaar blijken. In 52 huisjes zijn even zo vele gezinnen de proefkonijnen van de onderneming. Van den Bosch moet ondervinden dat zijn berekeningen weliswaar zorgvuldig waren, maar op verkeerde uitgangspunten stoelden. Hij hield te weinig rekening met tegenslagen, onwillige of onbekwame kolonisten, minder opbrengsten o.a. door een te kleine lap grond per inwoner, gebrek aan mest en zelfs de beperkte kennis van landbouw op arme gronden bij het management van de onderneming.

De reglementen moeten steeds verder aangescherpt worden om iedereen in het gareel te houden en de zgn. vrije kolonisten ondervinden een steeds grotere beperking van hun vrijheid. Weg kunnen ze niet: de inrichting van het huisje, de koloniekleding en de pacht van de grond hebben ze als lening ontvangen en moeten ze eerst terugverdienen. Van den Bosch acht een strafinrichting  nodig. Van de Koning krijgt hij de Ommerschans  toegewezen.

Alles draait om inkomsten om de boel draaiende te houden. Hij blijft geloven in een uiteindelijk positieve uitkomst, gaat gewoon door met het opzetten van nieuwe koloniën in de omgeving (50 woningen in 1819, 100 in 1820, 100 in 1821) en regelt via de koning een contract voor de opvang van bedelaars en landlopers in Ommerschans (1822). In 1823 wordt Veenhuizen 1 opgeleverd voor de opvang van wezen en in 1824 nog twee gestichten met dat doel. Ook daarin speelde de koning een grote rol, zoals uitgebreider beschreven wordt in De Kinderkolonie.

De bedelaarskolonie

Bij de strafkolonie Ommerschans (1819) bouwt de Maatschappij een bedelaarsgesticht(1822) in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Deze biedt aanvankelijk plaats aan 1000 personen waarbij mannen en vrouwen (al dan niet gehuwd) strikt gescheiden wonen. De paupers kunnen er door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontginnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht wordt gegeven. Naast ontginningswerkzaamheden is er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telt onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij. Bosch hoopt er geld aan over te houden.

Maar ook hier heeft hij zich op verkeken. De opvang kost veel meer dan gedacht: het contractbedrag is niet voldoende voor de verzorging en de werkzaamheden brengen veel minder op dan waarop hij rekent. Het regiem is streng: "Wie niet werkt zal niet eten". Maar met minimale rantsoenen en slechte medische voorzieningen houdt niemand het loodzware werk lang vol. Het sterftecijfer ligt hoog. Maar ook de lokale overheden en tuchthuizen valt wel wat te verwijten: ze sturen massaal invalide en arbeidsongeschikte bewoners. Vanaf 1827 geldt Ommerschans ook als verpleeginstelling. Voor vrijgelaten bewoners is er intussen weinig perspectief op werk en inkomen, zodat ze na verloop van tijd weer terugkeren. Pas vanaf 1843 is er een gerechtelijke veroordeling nodig voor verwijzing naar de bedelaarskolonie. Tot die tijd is het  mogelijk dat men ten onrechte als bedelaar in de strafkolonie belandt. In 1859 neemt de staat de strafinrichting over en in 1890 wordt hij definitief ontmanteld. Het kerkhof en het kolonistenkerkje zijn het enige wat nog rest van de Ommerschans.

De kinderkolonie

Ook de 3 gestichten in Veenhuizen neemt de Staat in 1859 over. De schulden bedragen op dat moment al meer dan drie en een half miljoen gulden. In onze tijd zou een en ander ongetwijfeld tot een Parlementaire enquête geleid hebben. In deze nog prille democratie kunnen Koning Willem I en Van den Bosch zonder inmenging en medeweten van de Staten Generaal van alles onderling regelen. Steeds opnieuw zijn er tekorten, steeds opnieuw ziet Van den Bosch mogelijkheden en steeds gaan die gepaard met uitbreiding van de opvang, maar steeds opnieuw moet er uiteindelijk toch geld bij.
  
Zo ontstaat ook de kinderkolonie in 1824. Via door de koning uitgevaardigde wetten moeten alle wezen, vondelingen en verlaten kinderen "opgezonden" worden naar Veenhuizen. Plaatselijke weeshuizen krijgen  geen subsidie meer voor de opvang. Grootschalige opvang zal goedkoper zijn en de kinderen kunnen met werken geld inbrengen en een vak leren. Dat is althans de insteek. Er is erg veel verzet, van weeshuizen, maar ook van familieleden en plaatsgenoten, om de kinderen naar zo'n grootschalige opvang in zo'n barre omgeving te sturen. Het lukt niet om de benodigde 4000 kinderen voor de drie gestichten te verwerven.  Veenhuizen 2 verandert al snel in een bedelaarsopvang, Veenhuizen 3 draait enige tijd, maar er mankeert van alles aan het gebouw, teveel kinderen sterven. De overblijvers komen tenslotte terecht in Veenhuizen 1, bij de eerder geplaatste wezen, daar is inmiddels genoeg plek.

Opnieuw vallen de financiële resultaten tegen.  Niet alle kinderen kunnen werken, eten en kleding kosten te veel, er wordt onbarmhartig op bezuinigd. De kritiek neemt toe, de controle van buitenaf ook. Er zijn onbegrepen, ernstige medische problemen. Opnieuw moet er geld bij, veel geld. Maar dan heeft de Staten Generaal inmiddels genoeg macht om een regeringsvertegenwoordiger in het bestuur van de Maatschappij te kunnen plaatsen en controles uit te laten voeren op de financiële toestand. De schrik is groot. De staat neemt de gestichten over,  voor de resterende wezen (dat zijn er niet zo veel meer) zoekt men een nieuwe plek: terug naar het weeshuis van vroeger, kleinschalige opvang in de gezinnen van vrije kolonisten of naar verpleeginrichtingen.

Nazaten

Het lijkt er op dat Wil Schackmann daarmee alles verteld heeft wat er te vertellen valt over de Maatschappij Van Weldadigheid. Maar wij keren na de wandeling toch nog even terug naar het museum om in de zaal van de wisselexposities enkele van de 16 videoportretten te bekijken waarin inwoners vanuit heel verschillende invalshoeken het kolonieverhaal vertellen. Een project dat gerealiseerd moest worden voor het te laat was… Want veel van de geïnterviewden zijn ver boven de zeventig, soms al een eind in de tachtig. Zij weten nog hoe het was, hoe het voelde om te werken en te wonen in de koloniën in Frederiksoord en Wilhelminaoord: vaak gaat hun familiegeschiedenis terug tot de oprichtingstijd van de Maatschappij van Weldadigheid. Verschillende emoties klinken door in de filmpjes: ontzag, waardering, kritiek, weemoed… Maar bovenal spreekt er betrokkenheid uit de beelden. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder andere de zo specifieke kolonietaal, ‘bestedelingen’ (ofwel wezen uit de grote steden die hier bij gezinnen geplaatst werden om verzekerd te zijn van een behoorlijke opvoeding en een betere toekomst). Er komen pachters aan het woord, de koloniedokter, de directeur, een boswachter met een 40-jarige staat van dienst en er is aandacht voor het ontstaan en het reilen en zeilen van twee koloniewinkels.

Mooi om ons bezoek mee af te sluiten, want het was niet allemaal kommer en kwel, zeker niet in de latere periode. Natuurlijk ging er veel mis en ook is de kritiek vaak: wat Van den Bosch deed was een druppel op een gloeiende plaat. Maar het was wel de aanzet tot onze huidige verzorgingsstaat en voor wie het geluk had tot kolonist uitverkoren te worden waren er kansen die vele anderen nooit kregen.

Meer dan 800.000 Nederlanders hebben hun wortels in de koloniën van Weldadigheid, waaronder bekende Nederlanders als Jeltje van Nieuwenhoven, Philip Freriks, Henny van der Most en Alexander Pechtold. Wie het leuk vindt uit te zoeken of, en zo ja, hoe hij/zij verbonden is met de koloniale historie kan de gedigitaliseerde gegevens inzien in het museum. Deze openbare informatie staat ook online bij www.drenlias.nl.

Jannie Trouwborst, oktober 2016.

Ik lees Nederlands 38, 39,40/35.

Deze reportage/recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en deels op Leestafel.

dinsdag 23 januari 2007

Judith Koelemeijer - Het zwijgen van Maria Zachea

Oral history: de vertelde, overgeleverde geschiedenis. Zo wordt het verslag van de interviews die Judith Koelemeijer haar vader en zijn broers en zussen afnam, ook wel genoemd. Toch vond ik het boek in de bibliotheek bij de romans. Het is ook niet echt een geschiedenisboek en het leest als een roman. De gebruikte structuur verdient zonder meer bewondering. Een geslaagd debuut, dat beloond is met Het Gouden Ezelsoor en de NS Publieksprijs.

Eigenlijk kende Judith Koelemeijer haar Oma, Maria Zachea Koelemeijer, niet zo goed. Na een zwaar leven, waarin ze 13 kinderen kreeg, leek ze niet veel belangstelling meer te hebben voor haar 29 kleinkinderen: zij had haar taak volbracht. Kort nadat ze weduwe werd, kreeg ze een hersenbloeding en als ze daarna uit het ziekenhuis komt, wordt ze steeds zwijgzamer, om tenslotte helemaal niet meer te spreken. Overdag wordt ze verzorgd door verpleegsters en ’s avonds en ‘s nachts zorgen de 12 overgebleven kinderen om beurten voor haar, tot ze na 8 jaar overlijdt. De kinderen gingen al jaren hun eigen weg, maar nu brengt hun zieke moeder ze voorlopig weer samen.


Deze zwijgende, oude vrouw intrigeert Judith, net als de zwijgzaamheid binnen haar familie. Ze besluit te proberen de familiegeschiedenis te reconstrueren. Tijdens de vraaggesprekken met haar ooms en tantes ontdekt ze dat ze zich allemaal andere zaken herinneren, of aan dezelfde gebeurtenissen andere herinneringen hebben. Dat ze allemaal een andersoortige band met hun moeder (en vader) hadden en dat ze eigenlijk ook niet veel wisten van elkaar. Al deze interviews zijn door Judith Koelemeijer bewerkt tot één geheel: een goedlopend, bijna spannend verhaal.

De structuur en de stijl die ze daarvoor gekozen heeft, maakt dat het lijkt of je een roman leest. Het verhaal is ingedeeld in 12 hoofdstukken, die steeds de naam dragen van één van de kinderen en die verteld worden vanuit het perspectief van dit kind. Te beginnen bij de oudste en met als laatste de jongste. Elk kind vertelt over zijn of haar jeugd en dromen, de verhouding met ouders en broers en zussen, de start van zijn of haar volwassen leven. Daarnaast vertellen ze over hun aandeel in de verzorging van hun oude moeder, waarbij opvalt dat ook hun veronderstellingen over de reden van haar zwijgen nogal verschillen.

Judith Koelemeijer heeft er voor gekozen elk interview selectief uit te werken. En wel op zo’n manier, dat de chronologie van de familiegeschiedenis bewaard blijft. Net als die van het ziektebed en het lijden van haar grootmoeder. En van de maatschappelijke ontwikkelingen tussen de geboorte van de oudste (geb. in 1934) en het volwassen worden van de jongste (geb. in 1953). De verhaallijnen lopen parallel. In het levensverhaal van elk kind leren we een stukje kennen van de familiegeschiedenis en nemen we daarnaast kennis van de voortschrijdende behoeftigheid van de zieke, zwijgende moeder. En lezen we hoe de maatschappij langzaam verandert, in een kleine geschiedenis van de twintigste eeuw.

Het mysterie van het zwijgen blijft overeind. Elk kind geeft een eigen interpretatie van het zwijgen van de moeder: Moe is gewoon dement door de hersenbloeding, ze kan niet meer praten. Of: Moe is boos, dat we haar naar huis gehaald hebben, dat wilde ze helemaal niet. Of: Moe wil met rust gelaten worden en sterven. Of: Moe kan niet sterven, want ze weet, dat de familie dan uit elkaar valt. Toch moeten deze kinderen tot een gezamenlijk besluit komen, als het lijden van hun moeder tenslotte ondragelijk lijkt te worden.

Maar misschien verwijst de titel ook wel naar het leven van Maria Zachea vòòr de fatale hersenbloeding: een moedige, hard werkende, zorgende vrouw, die weinig sprak, nooit klaagde, altijd probeerde te bemiddelen, te sussen en zichzelf wegcijferde. Zodat we aan het eind van het boek nog steeds niet weten wie Maria Zachea eigenlijk was.

©Jannie Trouwborst, januari 2007

Paperback | 256 Pagina's | Uitgeverij Plataan | 2005
ISBN10: 9058072819 | ISBN13: 9789058072818
Waardering: 8,0