Van pauperparadijs tot strafgevangenis
In 2018 is het 200 jaar geleden dat Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid oprichtte. Zijn plannen zijn ambitieus: door middel van landbouwkolonies op de nog woeste gronden van Drenthe wil hij "den toestand der armen en lagere volksklassen verbeteren" en ze verheffen tot beschaafde burgers. Voor veel zogenaamde kolonisten is alles beter dan de omstandigheden waarin ze op dat moment leven en ze laten zich door (te) mooie verhalen graag overhalen. Ze krijgen een ingerichte woning, kleding en een lapje grond. Ze verplichten zich de kosten daarvan terug te betalen met het werk dat ze verrichten. Hetzij bij de ontginnen van de gronden of in bijvoorbeeld de weverij.
Voor velen blijkt het een uitweg uit de armoede, ondanks het harde werk en de vele tegenslagen die de kolonies in de beginperiode treffen. Maar niet iedereen kan of wil zich voegen naar het strenge regiem dat er heerst. Al snel ontstaat de behoefte aan een plek waar onzedige, onwillige kolonisten kunnen worden afgescheiden van de rest. Hiervoor wordt een "strafkolonie" ingericht: in eerste instantie op de Ommerschans en later, vanwege ruimtegebrek, ook in Veenhuizen.
Het constante geldgebrek van de Maatschappij zorgt voor nieuwe plannen: ook bedelaars en weeskinderen worden opgenomen. Men bouwt er nieuwe, grote complexen voor.
Wil Schackmann schreef over bovenstaande materie al drie boeken: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie. In dit artikel lees je er meer over. In juni verschijnt het vierde en laatste deel: De strafkolonie (1818-1859). De focus ligt in al deze boeken op de mensen die ermee te maken kregen en de jaren vanaf de start van het project tot het moment waarop der Rijksoverheid besluit de gebouwen over te nemen, eind negentiende eeuw.
200 Jaar strafkolonie Veenhuizen
Jan Libbenga besteedt voldoende aandacht aan deze voorgeschiedenis, maar in zijn boek ligt de focus toch meer op de ontwikkeling van het gevangeniswezen. Niet alleen in Veenhuizen maar, mede dankzij de experimenten daar, ook in andere gevangenissen. Zowel in Nederland, als daarbuiten. Zonder De strafkolonie van Schackmann nog gelezen te hebben, is nu al duidelijk dat het twee verschillende, maar elkaar mooi aanvullende boeken zullen zijn.
Opgegroeid in Veenhuizen kende Libbenga zijn woonplaats vooral als het "gevangenisdorp". De hierboven geschetste voorgeschiedenis ontdekt hij pas echt in het Drents archief bij het schrijven van dit boek. Hij maakt er net als Wil Schackmann, dankbaar gebruik van. Maar hij zoekt verder waar Schackmann ophoudt: in de archieven van de Rijksoverheid en dan met name die van Justitie en Sociale Zaken. Diverse andere archieven, zoals die van het Instituut voor Sociale Geschiedenis, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, het Nationaal Archief en dat van de Reclassering geven hem een completer beeld.
De bewoners van het strafkamp
Naast de landlopers en bedelaars, die nog lange tijd opgevangen worden,
komen er kampen voor Jehova's Getuigen en verkeersdelinquenten,
drugsvrije afdelingen en een werkkamp voor jongeren. Veenhuizen krijgt de eerste
Open Gevangenis, waar leren en werken buiten de instelling gecombineerd
worden met de straf. In de Eerste Wereldoorlog dient het als opvang voor Belgische vluchtelingen en vlak voor de Tweede Wereldoorlog voor de uit Duitsland gevluchte Joden. Tijdens beide oorlogen vinden zwarthandelaren en smokkelaars er onderdak en na de oorlog ook NSB'ers
en oorlogsmisdadigers (de Vier van Breda verbleven er). Drugscriminelen,
de Molukse treinkapers en tenslotte zware criminelen die een extra
beveiligde gevangenis noodzakelijk maken, ze komen allemaal aan bod.
Experimenten
Er staan veel nieuwe en interessante feiten over de strafkolonie Veenhuizen in Paupers en Boeven. Zo wordt niet alleen duidelijk hoeveel verschillende soorten gevangenen Veenhuizen gehuisvest heeft, maar ook hoeveel resocialiseringsprojecten er zijn uitgeprobeerd. Welke bewakings- en strafmaatregelen de voorkeur krijgen, hangt af van wisselende maatschappelijke opvattingen over detentie en resocialisatie en de politieke kleur van opeenvolgende kabinetten. Waarop bezuinigd wordt eveneens. Geregeld is er sprake van sluiting, verbouwingen, afstoten, uitbreiden, inkrimp van personeel. Veenhuizen worstelt met het zwalkende beleid van de overheid. Zowel de bewakers als de gevangenen komen meerdere malen in opstand.
Wie de diversiteit ziet van de detineerden in de loop der jaren begrijpt ook wel dat er differentiatie moet zijn in de manier van opvang en behandeling en dat ontwikkelingen op het gebied van de veranderende en toenemende zware criminaliteit om steeds weer andere aanpassingen en maatregelen vragen. Toch ontstaat de indruk dat Veenhuizen langzaam uitgroeide tot een speeltuin van justitie. Soms over de rug van de gevangenen en de bewakers heen.
Toekomst
Libbenga sprak voor zijn boek met ervaringsdeskundigen: ex-gevangenen, (oud-)bewakers en (oud-)directeuren. Na de laatste sluitingsdreiging heeft de tijdelijke opvang van Noorse gevangen voor uitstel gezorgd. En nu wordt sinds 2017 geëxperimenteerd met gezinsgerichte opvang in Esserheem, een van de gevangenisgebouwen in Veenhuizen. Men wil kinderen zo min mogelijk schade laten ondervinden van het feit dat hun vader in de gevangenis zit.
Het laatste woord in het laatste hoofdstuk is aan instellingsdirecteur Marie-Anne de Groot.
"De toekomst van Veenhuizen op langere termijn ziet zij als "Pauperparadijs 3.0". De Groot: "Ik denk dat we steeds meer mengvormen gaan zien van detentie en zorg. Daarbij is het dan in sommige gevallen ook niet meer nodig om mensen achter slot en grendel te zetten. En dan wordt Veenhuizen misschien een dorp als voorheen, waar wonen, detentie en begeleiding gewoon door elkaar lopen.".
Unesco Werelderfgoed?
In juli 2018 zullen we het weten: benoemt de Unesco het Nederlandse Veenhuizen en de koloniedorpen Frederiksoord en Wilheminaoord, samen met het Vlaamse koloniedorp Wortel en het gevangenisdorp Merksplas tot Werelderfgoed? Hoe het ook zij: wie zich verder in deze materie wil verdiepen, kan terecht in het Gevangenismuseum in Veenhuizen en het Koloniemuseum in Frederiksoord. Maar ook dit goed gedocumenteerde en boeiend geschreven boek (voorzien van vele zwart-wit foto's en een uitgebreide literatuurlijst) draagt daar in belangrijke mate aan bij.
Jan Libbenga - Paupers en boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen. Amsterdam, De Kring, 2018. Pb., 288 pg., zwart-wit foto's, index, lit. opg. ISBN:978-94-6297-095-3
© Jannie Trouwborst, mei 2018.
Posts tonen met het label Drenthe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Drenthe. Alle posts tonen
donderdag 31 mei 2018
maandag 16 april 2018
Toon Horsten - Landlopers
200 jaar Maatschappij van Weldadigheid
Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
De nieuw
opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf
6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder.
En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch
inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis
voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
Werelderfgoed van Unesco?
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.
Hollandse en Vlaamse koloniën
Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.
Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.
Vlaamse landlopers
Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten".
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers.
Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.
Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.
Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.
Nog meer lezen?
Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).
Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.
Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!
Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.
© Jannie Trouwborst, april 2018.
Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
Werelderfgoed van Unesco?
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.
Hollandse en Vlaamse koloniën
Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.
Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.
Vlaamse landlopers
Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten".
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers.
Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.
Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.
Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.
Nog meer lezen?
Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).
Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.
Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!
Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.
© Jannie Trouwborst, april 2018.
woensdag 2 november 2016
Wil Schackmann - Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid
"Maar als u voor de blauwe wandelroute kiest, komt u ook langs de koloniehuisjes in Wilhelminaoord, de begraafplaats, het koloniekerkje en het schooltje" legt de vrijwilligster van het Museum De Koloniehof in Frederiksoord (Drenthe) ons uit.
Unesco Werelderfgoed
Wie eenmaal de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid kent en ziet dat er nog zoveel tastbaar en goed onderhoudende erfgoed is overgebleven kan begrijpen dat het in 2011 werd opgenomen op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Unesco. Naast de koloniedorpen gaat het daarbij om de strafinrichtingen van Ommerschans en Veenhuizen en de vestigingen in de "Zuidelijke Nederlanden", want ook daar staan nog monumenten van een koloniedorp (Wortel) en een strafinrichting (Merksplas). Het zou mooi zijn om in het jubileumjaar 2018, als de Maatschappij 200 jaar bestaat, de definitieve status te bereiken.
Maatschappij van Weldadigheid
In 1818 verkeert ons land in grote
armoede. Met name in de steden leeft zo’n 50% van de mensen onder de
armoedegrens. Ze bedelen, stelen en leggen hun kinderen te vondeling. Generaal
Johannes van den Bosch, een vooruitstrevend en sociaal bewogen legerofficier,
ontwikkelt het plan om armenkoloniën te stichten op de woeste, Drentse
zandgronden. Hij krijgt carte blanche van Koning Willem I. Deze koloniën moeten
voorzien in huisvesting, werk, zorg en scholing. Elk gezin dat neerstrijkt, kan
rekenen op een woning met een stuk grond dat bewerkt moet worden. Het bouwen
van de woningen, het ontginnen van de grond en het aanleggen van een wegen- en
afwateringsstelsel gaan snel. De hand van de legerofficier is herkenbaar in het
landschap: rechte paden en lanen, doorsneden door afwateringskanaaltjes,
huisjes op vaste afstanden van elkaar en facilitaire gebouwen op cruciale
punten in de kolonie. Er ontstaat een duurzame zelfvoorzienende gemeenschap,
die haar bewoners de gelegenheid biedt zich te ontworstelen aan de stadse
armoede en die een ziekenfonds (1827) en leerplicht (1819) introduceert.
Tot zover klinkt het goed, maar dat een samenleving toch
minder maakbaar is dan gedacht, moeten Johannes van den Bosch en zijn opvolgers
in de daarop volgende vijftig jaar ontdekken. Grote schulden geven de
genadeklap. Toch bestaat de Maatschappij nog steeds, zij het in een andere
vorm. De staat neemt in 1859 de gestichten in Ommerschans en Veenhuizen over.
De vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord blijven van de
Maatschappij. De kleine landjes worden samengevoegd tot enkele grote bedrijven
en in 1869 maakt de Maatschappij voor het eerst winst op de landbouw. Het
sociale gezicht blijft bestaan: een landbouw-, tuinbouw- en bosbouwschool, een
geneeskundige dienst en vanaf 1893 een eigen complex voor bejaarde kolonisten
(ook dit monument is er nog). Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw
worden de laatste arbeiderskolonisten gewone huurders van de Maatschappij.
Beheer van de landelijke bezittingen, bosbouw en natuurbeheer en sociale
hulpverlening blijven speerpunten.
Drieluik
Wil Schackmann
(1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust
beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de
Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de
Maatschappij (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan
drie forse en degelijke boeken geschreven: De
proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).
"Kortom, als ik het geheel overzie denk ik niet in de eerste plaats "Wat erg was het daar", maar denk ik vooral "Wat ben ik gelukkig dat ik niet toen leefde".
Een andere constante heeft betrekking op de houding van de bestuurders van de Maatschappij: voor kritiek staat men niet open. Misstanden zijn altijd aan anderen of de omstandigheden te wijten. Pas als het niet anders kan door het risico op negatieve publiciteit is men bereid iets te onderzoeken of te veranderen. Maar wel stilzwijgend, om niet toe te hoeven geven dat de kritiek terecht was.
De Proefkolonie
De Proefkolonie
begint met een uitleg van de manier waarop Johannes van de Bosch zijn
ambitieuze plan in de steigers zet en aan zijn beginkapitaal komt. Zijn goede
verstandhouding met Koning Willem I speelt daarbij een grote rol en zal dat in
de toekomst blijven doen. Hij heeft alles van tevoren goed doordacht en
ingewikkelde berekeningen uitgevoerd. Zijn charismatische persoonlijkheid en
dadendrang doen de rest. In januari 1818 wordt de Maatschappij opgericht en in
oktober van datzelfde jaar komen de eerste kolonisten aan op wat dan nog de
proefkolonie heet. En dat die naam goed gekozen is, zal in de daarop volgende
vijf jaar blijken. In 52 huisjes zijn even zo vele gezinnen de proefkonijnen
van de onderneming. Van den Bosch moet ondervinden dat zijn berekeningen weliswaar
zorgvuldig waren, maar op verkeerde uitgangspunten stoelden. Hij hield te
weinig rekening met tegenslagen, onwillige of onbekwame kolonisten, minder
opbrengsten o.a. door een te kleine lap grond per inwoner, gebrek aan mest en
zelfs de beperkte kennis van landbouw op arme gronden bij het management van de
onderneming.
De reglementen moeten steeds verder aangescherpt worden om
iedereen in het gareel te houden en de zgn. vrije kolonisten ondervinden een
steeds grotere beperking van hun vrijheid. Weg kunnen ze niet: de inrichting
van het huisje, de koloniekleding en de pacht van de grond hebben ze als lening
ontvangen en moeten ze eerst terugverdienen. Van den Bosch acht een
strafinrichting nodig. Van de Koning
krijgt hij de Ommerschans toegewezen.
Alles draait om inkomsten om de boel draaiende te houden.
Hij blijft geloven in een uiteindelijk positieve uitkomst, gaat gewoon door met
het opzetten van nieuwe koloniën in de omgeving (50 woningen in 1819, 100 in
1820, 100 in 1821) en regelt via de koning een contract voor de opvang van
bedelaars en landlopers in Ommerschans (1822). In 1823 wordt Veenhuizen 1
opgeleverd voor de opvang van wezen en in 1824 nog twee gestichten met dat
doel. Ook daarin speelde de koning een grote rol, zoals uitgebreider beschreven
wordt in De Kinderkolonie.
De bedelaarskolonie
Bij de strafkolonie Ommerschans (1819) bouwt de Maatschappij
een bedelaarsgesticht(1822) in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter.
Deze biedt aanvankelijk plaats aan 1000 personen waarbij mannen en vrouwen (al
dan niet gehuwd) strikt gescheiden wonen. De paupers kunnen er door hard te
werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontginnen het land, dat vervolgens aan
succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht wordt gegeven. Naast
ontginningswerkzaamheden is er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telt
onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden-
en klompenmakerij. Bosch hoopt er geld aan over te houden.
Maar ook hier heeft hij zich op verkeken. De opvang kost
veel meer dan gedacht: het contractbedrag is niet voldoende voor de verzorging
en de werkzaamheden brengen veel minder op dan waarop hij rekent. Het regiem is
streng: "Wie niet werkt zal niet eten". Maar met minimale rantsoenen
en slechte medische voorzieningen houdt niemand het loodzware werk lang vol.
Het sterftecijfer ligt hoog. Maar ook de lokale overheden en tuchthuizen valt
wel wat te verwijten: ze sturen massaal invalide en arbeidsongeschikte
bewoners. Vanaf 1827 geldt Ommerschans ook als verpleeginstelling. Voor
vrijgelaten bewoners is er intussen weinig perspectief op werk en inkomen,
zodat ze na verloop van tijd weer terugkeren. Pas vanaf 1843 is er een gerechtelijke
veroordeling nodig voor verwijzing naar de bedelaarskolonie. Tot die tijd is
het mogelijk dat men ten onrechte als
bedelaar in de strafkolonie belandt. In 1859 neemt de staat de strafinrichting
over en in 1890 wordt hij definitief ontmanteld. Het kerkhof en het
kolonistenkerkje zijn het enige wat nog rest van de Ommerschans.
De kinderkolonie
Ook de 3 gestichten in Veenhuizen neemt de Staat in 1859
over. De schulden bedragen op dat moment al meer dan drie en een half miljoen
gulden. In onze tijd zou een en ander ongetwijfeld tot een Parlementaire
enquête geleid hebben. In deze nog prille democratie kunnen Koning Willem I en
Van den Bosch zonder inmenging en medeweten van de Staten Generaal van alles
onderling regelen. Steeds opnieuw zijn er tekorten, steeds opnieuw ziet Van den
Bosch mogelijkheden en steeds gaan die gepaard met uitbreiding van de opvang,
maar steeds opnieuw moet er uiteindelijk toch geld bij.
Zo ontstaat ook de kinderkolonie in 1824. Via door de koning
uitgevaardigde wetten moeten alle wezen, vondelingen en verlaten kinderen "opgezonden"
worden naar Veenhuizen. Plaatselijke weeshuizen krijgen geen subsidie meer voor de opvang.
Grootschalige opvang zal goedkoper zijn en de kinderen kunnen met werken geld
inbrengen en een vak leren. Dat is althans de insteek. Er is erg veel verzet,
van weeshuizen, maar ook van familieleden en plaatsgenoten, om de kinderen naar
zo'n grootschalige opvang in zo'n barre omgeving te sturen. Het lukt niet om de
benodigde 4000 kinderen voor de drie gestichten te verwerven. Veenhuizen 2 verandert al snel in een
bedelaarsopvang, Veenhuizen 3 draait enige tijd, maar er mankeert van alles aan
het gebouw, teveel kinderen sterven. De overblijvers komen tenslotte terecht in
Veenhuizen 1, bij de eerder geplaatste wezen, daar is inmiddels genoeg plek.
Opnieuw vallen de financiële resultaten tegen. Niet alle kinderen kunnen werken, eten en
kleding kosten te veel, er wordt onbarmhartig op bezuinigd. De kritiek neemt
toe, de controle van buitenaf ook. Er zijn onbegrepen, ernstige medische
problemen. Opnieuw moet er geld bij, veel geld. Maar dan heeft de Staten
Generaal inmiddels genoeg macht om een regeringsvertegenwoordiger in het
bestuur van de Maatschappij te kunnen plaatsen en controles uit te laten voeren
op de financiële toestand. De schrik is groot. De staat neemt de gestichten
over, voor de resterende wezen (dat zijn
er niet zo veel meer) zoekt men een nieuwe plek: terug naar het weeshuis van
vroeger, kleinschalige opvang in de gezinnen van vrije kolonisten of naar verpleeginrichtingen.
Nazaten
Het lijkt er op dat Wil Schackmann daarmee alles verteld
heeft wat er te vertellen valt over de Maatschappij Van Weldadigheid. Maar wij
keren na de wandeling toch nog even terug naar het museum om in de zaal van de
wisselexposities enkele van de 16 videoportretten te bekijken waarin inwoners
vanuit heel verschillende invalshoeken het kolonieverhaal vertellen. Een
project dat gerealiseerd moest worden voor het te laat was… Want veel van de
geïnterviewden zijn ver boven de zeventig, soms al een eind in de tachtig. Zij
weten nog hoe het was, hoe het voelde om te werken en te wonen in de koloniën
in Frederiksoord en Wilhelminaoord: vaak gaat hun familiegeschiedenis terug tot
de oprichtingstijd van de Maatschappij van Weldadigheid. Verschillende emoties
klinken door in de filmpjes: ontzag, waardering, kritiek, weemoed… Maar bovenal
spreekt er betrokkenheid uit de beelden. Onderwerpen die aan de orde komen zijn
onder andere de zo specifieke kolonietaal, ‘bestedelingen’ (ofwel wezen uit de
grote steden die hier bij gezinnen geplaatst werden om verzekerd te zijn van
een behoorlijke opvoeding en een betere toekomst). Er komen pachters aan het
woord, de koloniedokter, de directeur, een boswachter met een 40-jarige staat
van dienst en er is aandacht voor het ontstaan en het reilen en zeilen van twee
koloniewinkels.
Mooi om ons bezoek mee af te sluiten, want het was niet
allemaal kommer en kwel, zeker niet in de latere periode. Natuurlijk ging er
veel mis en ook is de kritiek vaak: wat Van den Bosch deed was een druppel op
een gloeiende plaat. Maar het was wel de aanzet tot onze huidige
verzorgingsstaat en voor wie het geluk had tot kolonist uitverkoren te worden
waren er kansen die vele anderen nooit kregen.
Meer dan 800.000 Nederlanders hebben hun wortels in de
koloniën van Weldadigheid, waaronder bekende Nederlanders als Jeltje van
Nieuwenhoven, Philip Freriks, Henny van der Most en Alexander Pechtold. Wie het
leuk vindt uit te zoeken of, en zo ja, hoe hij/zij verbonden is met de
koloniale historie kan de gedigitaliseerde gegevens inzien in het museum. Deze
openbare informatie staat ook online bij www.drenlias.nl.
Jannie Trouwborst, oktober 2016.
Ik lees Nederlands 38, 39,40/35.
Deze reportage/recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en deels op Leestafel.
Abonneren op:
Posts (Atom)




