Werelderfgoed
Het kan haast niet meer mis gaan: dit jaar (2020) valt de uiteindelijke beslissing of de Koloniën van Weldadigheid vanwege hun unieke cultuurhistorische waarde geplaatst zullen worden op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Een groot aantal jaren van keihard werken voor deze erkenning zijn daar dan aan vooraf gegaan. Met als sluitstuk op opening van een nieuw en aantrekkelijk museum in Frederiksoord. Ondertussen zijn ze ook voorgedragen bij de Europese Commissie voor de titel Europees Erfgoedlabel. Dat gebeurt natuurlijk niet zomaar. Toch genieten de Maatschappij van Weldadigheid en haar Koloniën hier in Nederland (en wellicht in Vlaanderen) nog niet veel bekendheid. En dat is jammer. Er zijn al heel wat boeken verschenen over zowel de Koloniën als de bijbehorende Strafinrichtingen, ook over die in Vlaanderen (zie literatuurlijst hieronder). Nu is daar een wandelgids aan toegevoegd.
Weldadig wandelen
Het duo Rob Wolfs en Wim Huijser heeft er een prachtig boekje van gemaakt. Rob is een kei in het ontwerpen van wandelingen over (zoveel mogelijk) onverharde paden en Wim is publicist en vervend wandelaar. Het heeft geresulteerd in een gids met veel relevante achtergrondinformatie, zowel over de Maatschappij van Weldadigheid in het algemeen als over de afzonderlijke koloniën en strafinrichtingen. Het is dus behalve een gids om te wandelen, een prima inleiding om meer te weten te komen over dit onderwerp.
Alle koloniedorpen en de strafinrichtingen hebben een eigen wandeling gekregen. Zes daarvan in Nederland en twee in Vlaanderen. Per wandeling: een inleiding, een kaartje met de route en met nummers die verwijzen naar verdere relevante informatie met foto's. En tenslotte een routebeschrijving. De beperking van een geschreven gids bij het soms noodzakelijk wijzigen van de route, geldt voor deze gids niet. De wandeling wordt geregeld gecontroleerd en aangepast op de Wandelzoekpagina.nl, waar ook de gratis GPS-files te vinden zijn.
Een complete beleving
Voor je op pad gaat, is het dus verstandig de laatste versie daar op te zoeken en de GPS-files te downloaden. Maar voor wie naast het wandelen in deze mooie omgeving ook nog iets op wil steken van een belangrijk cultuur-historisch onderwerp, is deze wandelgids een must. Ik hoop dat hij bij zal dragen aan meer bekendheid over de Maatschappij van Weldadigheid en begrip zal kweken voor het feit dat de (verwachte) plaatsing op de Werelderfgoedlijst terecht is. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat hij bij zal dragen aan het wandelplezier in deze omgeving.
De beschreven wandelingen (13-18 km) betreffen:
Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Boschoord, Ommerschans, Veenhuizen, Merksplas en Wortel.
Wim Huijser en Rob Wolfs - Weldadig wandelen. Arnhem, Gegarandeerdonregelmatig, 2019. Pb, 144 pg., krtn, kleurenfoto's, lit. opg. ISBN: 978-9078-641759.
© Jannie Trouwborst, januari 2019.
Meer lezen over dit onderwerp? Zie mijn blogs onder deze verzamellink: Maatschappij van Weldadigheid.
Posts tonen met het label Maatschappij van Weldadigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maatschappij van Weldadigheid. Alle posts tonen
vrijdag 17 januari 2020
dinsdag 3 december 2019
Angelie Sens - De kolonieman
Dat de cultuur- en pershistoricus Angelie Sens de biografie van Johannes van den Bosch (1780-1844) de titel De kolonieman heeft gegeven, zal niemand verbazen. Wie geïnteresseerd is in de sociale geschiedenis van Nederland kent
zijn naam als de oprichter van de Maatschappij van
Weldadigheid. Hij is de bedenker van de landbouwkoloniën in Drenthe
(Frederiksoord, Wilhelminaoord, Boschoord en Willemsoord) en in
Vlaanderen (Wortel) en de gestichten van Veenhuizen en Ommerschans en
Merksplas (Vlaanderen). Met de bedoeling de uitzichtloze armoede
van vele gezinnen in de grote, verpauperde steden van Nederland en
Vlaanderen op te lossen en deze mensen weer een perspectief te bieden.
Dat hij destijds daarnaast een belangrijke, invloedrijke en daadkrachtige bestuurder was die in opdracht van de Nederlandse regering en Koning Willem I zijn stempel op nog veel meer indrukwekkende projecten in de overzeese koloniën drukte, is minder bekend. Het beeld dat Angelie Sens in deze biografie van hem schetst, toont aan dat de koloniën in Nederland en Vlaanderen slechts een klein deel van zijn belangrijkste wapenfeiten vormen.
Bij het verzamelen van de gegevens voor deze biografie bleek dat het moeilijk was om de persoon Johannes van den Bosch te beschrijven. Er zijn weinig persoonlijke documenten te vinden. Zakelijke correspondentie, artikelen en boeken van zijn hand zijn er genoeg. Verhalen van anderen en de (logische) veronderstellingen van de schrijfster moeten zijn persoon een beetje invullen. Toch is het gelukt een beeld te geven van zijn gedrevenheid, intelligentie en vasthoudendheid (tot het koppige aan toe).
In zijn 45-jarige carrière wendt Johannes van den Bosch als visionair militair, bestuurder, econoom en staatsman op doortastende wijze zijn geestelijke veerkracht en talenten aan bij de opbouw van het Nederlandse imperium onder de nieuwe koning Willem I. Van de onderwerpen die naast de Maatschappij van Weldadigheid en haar koloniën aan bod komen, zijn de belangrijkste: de (bijna-) afschaffing van de slavernij in Suriname en het invoeren van het Kultuurstelsel in de Indische Archipel. Hoewel hij nu nog voornamelijk bekend is door de Koloniën in Nederland en Vlaanderen, blijkt Johannes van den Bosch daar minder tijd doorgebracht te hebben dan in Indië en Suriname.
De rode draad in het denken en handelen van Johannes van den Bosch was de economische en sociale verheffing van zowel de armen in Nederland en de boeren in de Javaanse dessa's, als de slaven op de Surinaamse plantages. Toch pakte het niet allemaal even goed uit. Dat maakt hem tot een omstreden figuur. In het slothoofdstuk kaart Angelie Sens deze tweespalt aan: de wegbereider van de verzorgingsstaat, met in de Nederlandse koloniën leerplicht voor kinderen tot 12 jaar en een verplicht ziekenfonds voordat dat woord was uitgevonden, maar ook de bedenker van een een onderdrukkend systeem op Java dat hij pragmatisch bleef uitvoeren, ook toen dat ten koste van de betrokken ging.
Behalve een biografie van een invloedrijk man schetst Angelie Sens in De kolonieman tegelijkertijd een uitgebreid beeld van een tijdperk dat een kantelpunt vormt naar de moderne samenleving. Al speelt Johannes van den Bosch uiteraard de hoofdrol in de biografie, toch geeft de schrijfster daarnaast ruim aandacht aan de omstandigheden in de toenmalige maatschappij (zowel in Nederland als in de overzeese koloniën) en aan andere personen die in deze turbulente periode een belangrijke rol speelden.
200 Jaar geleden werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht (1818). De kans is groot dat in 2020 de Koloniën van Weldadigheid in Nederland en België op de Unesco Werelderfgoedlijst geplaatst gaan worden. Het museum in Frederiksoord is helemaal vernieuwd. Er is dus momenteel erg veel aandacht voor Van den Bosch als sociaal hervormer pur sang en wegbereider van de moderne verzorgingsstaat. Er gaan zelfs stemmen op een standbeeld voor hem op te richten. Daarom is het goed dat in deze uitgebreid biografie álle aspecten van zijn levenswerk aan bod komen. Zodat geïnteresseerde lezers zelf een oordeel kunnen vormen.
Dit omvangrijke, gebonden boek bevat 18 pagina's met kleurenfoto's, de stamboom van de familie van den Bosch, de tijdlijn van zijn leven, een personenregister en een honderdtal bladzijden met noten, geraadpleegde bronnen en literatuuropgaven. Deze wetenschappelijke uitgave is door de prettige schrijfstijl van Angelie Sens een genoegen om te lezen.
De kolonieman - Johannes van den Bosch 1780 - 1844 - volksverheffer in naam van de koning. Amsterdam, Balans, 2019. Geb., 477 pg., ills., lit.opg. reg. ISBN:97894 600 3891 4
© Jannie Trouwborst, december 2019.
Dat hij destijds daarnaast een belangrijke, invloedrijke en daadkrachtige bestuurder was die in opdracht van de Nederlandse regering en Koning Willem I zijn stempel op nog veel meer indrukwekkende projecten in de overzeese koloniën drukte, is minder bekend. Het beeld dat Angelie Sens in deze biografie van hem schetst, toont aan dat de koloniën in Nederland en Vlaanderen slechts een klein deel van zijn belangrijkste wapenfeiten vormen.
Bij het verzamelen van de gegevens voor deze biografie bleek dat het moeilijk was om de persoon Johannes van den Bosch te beschrijven. Er zijn weinig persoonlijke documenten te vinden. Zakelijke correspondentie, artikelen en boeken van zijn hand zijn er genoeg. Verhalen van anderen en de (logische) veronderstellingen van de schrijfster moeten zijn persoon een beetje invullen. Toch is het gelukt een beeld te geven van zijn gedrevenheid, intelligentie en vasthoudendheid (tot het koppige aan toe).
In zijn 45-jarige carrière wendt Johannes van den Bosch als visionair militair, bestuurder, econoom en staatsman op doortastende wijze zijn geestelijke veerkracht en talenten aan bij de opbouw van het Nederlandse imperium onder de nieuwe koning Willem I. Van de onderwerpen die naast de Maatschappij van Weldadigheid en haar koloniën aan bod komen, zijn de belangrijkste: de (bijna-) afschaffing van de slavernij in Suriname en het invoeren van het Kultuurstelsel in de Indische Archipel. Hoewel hij nu nog voornamelijk bekend is door de Koloniën in Nederland en Vlaanderen, blijkt Johannes van den Bosch daar minder tijd doorgebracht te hebben dan in Indië en Suriname.
De rode draad in het denken en handelen van Johannes van den Bosch was de economische en sociale verheffing van zowel de armen in Nederland en de boeren in de Javaanse dessa's, als de slaven op de Surinaamse plantages. Toch pakte het niet allemaal even goed uit. Dat maakt hem tot een omstreden figuur. In het slothoofdstuk kaart Angelie Sens deze tweespalt aan: de wegbereider van de verzorgingsstaat, met in de Nederlandse koloniën leerplicht voor kinderen tot 12 jaar en een verplicht ziekenfonds voordat dat woord was uitgevonden, maar ook de bedenker van een een onderdrukkend systeem op Java dat hij pragmatisch bleef uitvoeren, ook toen dat ten koste van de betrokken ging.
Behalve een biografie van een invloedrijk man schetst Angelie Sens in De kolonieman tegelijkertijd een uitgebreid beeld van een tijdperk dat een kantelpunt vormt naar de moderne samenleving. Al speelt Johannes van den Bosch uiteraard de hoofdrol in de biografie, toch geeft de schrijfster daarnaast ruim aandacht aan de omstandigheden in de toenmalige maatschappij (zowel in Nederland als in de overzeese koloniën) en aan andere personen die in deze turbulente periode een belangrijke rol speelden.
200 Jaar geleden werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht (1818). De kans is groot dat in 2020 de Koloniën van Weldadigheid in Nederland en België op de Unesco Werelderfgoedlijst geplaatst gaan worden. Het museum in Frederiksoord is helemaal vernieuwd. Er is dus momenteel erg veel aandacht voor Van den Bosch als sociaal hervormer pur sang en wegbereider van de moderne verzorgingsstaat. Er gaan zelfs stemmen op een standbeeld voor hem op te richten. Daarom is het goed dat in deze uitgebreid biografie álle aspecten van zijn levenswerk aan bod komen. Zodat geïnteresseerde lezers zelf een oordeel kunnen vormen.
Dit omvangrijke, gebonden boek bevat 18 pagina's met kleurenfoto's, de stamboom van de familie van den Bosch, de tijdlijn van zijn leven, een personenregister en een honderdtal bladzijden met noten, geraadpleegde bronnen en literatuuropgaven. Deze wetenschappelijke uitgave is door de prettige schrijfstijl van Angelie Sens een genoegen om te lezen.
De kolonieman - Johannes van den Bosch 1780 - 1844 - volksverheffer in naam van de koning. Amsterdam, Balans, 2019. Geb., 477 pg., ills., lit.opg. reg. ISBN:97894 600 3891 4
© Jannie Trouwborst, december 2019.
maandag 30 juli 2018
Wil Schackmann - De Strafkolonie
Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
De Strafkolonie
De Strafkolonie vormt het sluitstuk van een 4-delige serie over de instellingen van de Maatschappij. Eerder verschenen van de hand van Wil Schackmann De Proefkolonie (2006), de Bedelaarskolonie (2013) en de Kinderkolonie (2016). Voor een eerder artikel over deze drie boeken KLIK HIER.
Bij het beschrijven van de instellingen van de Maatschappij moet onderscheid gemaakt worden tussen de zgn. Vrije koloniën (Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord) en de Gestichten (Ommerschans en Veenhuizen). In principe waren de kolonisten (anders dan de bedelaars en de wezen) vrije mensen. Ze kwamen vrijwillig na uitgekozen te zijn door instellingen in hun gemeente. Maar bij de aanvaarding van hun volledig ingerichte koloniehuisje met een stukje land en de verplicht te dragen kleding, tekenden ze een contract waarin stond dat alles terugbetaald moest worden via de verdiensten op het land of in bijvoorbeeld de weverij.
Hoewel het de bedoeling was dat de Vrije koloniën zichzelf konden bedruipen, werd al snel duidelijk dat dat niet ging lukken. Om aan voldoende inkomsten te komen sloot de Maatschappij contracten af met gemeenten om tegen betaling bedelaars en landlopers en later ook wezen op te vangen in de Gestichten Ommerschans en Veenhuizen. De bedelaars en de wezen zaten opgesloten en konden niet zelf bepalen wanneer ze weer vertrokken. Voor hen gold een gevangenisregiem.
Verzedelijking en beschaven
De ondertitel van het boek luidt: Verzedelijken en beschaven in de Koloniën van Weldadigheid, 1818-1859. Dat wezen opgevoed moesten worden en dat van bedelaars en dronkaards niet zonder straf en begeleiding betere mensen gemaakt konden worden, lag voor de hand. Dat echter niet alle "vrije kolonisten" zich dankbaar, gehoorzaam en welwillend op wilden stellen, was een verrassing en een tegenvaller voor Van den Bosch. Bovendien viel ook het drankmisbruik, de onzedelijkheid en criminaliteit hem tegen. Hij ziet zich genoodzaakt tot controle en het opstellen van reglementen (die soms wel heel ver gaan en ingrijpen op elke vorm van privacy) en het instellen van instituten die bij overtreding van de regelmenten straf op kunnen leggen.
Maar ook voor belonen is plaats: wie zich als een voorbeeldige kolonist gedraagt kan opklimmen tot hoevenaar: een vrije boer op een grotere hoeve of toetreden tot het personeel van de Maatschappij, in de bewaking of als boekhouder of onderwijzer bijvoorbeeld.
Verbanning naar de Strafkolonie
De kolonisten konden veroordeeld worden tot een paar dagen opsluiting, inhouding van voedsel of betalen van een boete. Maar voor ernstiger vergrijpen zijn andere maatregelen nodig. Dat wordt verbanning uit de kolonie en plaatsing in de Strafkolonie, eerst in Ommerschans, later ook in Veenhuizen. Hoewel ze in dezelfde gebouwen verblijven, waakt men er wel voor dat de kolonisten niet in aanraking komen met de bedelaars en landlopers. Eenmaal per jaar wordt gekeken hoe de veroordeelden zich gedragen hebben en of terugkeer naar de kolonie mogelijk is. Voor sommigen is dat na een jaar, voor anderen pas na 14 jaar. En er moet daar net zo hard gewerkt worden als in de koloniedorpen, zo niet harder.
Het valt op dat het regiem in de Vrije Koloniën steeds strenger wordt en dat het tuchtrecht op een onrechtvaardige manier wordt toegepast: verzachtende omstandigheden worden niet meegewogen en er is duidelijk sprake van "klassenjustitie". Bovendien onttrekt de koloniale rechtspraak zich aan de van overheidswege geldende wetten en regels. Schackmann geeft tal van schrijnende voorbeelden van onrechtvaardige en kille veroordelingen die niet voldoen aan de basis van de rechtspraak: bewijs van schuld.
Wat iedereen allang zag aankomen, gebeurt: in 1859 gaat de Maatschappij failliet. De overheid grijpt in omdat ze geregeld veel moet bijpassen. Het Rijk neemt de Gestichten Ommerschans en Veenhuizen over. Ommerschans wordt in 1890 gesloten en Veenhuizen wordt omgevormd tot gevangenis.
De Maatschappij houdt haar Vrije Koloniën over. Maar zit nu wel met een probleem: onwillige kolonisten naar de Strafkolonie sturen is niet langer mogelijk. Aanvankelijk gaat men nog wel achter weglopers aan, maar geeft het uiteindelijk op. Zodat er tenslotte in de Vrije koloniën vooral mensen wonen die daar willen blijven en hun inkomen er kunnen verdienen.
Het resultaat
Is het beschavingsoffensief uiteindelijk geslaagd? Gezegd moet worden dat de meeste kolonisten zich redelijk goed gedroegen, dat velen eieren voor hun geld kozen, maar dat er toch ook een deel overbleef dat onverbeterlijk was. Leven in een kolonie was ook niet gemakkelijk, maar wie uiteindelijk zijn schuld afbetaalde en echt vrij was om te boeren in zijn koloniewoning of hoeve of een baantje bij de Maatschappij te vinden kon tevreden zijn met de gekregen kans. Nazaten daarvan wonen en werken vaak nog steeds in deze omgeving.
Een levendig beeld
Net als in zijn andere boeken, beschrijft Schackmann uitgebreid de lotgevallen van specifieke koloniebewoners. Waartoe werden ze veroordeeld? Wat deden ze fout? Konden ze zich wel verweren? In hoeverre was er sprake van een rechtvaardige rechtspraak? Verzachtende omstandigheden, waarom telden die zelden mee? Hoe schrijnend zijn de verhalen van hele gezinnen die voor onbepaalde tijd naar de strafkolonie worden gestuurd, omdat vader iets fout heeft gedaan. En al komt de hele formele geschiedenis van de strafkolonie nauwkeurig aan bod, wat zich daar heeft afgespeeld op individueel niveau begrijp je pas echt via de levensverhalen van de bewoners. Je zou zeggen dat er in het uitgebreide archief van de Maatschappij voldoende voorhanden is om over enkele van hen een boeiende historische roman te schrijven. De meeste romans die tot nog toe over de bewoners van de instellingen van de Maatschappij geschreven zijn, gaan alleen over de periode na 1859 en over Veenhuizen.
Hiermee sluit Wil Schackmann zijn non-fictie serie over de koloniën en instellingen van de Maatschappij af. Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van Veenhuizen (dat nog altijd als gevangenis bestaat), vooral na de overname van de Gestichten door het Rijk, kan terecht bij Jan Libbenga. Hij schreef er een apart boek over: Paupers en boeven (KLIK HIER) 200 jaar Veenhuizen. Met veel aandacht voor de ontwikkeling van het Gevangeniswezen tot aan de dag van vandaag.
De vier boeken van Wil Schackman beschrijven op fascinerende wijze een belangrijke periode van onze geschiedenis. Waarvan nog voldoende over is om er een aanvraag voor in te dienen bij de Unesco om erkend te worden als Werelderfgoed. Dit jaar lukte dat net niet, maar met wat aanwijzingen van de jury moet het volgend jaar lukken! Alle tijd om je vast in te lezen.
Wil Schackmann - De Strafkolonie. Amsterdam, Atlas contact, 2018. Pb., ills., 342 pg., bijl., kaarten, naamregisters. ISBN:978-90-450-3611-3.
© Jannie Trouwborst, juli 2018.
De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
De Strafkolonie
De Strafkolonie vormt het sluitstuk van een 4-delige serie over de instellingen van de Maatschappij. Eerder verschenen van de hand van Wil Schackmann De Proefkolonie (2006), de Bedelaarskolonie (2013) en de Kinderkolonie (2016). Voor een eerder artikel over deze drie boeken KLIK HIER.
Bij het beschrijven van de instellingen van de Maatschappij moet onderscheid gemaakt worden tussen de zgn. Vrije koloniën (Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord) en de Gestichten (Ommerschans en Veenhuizen). In principe waren de kolonisten (anders dan de bedelaars en de wezen) vrije mensen. Ze kwamen vrijwillig na uitgekozen te zijn door instellingen in hun gemeente. Maar bij de aanvaarding van hun volledig ingerichte koloniehuisje met een stukje land en de verplicht te dragen kleding, tekenden ze een contract waarin stond dat alles terugbetaald moest worden via de verdiensten op het land of in bijvoorbeeld de weverij.
Hoewel het de bedoeling was dat de Vrije koloniën zichzelf konden bedruipen, werd al snel duidelijk dat dat niet ging lukken. Om aan voldoende inkomsten te komen sloot de Maatschappij contracten af met gemeenten om tegen betaling bedelaars en landlopers en later ook wezen op te vangen in de Gestichten Ommerschans en Veenhuizen. De bedelaars en de wezen zaten opgesloten en konden niet zelf bepalen wanneer ze weer vertrokken. Voor hen gold een gevangenisregiem.
Verzedelijking en beschaven
De ondertitel van het boek luidt: Verzedelijken en beschaven in de Koloniën van Weldadigheid, 1818-1859. Dat wezen opgevoed moesten worden en dat van bedelaars en dronkaards niet zonder straf en begeleiding betere mensen gemaakt konden worden, lag voor de hand. Dat echter niet alle "vrije kolonisten" zich dankbaar, gehoorzaam en welwillend op wilden stellen, was een verrassing en een tegenvaller voor Van den Bosch. Bovendien viel ook het drankmisbruik, de onzedelijkheid en criminaliteit hem tegen. Hij ziet zich genoodzaakt tot controle en het opstellen van reglementen (die soms wel heel ver gaan en ingrijpen op elke vorm van privacy) en het instellen van instituten die bij overtreding van de regelmenten straf op kunnen leggen.
Maar ook voor belonen is plaats: wie zich als een voorbeeldige kolonist gedraagt kan opklimmen tot hoevenaar: een vrije boer op een grotere hoeve of toetreden tot het personeel van de Maatschappij, in de bewaking of als boekhouder of onderwijzer bijvoorbeeld.
Verbanning naar de Strafkolonie
De kolonisten konden veroordeeld worden tot een paar dagen opsluiting, inhouding van voedsel of betalen van een boete. Maar voor ernstiger vergrijpen zijn andere maatregelen nodig. Dat wordt verbanning uit de kolonie en plaatsing in de Strafkolonie, eerst in Ommerschans, later ook in Veenhuizen. Hoewel ze in dezelfde gebouwen verblijven, waakt men er wel voor dat de kolonisten niet in aanraking komen met de bedelaars en landlopers. Eenmaal per jaar wordt gekeken hoe de veroordeelden zich gedragen hebben en of terugkeer naar de kolonie mogelijk is. Voor sommigen is dat na een jaar, voor anderen pas na 14 jaar. En er moet daar net zo hard gewerkt worden als in de koloniedorpen, zo niet harder.
Het valt op dat het regiem in de Vrije Koloniën steeds strenger wordt en dat het tuchtrecht op een onrechtvaardige manier wordt toegepast: verzachtende omstandigheden worden niet meegewogen en er is duidelijk sprake van "klassenjustitie". Bovendien onttrekt de koloniale rechtspraak zich aan de van overheidswege geldende wetten en regels. Schackmann geeft tal van schrijnende voorbeelden van onrechtvaardige en kille veroordelingen die niet voldoen aan de basis van de rechtspraak: bewijs van schuld.
Wat iedereen allang zag aankomen, gebeurt: in 1859 gaat de Maatschappij failliet. De overheid grijpt in omdat ze geregeld veel moet bijpassen. Het Rijk neemt de Gestichten Ommerschans en Veenhuizen over. Ommerschans wordt in 1890 gesloten en Veenhuizen wordt omgevormd tot gevangenis.
De Maatschappij houdt haar Vrije Koloniën over. Maar zit nu wel met een probleem: onwillige kolonisten naar de Strafkolonie sturen is niet langer mogelijk. Aanvankelijk gaat men nog wel achter weglopers aan, maar geeft het uiteindelijk op. Zodat er tenslotte in de Vrije koloniën vooral mensen wonen die daar willen blijven en hun inkomen er kunnen verdienen.
Het resultaat
Is het beschavingsoffensief uiteindelijk geslaagd? Gezegd moet worden dat de meeste kolonisten zich redelijk goed gedroegen, dat velen eieren voor hun geld kozen, maar dat er toch ook een deel overbleef dat onverbeterlijk was. Leven in een kolonie was ook niet gemakkelijk, maar wie uiteindelijk zijn schuld afbetaalde en echt vrij was om te boeren in zijn koloniewoning of hoeve of een baantje bij de Maatschappij te vinden kon tevreden zijn met de gekregen kans. Nazaten daarvan wonen en werken vaak nog steeds in deze omgeving.
Een levendig beeld
Net als in zijn andere boeken, beschrijft Schackmann uitgebreid de lotgevallen van specifieke koloniebewoners. Waartoe werden ze veroordeeld? Wat deden ze fout? Konden ze zich wel verweren? In hoeverre was er sprake van een rechtvaardige rechtspraak? Verzachtende omstandigheden, waarom telden die zelden mee? Hoe schrijnend zijn de verhalen van hele gezinnen die voor onbepaalde tijd naar de strafkolonie worden gestuurd, omdat vader iets fout heeft gedaan. En al komt de hele formele geschiedenis van de strafkolonie nauwkeurig aan bod, wat zich daar heeft afgespeeld op individueel niveau begrijp je pas echt via de levensverhalen van de bewoners. Je zou zeggen dat er in het uitgebreide archief van de Maatschappij voldoende voorhanden is om over enkele van hen een boeiende historische roman te schrijven. De meeste romans die tot nog toe over de bewoners van de instellingen van de Maatschappij geschreven zijn, gaan alleen over de periode na 1859 en over Veenhuizen.
Hiermee sluit Wil Schackmann zijn non-fictie serie over de koloniën en instellingen van de Maatschappij af. Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van Veenhuizen (dat nog altijd als gevangenis bestaat), vooral na de overname van de Gestichten door het Rijk, kan terecht bij Jan Libbenga. Hij schreef er een apart boek over: Paupers en boeven (KLIK HIER) 200 jaar Veenhuizen. Met veel aandacht voor de ontwikkeling van het Gevangeniswezen tot aan de dag van vandaag.
De vier boeken van Wil Schackman beschrijven op fascinerende wijze een belangrijke periode van onze geschiedenis. Waarvan nog voldoende over is om er een aanvraag voor in te dienen bij de Unesco om erkend te worden als Werelderfgoed. Dit jaar lukte dat net niet, maar met wat aanwijzingen van de jury moet het volgend jaar lukken! Alle tijd om je vast in te lezen.
Wil Schackmann - De Strafkolonie. Amsterdam, Atlas contact, 2018. Pb., ills., 342 pg., bijl., kaarten, naamregisters. ISBN:978-90-450-3611-3.
© Jannie Trouwborst, juli 2018.
donderdag 31 mei 2018
Jan Libbenga - Paupers en boeven
Van pauperparadijs tot strafgevangenis
In 2018 is het 200 jaar geleden dat Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid oprichtte. Zijn plannen zijn ambitieus: door middel van landbouwkolonies op de nog woeste gronden van Drenthe wil hij "den toestand der armen en lagere volksklassen verbeteren" en ze verheffen tot beschaafde burgers. Voor veel zogenaamde kolonisten is alles beter dan de omstandigheden waarin ze op dat moment leven en ze laten zich door (te) mooie verhalen graag overhalen. Ze krijgen een ingerichte woning, kleding en een lapje grond. Ze verplichten zich de kosten daarvan terug te betalen met het werk dat ze verrichten. Hetzij bij de ontginnen van de gronden of in bijvoorbeeld de weverij.
Voor velen blijkt het een uitweg uit de armoede, ondanks het harde werk en de vele tegenslagen die de kolonies in de beginperiode treffen. Maar niet iedereen kan of wil zich voegen naar het strenge regiem dat er heerst. Al snel ontstaat de behoefte aan een plek waar onzedige, onwillige kolonisten kunnen worden afgescheiden van de rest. Hiervoor wordt een "strafkolonie" ingericht: in eerste instantie op de Ommerschans en later, vanwege ruimtegebrek, ook in Veenhuizen.
Het constante geldgebrek van de Maatschappij zorgt voor nieuwe plannen: ook bedelaars en weeskinderen worden opgenomen. Men bouwt er nieuwe, grote complexen voor.
Wil Schackmann schreef over bovenstaande materie al drie boeken: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie. In dit artikel lees je er meer over. In juni verschijnt het vierde en laatste deel: De strafkolonie (1818-1859). De focus ligt in al deze boeken op de mensen die ermee te maken kregen en de jaren vanaf de start van het project tot het moment waarop der Rijksoverheid besluit de gebouwen over te nemen, eind negentiende eeuw.
200 Jaar strafkolonie Veenhuizen
Jan Libbenga besteedt voldoende aandacht aan deze voorgeschiedenis, maar in zijn boek ligt de focus toch meer op de ontwikkeling van het gevangeniswezen. Niet alleen in Veenhuizen maar, mede dankzij de experimenten daar, ook in andere gevangenissen. Zowel in Nederland, als daarbuiten. Zonder De strafkolonie van Schackmann nog gelezen te hebben, is nu al duidelijk dat het twee verschillende, maar elkaar mooi aanvullende boeken zullen zijn.
Opgegroeid in Veenhuizen kende Libbenga zijn woonplaats vooral als het "gevangenisdorp". De hierboven geschetste voorgeschiedenis ontdekt hij pas echt in het Drents archief bij het schrijven van dit boek. Hij maakt er net als Wil Schackmann, dankbaar gebruik van. Maar hij zoekt verder waar Schackmann ophoudt: in de archieven van de Rijksoverheid en dan met name die van Justitie en Sociale Zaken. Diverse andere archieven, zoals die van het Instituut voor Sociale Geschiedenis, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, het Nationaal Archief en dat van de Reclassering geven hem een completer beeld.
De bewoners van het strafkamp
Naast de landlopers en bedelaars, die nog lange tijd opgevangen worden, komen er kampen voor Jehova's Getuigen en verkeersdelinquenten, drugsvrije afdelingen en een werkkamp voor jongeren. Veenhuizen krijgt de eerste Open Gevangenis, waar leren en werken buiten de instelling gecombineerd worden met de straf. In de Eerste Wereldoorlog dient het als opvang voor Belgische vluchtelingen en vlak voor de Tweede Wereldoorlog voor de uit Duitsland gevluchte Joden. Tijdens beide oorlogen vinden zwarthandelaren en smokkelaars er onderdak en na de oorlog ook NSB'ers en oorlogsmisdadigers (de Vier van Breda verbleven er). Drugscriminelen, de Molukse treinkapers en tenslotte zware criminelen die een extra beveiligde gevangenis noodzakelijk maken, ze komen allemaal aan bod.
Experimenten
Er staan veel nieuwe en interessante feiten over de strafkolonie Veenhuizen in Paupers en Boeven. Zo wordt niet alleen duidelijk hoeveel verschillende soorten gevangenen Veenhuizen gehuisvest heeft, maar ook hoeveel resocialiseringsprojecten er zijn uitgeprobeerd. Welke bewakings- en strafmaatregelen de voorkeur krijgen, hangt af van wisselende maatschappelijke opvattingen over detentie en resocialisatie en de politieke kleur van opeenvolgende kabinetten. Waarop bezuinigd wordt eveneens. Geregeld is er sprake van sluiting, verbouwingen, afstoten, uitbreiden, inkrimp van personeel. Veenhuizen worstelt met het zwalkende beleid van de overheid. Zowel de bewakers als de gevangenen komen meerdere malen in opstand.
Wie de diversiteit ziet van de detineerden in de loop der jaren begrijpt ook wel dat er differentiatie moet zijn in de manier van opvang en behandeling en dat ontwikkelingen op het gebied van de veranderende en toenemende zware criminaliteit om steeds weer andere aanpassingen en maatregelen vragen. Toch ontstaat de indruk dat Veenhuizen langzaam uitgroeide tot een speeltuin van justitie. Soms over de rug van de gevangenen en de bewakers heen.
Toekomst
Libbenga sprak voor zijn boek met ervaringsdeskundigen: ex-gevangenen, (oud-)bewakers en (oud-)directeuren. Na de laatste sluitingsdreiging heeft de tijdelijke opvang van Noorse gevangen voor uitstel gezorgd. En nu wordt sinds 2017 geëxperimenteerd met gezinsgerichte opvang in Esserheem, een van de gevangenisgebouwen in Veenhuizen. Men wil kinderen zo min mogelijk schade laten ondervinden van het feit dat hun vader in de gevangenis zit.
Het laatste woord in het laatste hoofdstuk is aan instellingsdirecteur Marie-Anne de Groot.
"De toekomst van Veenhuizen op langere termijn ziet zij als "Pauperparadijs 3.0". De Groot: "Ik denk dat we steeds meer mengvormen gaan zien van detentie en zorg. Daarbij is het dan in sommige gevallen ook niet meer nodig om mensen achter slot en grendel te zetten. En dan wordt Veenhuizen misschien een dorp als voorheen, waar wonen, detentie en begeleiding gewoon door elkaar lopen.".
Unesco Werelderfgoed?
In juli 2018 zullen we het weten: benoemt de Unesco het Nederlandse Veenhuizen en de koloniedorpen Frederiksoord en Wilheminaoord, samen met het Vlaamse koloniedorp Wortel en het gevangenisdorp Merksplas tot Werelderfgoed? Hoe het ook zij: wie zich verder in deze materie wil verdiepen, kan terecht in het Gevangenismuseum in Veenhuizen en het Koloniemuseum in Frederiksoord. Maar ook dit goed gedocumenteerde en boeiend geschreven boek (voorzien van vele zwart-wit foto's en een uitgebreide literatuurlijst) draagt daar in belangrijke mate aan bij.
Jan Libbenga - Paupers en boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen. Amsterdam, De Kring, 2018. Pb., 288 pg., zwart-wit foto's, index, lit. opg. ISBN:978-94-6297-095-3
© Jannie Trouwborst, mei 2018.
In 2018 is het 200 jaar geleden dat Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid oprichtte. Zijn plannen zijn ambitieus: door middel van landbouwkolonies op de nog woeste gronden van Drenthe wil hij "den toestand der armen en lagere volksklassen verbeteren" en ze verheffen tot beschaafde burgers. Voor veel zogenaamde kolonisten is alles beter dan de omstandigheden waarin ze op dat moment leven en ze laten zich door (te) mooie verhalen graag overhalen. Ze krijgen een ingerichte woning, kleding en een lapje grond. Ze verplichten zich de kosten daarvan terug te betalen met het werk dat ze verrichten. Hetzij bij de ontginnen van de gronden of in bijvoorbeeld de weverij.
Voor velen blijkt het een uitweg uit de armoede, ondanks het harde werk en de vele tegenslagen die de kolonies in de beginperiode treffen. Maar niet iedereen kan of wil zich voegen naar het strenge regiem dat er heerst. Al snel ontstaat de behoefte aan een plek waar onzedige, onwillige kolonisten kunnen worden afgescheiden van de rest. Hiervoor wordt een "strafkolonie" ingericht: in eerste instantie op de Ommerschans en later, vanwege ruimtegebrek, ook in Veenhuizen.
Het constante geldgebrek van de Maatschappij zorgt voor nieuwe plannen: ook bedelaars en weeskinderen worden opgenomen. Men bouwt er nieuwe, grote complexen voor.
Wil Schackmann schreef over bovenstaande materie al drie boeken: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie. In dit artikel lees je er meer over. In juni verschijnt het vierde en laatste deel: De strafkolonie (1818-1859). De focus ligt in al deze boeken op de mensen die ermee te maken kregen en de jaren vanaf de start van het project tot het moment waarop der Rijksoverheid besluit de gebouwen over te nemen, eind negentiende eeuw.
200 Jaar strafkolonie Veenhuizen
Jan Libbenga besteedt voldoende aandacht aan deze voorgeschiedenis, maar in zijn boek ligt de focus toch meer op de ontwikkeling van het gevangeniswezen. Niet alleen in Veenhuizen maar, mede dankzij de experimenten daar, ook in andere gevangenissen. Zowel in Nederland, als daarbuiten. Zonder De strafkolonie van Schackmann nog gelezen te hebben, is nu al duidelijk dat het twee verschillende, maar elkaar mooi aanvullende boeken zullen zijn.
Opgegroeid in Veenhuizen kende Libbenga zijn woonplaats vooral als het "gevangenisdorp". De hierboven geschetste voorgeschiedenis ontdekt hij pas echt in het Drents archief bij het schrijven van dit boek. Hij maakt er net als Wil Schackmann, dankbaar gebruik van. Maar hij zoekt verder waar Schackmann ophoudt: in de archieven van de Rijksoverheid en dan met name die van Justitie en Sociale Zaken. Diverse andere archieven, zoals die van het Instituut voor Sociale Geschiedenis, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, het Nationaal Archief en dat van de Reclassering geven hem een completer beeld.
De bewoners van het strafkamp
Naast de landlopers en bedelaars, die nog lange tijd opgevangen worden, komen er kampen voor Jehova's Getuigen en verkeersdelinquenten, drugsvrije afdelingen en een werkkamp voor jongeren. Veenhuizen krijgt de eerste Open Gevangenis, waar leren en werken buiten de instelling gecombineerd worden met de straf. In de Eerste Wereldoorlog dient het als opvang voor Belgische vluchtelingen en vlak voor de Tweede Wereldoorlog voor de uit Duitsland gevluchte Joden. Tijdens beide oorlogen vinden zwarthandelaren en smokkelaars er onderdak en na de oorlog ook NSB'ers en oorlogsmisdadigers (de Vier van Breda verbleven er). Drugscriminelen, de Molukse treinkapers en tenslotte zware criminelen die een extra beveiligde gevangenis noodzakelijk maken, ze komen allemaal aan bod.
Experimenten
Er staan veel nieuwe en interessante feiten over de strafkolonie Veenhuizen in Paupers en Boeven. Zo wordt niet alleen duidelijk hoeveel verschillende soorten gevangenen Veenhuizen gehuisvest heeft, maar ook hoeveel resocialiseringsprojecten er zijn uitgeprobeerd. Welke bewakings- en strafmaatregelen de voorkeur krijgen, hangt af van wisselende maatschappelijke opvattingen over detentie en resocialisatie en de politieke kleur van opeenvolgende kabinetten. Waarop bezuinigd wordt eveneens. Geregeld is er sprake van sluiting, verbouwingen, afstoten, uitbreiden, inkrimp van personeel. Veenhuizen worstelt met het zwalkende beleid van de overheid. Zowel de bewakers als de gevangenen komen meerdere malen in opstand.
Wie de diversiteit ziet van de detineerden in de loop der jaren begrijpt ook wel dat er differentiatie moet zijn in de manier van opvang en behandeling en dat ontwikkelingen op het gebied van de veranderende en toenemende zware criminaliteit om steeds weer andere aanpassingen en maatregelen vragen. Toch ontstaat de indruk dat Veenhuizen langzaam uitgroeide tot een speeltuin van justitie. Soms over de rug van de gevangenen en de bewakers heen.
Toekomst
Libbenga sprak voor zijn boek met ervaringsdeskundigen: ex-gevangenen, (oud-)bewakers en (oud-)directeuren. Na de laatste sluitingsdreiging heeft de tijdelijke opvang van Noorse gevangen voor uitstel gezorgd. En nu wordt sinds 2017 geëxperimenteerd met gezinsgerichte opvang in Esserheem, een van de gevangenisgebouwen in Veenhuizen. Men wil kinderen zo min mogelijk schade laten ondervinden van het feit dat hun vader in de gevangenis zit.
Het laatste woord in het laatste hoofdstuk is aan instellingsdirecteur Marie-Anne de Groot.
"De toekomst van Veenhuizen op langere termijn ziet zij als "Pauperparadijs 3.0". De Groot: "Ik denk dat we steeds meer mengvormen gaan zien van detentie en zorg. Daarbij is het dan in sommige gevallen ook niet meer nodig om mensen achter slot en grendel te zetten. En dan wordt Veenhuizen misschien een dorp als voorheen, waar wonen, detentie en begeleiding gewoon door elkaar lopen.".
Unesco Werelderfgoed?
In juli 2018 zullen we het weten: benoemt de Unesco het Nederlandse Veenhuizen en de koloniedorpen Frederiksoord en Wilheminaoord, samen met het Vlaamse koloniedorp Wortel en het gevangenisdorp Merksplas tot Werelderfgoed? Hoe het ook zij: wie zich verder in deze materie wil verdiepen, kan terecht in het Gevangenismuseum in Veenhuizen en het Koloniemuseum in Frederiksoord. Maar ook dit goed gedocumenteerde en boeiend geschreven boek (voorzien van vele zwart-wit foto's en een uitgebreide literatuurlijst) draagt daar in belangrijke mate aan bij.
Jan Libbenga - Paupers en boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen. Amsterdam, De Kring, 2018. Pb., 288 pg., zwart-wit foto's, index, lit. opg. ISBN:978-94-6297-095-3
© Jannie Trouwborst, mei 2018.
maandag 16 april 2018
Toon Horsten - Landlopers
200 jaar Maatschappij van Weldadigheid
Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
De nieuw
opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf
6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder.
En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch
inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis
voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
Werelderfgoed van Unesco?
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.
Hollandse en Vlaamse koloniën
Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.
Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.
Vlaamse landlopers
Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten".
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers.
Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.
Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.
Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.
Nog meer lezen?
Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).
Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.
Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!
Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.
© Jannie Trouwborst, april 2018.
Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
Werelderfgoed van Unesco?
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.
Hollandse en Vlaamse koloniën
Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.
Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.
Vlaamse landlopers
Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten".
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers.
Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.
Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.
Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.
Nog meer lezen?
Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).
Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.
Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!
Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.
© Jannie Trouwborst, april 2018.
zaterdag 24 juni 2017
Mariët Meester - Hollands Siberië
Vorig jaar schreef ik over de boeken van Wil Schackman: De Proefkolonie, De Bedelaarskolonie en De Kinderkolonie (KLIK HIER). Het zijn non-fictie boeken die op een prettig leesbare manier de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid behandelen en een beeld geven van iedereen die er mee te maken had: bestuurders èn degenen die aan hun toezicht waren toevertrouwd. Aanvankelijk ging het daarbij om de stichting van Koloniedorpen (Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord), later kwamen er strafinrichtingen bij (zoals Ommerschans en Veenhuizen) voor kolonisten die zich misdroegen. In Veenhuizen werden daarnaast bedelaars en dronkaards opgevangen en tenslotte ook wezen. Dat laatste om de penibele financiële situatie van de Maatschappij het hoofd te bieden. Het mocht niet baten. In 1859 nam de staat Veenhuizen over en maakte er een Rijkswerkinrichting en Rijksstrafinrichting van.
Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen in de tijd dat het dorp nog niet toegankelijk was voor buitenstaanders. In het dorp woonde iedereen die nauw betrokken was bij de verpleging en bewaking van de opgenomen personen: bewaking, directie, medische en psychologische dienst, leraren, pastorale medewerkers etc. In het voorwoord van haar boek vertelt ze dat ze bij het schrijven ervan is geïnspireerd door echte personen en ware gebeurtenissen, maar dat ze de karakters naar eigen inzicht heeft ingekleurd. Alle namen zijn daarom veranderd, behalve die van enkele Duitse oorlogsdelinquenten en één andere persoon die na de Tweede Wereldoorlog landelijke bekendheid kreeg. Het oeuvre van Mariët Meester bestaat uit 6 andere romans, diverse reisverhalen en non-fictieboeken.
In deze (waargebeurde) roman is de hoofdrol voor Pastoor Peter Pex. Als hij in 1936 naar Veenhuizen komt, denkt hij een plek te vinden waar hij echt iets kan betekenen voor mensen in moeilijke omstandigheden. Het valt niet mee. Onder zijn parochianen vallen zowel het gevangenispersoneel, als de verpleegden (alcoholisten en bedelaars) en criminelen (dieven, souteneurs). Iedere groep heeft eigen problemen en vraagt om andere oplossingen. Daarnaast speelt de hiërarchie binnen het ambtenarenkorps ook nog een rol bij de onderlinge verhoudingen. En niet te vergeten het verschil van mening met de protestante dominee over de groep Joodse bewoners van Veenhuizen die geen eigen kerk en voorganger meer hebben.
Al lijkt het dat hij er goed mee om kan gaan en hij zijn draai gevonden heeft, er knaagt toch iets aan hem. Overdag loopt hij in het Franciscaner habijt, maar zodra hij het bij het naar bed gaan aflegt, krijgt hij het gevoel dat hij dan pas zichzelf is en overdag de rol van pastoor speelt. Hij realiseert zich dat hij uit liefde voor zijn ontroostbare ouders een rol op zich genomen heeft die bedoeld was voor zijn overleden broer. Als oudste zoon in een katholiek gezin had deze priester moeten worden. Zijn twijfels over het geloof nemen steeds meer toe, zijn weerzin tegen de starre regels en hypocrisie van de kerk ook, het weten van misbruik en de verdoezeling daarvan stuiten hem tegen de borst. Zijn dubbelrol valt hem steeds zwaarder. En dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit.
Samen met zijn huishoudster Martine belandt hij in het verzet. De pastorie wordt een plaats van samenkomst voor de jeugdige verzetsstrijders. Er worden mensen verborgen. Tegelijkertijd groeien de pastoor en de huishoudster steeds meer naar elkaar toe. Meester weet op ontroerende manier te schilderen hoe twee mensen op latere leeftijd de liefde ontdekken. Hun relatie moet echter geheim blijven en dat is moeilijk met zoveel vreemden in huis en onbetrouwbare ambtenaren op het terrein, want ook daar heeft menigeen een dubbele agenda.
Als de oorlog voorbij is, krijgt Veenhuizen landverraders en Duitse oorlogsmisdadigers toegewezen. Weer een ander slag mensen om mee om te gaan. En weer andere problemen om op te lossen: een staking van het kerkkoor, opgestookt door een voormalig NSB'er, omdat men niet wil zingen met een Joodse organist. De duur van de straf en de manier waarop de foute landgenoten gevangen gehouden worden gaat Pastoor Pex steeds meer tegenstaan, zeker als blijkt dat de Duitse oorlogsmisdadigers er beter opgevangen worden. Hij wordt van steeds meer kanten klem gezet, men roddelt over hem en dan beslist hij dat het tijd is er een punt achter te zetten, zijn ambt op te geven en te trouwen met Martine. Maar of dat nog op tijd is? In de Epiloog laat Mariët Meester ons weten hoe het de (echte) hoofdpersonen uit de roman verder vergaan is.
Hollands Siberië vertelt over de opkomst en ondergang van een man die Veenhuizen zijn beste krachten wilde geven. Het is niet alleen een historische, maar vooral een psychologische roman. De worsteling van Pastoor Pex, zowel met zijn geloof, als met zijn gevoelens voor Martine en de opbloeiende liefde tussen beiden beschrijft Mariët Meester op een meesterlijke wijze. Het is een spannend en ontroerend verhaal geworden, dat zelfs katholieke lezers niet onberoerd zal laten. Ze heeft van Peter Pex een prachtig mens gemaakt die er onbaatzuchtig voor anderen wilde zijn. Daar had zijn Franciscaner pij niets mee te maken.
Mariët Meester - Hollands Siberië (onthullende roman over het gevangenisdorp Veenhuizen). Amsterdam, Arbeiderspers, 2014. PB, 359 pg., plattegrond, isbn:978-90-295-9444-8.
Tenslotte:
- Het onderzoek van Mariët Meester voor de roman Hollands Siberië (2014) werd vastgelegd in de documentaire Het gevangenisdorp - Veenhuizen in de twintigste eeuw.
- In 2018 is het 200 jaar geleden dat De Maatschappij van Weldadigheid is opgericht. Wat nog zichtbaar is uit die tijd (en dat is veel!) zal dan tot Cultureel Erfgoed bestempeld worden, is de verwachting. In de aanloop daarnaar toe zijn er allerlei manifestaties, tentoonstellingen en wandeltochten deze zomer. Via de beide linken hieronder meer daarover en over het boek (op deze site staat onder andere ook een jaartallenoverzicht van Veenhuizen).
Gevangenismuseum: https://www.gevangenismuseum.nl/
Hollands Siberië: http://www.hollandssiberie.nl/
© Jannie Trouwborst, juni 2017
Naschrift: ondertussen heb ik ontdekt dat de pastoor Telephorus Smits heette en dat de Pastorie verhuurd wordt als schrijversresidence door Mariët Meester. Elke Geurts logeerde er in mei 2016 een paar weken en schreef erover in haar blog (KLIK HIER). Haar vielen al die strenge namen van de woningen op. Er ontbrak er één volgens haar: Op de pastorie, toch ook een kapitaal pand, staat geen opvoedkundige leuze. Dat komt: Pastoor Smits rules here. Misschien had er Liefde op deze gevel moeten staan. Dat mist nog een beetje hier.
Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen in de tijd dat het dorp nog niet toegankelijk was voor buitenstaanders. In het dorp woonde iedereen die nauw betrokken was bij de verpleging en bewaking van de opgenomen personen: bewaking, directie, medische en psychologische dienst, leraren, pastorale medewerkers etc. In het voorwoord van haar boek vertelt ze dat ze bij het schrijven ervan is geïnspireerd door echte personen en ware gebeurtenissen, maar dat ze de karakters naar eigen inzicht heeft ingekleurd. Alle namen zijn daarom veranderd, behalve die van enkele Duitse oorlogsdelinquenten en één andere persoon die na de Tweede Wereldoorlog landelijke bekendheid kreeg. Het oeuvre van Mariët Meester bestaat uit 6 andere romans, diverse reisverhalen en non-fictieboeken.
In deze (waargebeurde) roman is de hoofdrol voor Pastoor Peter Pex. Als hij in 1936 naar Veenhuizen komt, denkt hij een plek te vinden waar hij echt iets kan betekenen voor mensen in moeilijke omstandigheden. Het valt niet mee. Onder zijn parochianen vallen zowel het gevangenispersoneel, als de verpleegden (alcoholisten en bedelaars) en criminelen (dieven, souteneurs). Iedere groep heeft eigen problemen en vraagt om andere oplossingen. Daarnaast speelt de hiërarchie binnen het ambtenarenkorps ook nog een rol bij de onderlinge verhoudingen. En niet te vergeten het verschil van mening met de protestante dominee over de groep Joodse bewoners van Veenhuizen die geen eigen kerk en voorganger meer hebben.
Al lijkt het dat hij er goed mee om kan gaan en hij zijn draai gevonden heeft, er knaagt toch iets aan hem. Overdag loopt hij in het Franciscaner habijt, maar zodra hij het bij het naar bed gaan aflegt, krijgt hij het gevoel dat hij dan pas zichzelf is en overdag de rol van pastoor speelt. Hij realiseert zich dat hij uit liefde voor zijn ontroostbare ouders een rol op zich genomen heeft die bedoeld was voor zijn overleden broer. Als oudste zoon in een katholiek gezin had deze priester moeten worden. Zijn twijfels over het geloof nemen steeds meer toe, zijn weerzin tegen de starre regels en hypocrisie van de kerk ook, het weten van misbruik en de verdoezeling daarvan stuiten hem tegen de borst. Zijn dubbelrol valt hem steeds zwaarder. En dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit.
Samen met zijn huishoudster Martine belandt hij in het verzet. De pastorie wordt een plaats van samenkomst voor de jeugdige verzetsstrijders. Er worden mensen verborgen. Tegelijkertijd groeien de pastoor en de huishoudster steeds meer naar elkaar toe. Meester weet op ontroerende manier te schilderen hoe twee mensen op latere leeftijd de liefde ontdekken. Hun relatie moet echter geheim blijven en dat is moeilijk met zoveel vreemden in huis en onbetrouwbare ambtenaren op het terrein, want ook daar heeft menigeen een dubbele agenda.
Als de oorlog voorbij is, krijgt Veenhuizen landverraders en Duitse oorlogsmisdadigers toegewezen. Weer een ander slag mensen om mee om te gaan. En weer andere problemen om op te lossen: een staking van het kerkkoor, opgestookt door een voormalig NSB'er, omdat men niet wil zingen met een Joodse organist. De duur van de straf en de manier waarop de foute landgenoten gevangen gehouden worden gaat Pastoor Pex steeds meer tegenstaan, zeker als blijkt dat de Duitse oorlogsmisdadigers er beter opgevangen worden. Hij wordt van steeds meer kanten klem gezet, men roddelt over hem en dan beslist hij dat het tijd is er een punt achter te zetten, zijn ambt op te geven en te trouwen met Martine. Maar of dat nog op tijd is? In de Epiloog laat Mariët Meester ons weten hoe het de (echte) hoofdpersonen uit de roman verder vergaan is.
Hollands Siberië vertelt over de opkomst en ondergang van een man die Veenhuizen zijn beste krachten wilde geven. Het is niet alleen een historische, maar vooral een psychologische roman. De worsteling van Pastoor Pex, zowel met zijn geloof, als met zijn gevoelens voor Martine en de opbloeiende liefde tussen beiden beschrijft Mariët Meester op een meesterlijke wijze. Het is een spannend en ontroerend verhaal geworden, dat zelfs katholieke lezers niet onberoerd zal laten. Ze heeft van Peter Pex een prachtig mens gemaakt die er onbaatzuchtig voor anderen wilde zijn. Daar had zijn Franciscaner pij niets mee te maken.
Mariët Meester - Hollands Siberië (onthullende roman over het gevangenisdorp Veenhuizen). Amsterdam, Arbeiderspers, 2014. PB, 359 pg., plattegrond, isbn:978-90-295-9444-8.
Tenslotte:
- Het onderzoek van Mariët Meester voor de roman Hollands Siberië (2014) werd vastgelegd in de documentaire Het gevangenisdorp - Veenhuizen in de twintigste eeuw.
- In 2018 is het 200 jaar geleden dat De Maatschappij van Weldadigheid is opgericht. Wat nog zichtbaar is uit die tijd (en dat is veel!) zal dan tot Cultureel Erfgoed bestempeld worden, is de verwachting. In de aanloop daarnaar toe zijn er allerlei manifestaties, tentoonstellingen en wandeltochten deze zomer. Via de beide linken hieronder meer daarover en over het boek (op deze site staat onder andere ook een jaartallenoverzicht van Veenhuizen).
Gevangenismuseum: https://www.gevangenismuseum.nl/
Hollands Siberië: http://www.hollandssiberie.nl/
© Jannie Trouwborst, juni 2017
Naschrift: ondertussen heb ik ontdekt dat de pastoor Telephorus Smits heette en dat de Pastorie verhuurd wordt als schrijversresidence door Mariët Meester. Elke Geurts logeerde er in mei 2016 een paar weken en schreef erover in haar blog (KLIK HIER). Haar vielen al die strenge namen van de woningen op. Er ontbrak er één volgens haar: Op de pastorie, toch ook een kapitaal pand, staat geen opvoedkundige leuze. Dat komt: Pastoor Smits rules here. Misschien had er Liefde op deze gevel moeten staan. Dat mist nog een beetje hier.
maandag 5 december 2016
Louis van Dievel - Landlopersblues
Landloper, een woord dat waarschijnlijk niemand meer gebruikt. Tegenwoordig spreekt men over zwervers of daklozen en die zijn doorgaans te vinden in een stedelijke omgeving. Maar er was een tijd dat de ouderwetse landloper van dorp naar dorp zwierf en trachtte aan voedsel te komen door te bedelen, iets te verkopen of muziek te maken. Lange tijd levert dat geen problemen op. Totdat Koning Willem I bij zijn terugkeer in 1815 een totaal verarmde natie aantreft: het is crisis in de Nederlanden. Werkeloosheid en hongersnood treffen grote delen van de verpauperde bevolking. De overlast van daklozen, landlopers en bedelaars dreigt te groot te worden, met name in de steden. Landlopen en bedelen wordt bij wet verboden, zowel in de Noordelijke, als in de Zuidelijke Nederlanden. Wie wordt opgepakt, komt in strafkolonies terecht, zoals Ommerschans
(1820 - Overijssel), Veenhuizen (1822 - Drenthe) of Merksplas (1824 - Vlaanderen). Pas in resp. 1993 (Vlaanderen) en 2000 (Nederland) wordt de wet afgeschaft. Volgens de rechten van de mens kan niemand veroordeeld worden voor arm en dakloos zijn. Dat klinkt alleszins redelijk, maar of het zo ook uitpakte voor alle betrokkenen?
Louis van Dievel (Mechelen - 1953, journalist en schrijver van o.a. De Pruimelaarstraat, shortlist Libris literatuurprijs 2007) schreef in zijn roman Landlopersblues over het leven van enkele landlopers uit de tweede helft van de 20ste eeuw, die overleden kort voor het einde van de Merksplas als landloperskolonie.
Merksplas is tegenwoordig een gevangenis en strafinrichting. Maar net als in Veenhuizen is er een plek ingeruimd voor een gevangenismuseum en wordt het kerkhof in ere gehouden. Hier zijn sinds halfweg de negentiende eeuw duizenden landlopers begraven, bijna altijd naamloos. De witte kruisjes dragen enkel een nummer. Niemand miste de overleden landlopers. Maar nu gaan steeds vaker kleinkinderen op zoek naar de grootvader wiens naam in de familie taboe is, die nooit heeft bestaan en over wie nooit wordt gesproken.
Landlopersblues begint wanneer kleindochter Anita na lang zoeken het graf van haar grootvader Pol Vervoort ontdekt op het landloperskerkhof van Merksplas. En zich afvraagt waarom hij indertijd vrouw en kinderen in de steek liet.
Een stem geven aan landlopers die niets hebben nagelaten en die geen familie hebben die over ze kan of wil vertellen: hoe doe je dat? De oplossing van Van Dievel is even verrassend als effectief: hij laat ze allemaal zelf aan het woord. Vanuit hun graf communiceren ze met elkaar, zonder dat de levenden het kunnen horen. Want ook zij krijgen een stem in het verhaal: de kleindochter, de weduwe van een cipier en een gepensioneerde cipier die nu voor het kerkhof en het museum zorgt.
De hoofdrolspelers worden op de eerste pagina geïntroduceerd aan de hand van een korte typering. "Pol Vervoort, ex-havenarbeider, landloper". "Jeanne van Gorp, weduwe van cipier Gerard van Gorp". "Nest de Fauw, dief, gedetineerde". Want tussen de landlopers ligt ook een enkele crimineel. In elk hoofdstukje (meestal maar enkele bladzijden lang) horen we de stem van één van deze hoofdrolspelers. Hun trieste voorgeschiedenis wordt stukje bij beetje duidelijk. Maar omdat het er best veel zijn (5 landlopers, 3 gedetineerden en 3 nog levende personen) is het soms wat lastig de levensverhalen uit elkaar te houden. Geregeld terugbladeren naar de eerste bladzijde helpt wel, maar pas bij een tweede maal lezen gingen alle personen echt voor me leven.
Er is een mooie mix gemaakt van de achtergrondverhalen. Zoals van grootvader Pol, die zwerven móest en zelf niet precies weet waarom. Die momenten van spijt had, maar zich tegelijk zo schaamde dat hij geen weg terug meer zag. En die, nu hij Anita hoort en ziet bij zijn graf, nog meer beseft wat hij gemist heeft. En van Jefke, als dwerg geboren, werkend bij het circus met zijn ouders. Hij is pas veertien als ze overlijden en de directeur hem verkoopt aan kermisklanten, die hem vervolgens uitbuiten. Pol ontfermt zich over hem. Of over Berten Bossard, door zijn moeder als heel kleine jongen, samen met zijn broertje zonder uitleg achtergelaten aan de poort van een klooster. De paters misbruiken beide kinderen. Het drijft zijn broertje tot zelfmoord en Berten is daar getuige van. Ze zetten hem buiten zodra hij daar groot genoeg voor is. Het leger lijft hem in voor een extra lange diensttijd, omdat hij niet reageerde op de oproep (die hij in zijn zwervend bestaan nooit ontving). Daar leert hij o.a. zuipen als de beste....
Zo komen alle verhalen voorbij, eigen keus/schuld of juist pech en ongeluk, het maakt niet uit. Uiteindelijk kennen ze elkaar, zoals ze daar nu liggen, van Merksplas. Wie wegens landlopen door de rechter wordt veroordeeld, komt daar terecht. Uit de verhalen wordt duidelijk, dat de landlopers het hier niet slecht hebben. Er heerst wel een zekere orde, alcohol is (officieel) verboden en er moet gewerkt worden. Daar verdienen ze iets mee voor als ze weer vrij komen. In het voorjaar en de zomer zijn ze liever buiten. Maar tegen de winter verzuipen ze hun laatste cent en melden zich daarna als landloper bij de rechter. Die kent hun verhalen inmiddels en veroordeelt ze welwillend tot een verblijf in Merksplas, waar een warm bed en een goede maaltijd wacht.
Daaraan komt een eind als in 1993 de kolonie Merksplas (en het vergelijkbare Wortel) wordt gesloten. Jeanne, de weduwe van een cipier, vertelt daar verontwaardigd over. "Dien je zo de rechten van de mens?" Honderden mensen worden van de ene op de andere dag op straat gezet en hebben dus in de winter geen toevluchtsoord meer. Merksplas verandert in een gesloten strafinrichting. Drugsverslaafden en illegalen komen in de plaats van de landlopers. De landlopers op de begraafplaats maken dat niet meer mee. Ze zijn allemaal voor 1990 overleden.
Het is knap om zowel al deze feitelijke, als persoonlijke aspecten in een roman te verwerken. Van Dievel maakt op natuurlijke wijze gebruik van Vlaamse woorden en uitdrukkingen, dat leest prettig. Een Vlaamse zwerver spreekt nu eenmaal geen ABN. En de context lost een enkele onduidelijkheid wel op.
Landlopersblues: het verwijst naar de melancholieke muziek die Jaak Ponsaerts uit zijn "mondmuziekje" (mondharmonica) haalde. Als hij zich triestig voelt, speelt hij er improviserend op, is even helemaal weg van de wereld en ontroert iedereen, zelf de stoerste kameraden. Blues, melancholie, heimwee naar de vrijheid van het zwerven, maar ook naar wat verloren gaat in de loop van een mensenleven en niet meer terug te draaien valt: daarover mompelen de mannen onder de voeten van Anita, in zichzelf en soms met elkaar. En Van Dievel maakt ons daar een stille getuige van.
Louis van Dievel - Landlopersblues. Antwerpen, Vrijdag, 2016. Pb., 254 pg. ISBN:978-94-6001-452-9
© Jannie Trouwborst, november 2016
Ik lees Nederlands 44/35.
Deze recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en De Leestafel .
Louis van Dievel (Mechelen - 1953, journalist en schrijver van o.a. De Pruimelaarstraat, shortlist Libris literatuurprijs 2007) schreef in zijn roman Landlopersblues over het leven van enkele landlopers uit de tweede helft van de 20ste eeuw, die overleden kort voor het einde van de Merksplas als landloperskolonie.
Merksplas is tegenwoordig een gevangenis en strafinrichting. Maar net als in Veenhuizen is er een plek ingeruimd voor een gevangenismuseum en wordt het kerkhof in ere gehouden. Hier zijn sinds halfweg de negentiende eeuw duizenden landlopers begraven, bijna altijd naamloos. De witte kruisjes dragen enkel een nummer. Niemand miste de overleden landlopers. Maar nu gaan steeds vaker kleinkinderen op zoek naar de grootvader wiens naam in de familie taboe is, die nooit heeft bestaan en over wie nooit wordt gesproken.
Landlopersblues begint wanneer kleindochter Anita na lang zoeken het graf van haar grootvader Pol Vervoort ontdekt op het landloperskerkhof van Merksplas. En zich afvraagt waarom hij indertijd vrouw en kinderen in de steek liet.
Een stem geven aan landlopers die niets hebben nagelaten en die geen familie hebben die over ze kan of wil vertellen: hoe doe je dat? De oplossing van Van Dievel is even verrassend als effectief: hij laat ze allemaal zelf aan het woord. Vanuit hun graf communiceren ze met elkaar, zonder dat de levenden het kunnen horen. Want ook zij krijgen een stem in het verhaal: de kleindochter, de weduwe van een cipier en een gepensioneerde cipier die nu voor het kerkhof en het museum zorgt.
De hoofdrolspelers worden op de eerste pagina geïntroduceerd aan de hand van een korte typering. "Pol Vervoort, ex-havenarbeider, landloper". "Jeanne van Gorp, weduwe van cipier Gerard van Gorp". "Nest de Fauw, dief, gedetineerde". Want tussen de landlopers ligt ook een enkele crimineel. In elk hoofdstukje (meestal maar enkele bladzijden lang) horen we de stem van één van deze hoofdrolspelers. Hun trieste voorgeschiedenis wordt stukje bij beetje duidelijk. Maar omdat het er best veel zijn (5 landlopers, 3 gedetineerden en 3 nog levende personen) is het soms wat lastig de levensverhalen uit elkaar te houden. Geregeld terugbladeren naar de eerste bladzijde helpt wel, maar pas bij een tweede maal lezen gingen alle personen echt voor me leven.
Er is een mooie mix gemaakt van de achtergrondverhalen. Zoals van grootvader Pol, die zwerven móest en zelf niet precies weet waarom. Die momenten van spijt had, maar zich tegelijk zo schaamde dat hij geen weg terug meer zag. En die, nu hij Anita hoort en ziet bij zijn graf, nog meer beseft wat hij gemist heeft. En van Jefke, als dwerg geboren, werkend bij het circus met zijn ouders. Hij is pas veertien als ze overlijden en de directeur hem verkoopt aan kermisklanten, die hem vervolgens uitbuiten. Pol ontfermt zich over hem. Of over Berten Bossard, door zijn moeder als heel kleine jongen, samen met zijn broertje zonder uitleg achtergelaten aan de poort van een klooster. De paters misbruiken beide kinderen. Het drijft zijn broertje tot zelfmoord en Berten is daar getuige van. Ze zetten hem buiten zodra hij daar groot genoeg voor is. Het leger lijft hem in voor een extra lange diensttijd, omdat hij niet reageerde op de oproep (die hij in zijn zwervend bestaan nooit ontving). Daar leert hij o.a. zuipen als de beste....
Zo komen alle verhalen voorbij, eigen keus/schuld of juist pech en ongeluk, het maakt niet uit. Uiteindelijk kennen ze elkaar, zoals ze daar nu liggen, van Merksplas. Wie wegens landlopen door de rechter wordt veroordeeld, komt daar terecht. Uit de verhalen wordt duidelijk, dat de landlopers het hier niet slecht hebben. Er heerst wel een zekere orde, alcohol is (officieel) verboden en er moet gewerkt worden. Daar verdienen ze iets mee voor als ze weer vrij komen. In het voorjaar en de zomer zijn ze liever buiten. Maar tegen de winter verzuipen ze hun laatste cent en melden zich daarna als landloper bij de rechter. Die kent hun verhalen inmiddels en veroordeelt ze welwillend tot een verblijf in Merksplas, waar een warm bed en een goede maaltijd wacht.
Daaraan komt een eind als in 1993 de kolonie Merksplas (en het vergelijkbare Wortel) wordt gesloten. Jeanne, de weduwe van een cipier, vertelt daar verontwaardigd over. "Dien je zo de rechten van de mens?" Honderden mensen worden van de ene op de andere dag op straat gezet en hebben dus in de winter geen toevluchtsoord meer. Merksplas verandert in een gesloten strafinrichting. Drugsverslaafden en illegalen komen in de plaats van de landlopers. De landlopers op de begraafplaats maken dat niet meer mee. Ze zijn allemaal voor 1990 overleden.
Het is knap om zowel al deze feitelijke, als persoonlijke aspecten in een roman te verwerken. Van Dievel maakt op natuurlijke wijze gebruik van Vlaamse woorden en uitdrukkingen, dat leest prettig. Een Vlaamse zwerver spreekt nu eenmaal geen ABN. En de context lost een enkele onduidelijkheid wel op.
Landlopersblues: het verwijst naar de melancholieke muziek die Jaak Ponsaerts uit zijn "mondmuziekje" (mondharmonica) haalde. Als hij zich triestig voelt, speelt hij er improviserend op, is even helemaal weg van de wereld en ontroert iedereen, zelf de stoerste kameraden. Blues, melancholie, heimwee naar de vrijheid van het zwerven, maar ook naar wat verloren gaat in de loop van een mensenleven en niet meer terug te draaien valt: daarover mompelen de mannen onder de voeten van Anita, in zichzelf en soms met elkaar. En Van Dievel maakt ons daar een stille getuige van.
Louis van Dievel - Landlopersblues. Antwerpen, Vrijdag, 2016. Pb., 254 pg. ISBN:978-94-6001-452-9
© Jannie Trouwborst, november 2016
Ik lees Nederlands 44/35.
Deze recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en De Leestafel .
woensdag 2 november 2016
Wil Schackmann - Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid
"Maar als u voor de blauwe wandelroute kiest, komt u ook langs de koloniehuisjes in Wilhelminaoord, de begraafplaats, het koloniekerkje en het schooltje" legt de vrijwilligster van het Museum De Koloniehof in Frederiksoord (Drenthe) ons uit.
Unesco Werelderfgoed
Wie eenmaal de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid kent en ziet dat er nog zoveel tastbaar en goed onderhoudende erfgoed is overgebleven kan begrijpen dat het in 2011 werd opgenomen op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Unesco. Naast de koloniedorpen gaat het daarbij om de strafinrichtingen van Ommerschans en Veenhuizen en de vestigingen in de "Zuidelijke Nederlanden", want ook daar staan nog monumenten van een koloniedorp (Wortel) en een strafinrichting (Merksplas). Het zou mooi zijn om in het jubileumjaar 2018, als de Maatschappij 200 jaar bestaat, de definitieve status te bereiken.
Maatschappij van Weldadigheid
In 1818 verkeert ons land in grote
armoede. Met name in de steden leeft zo’n 50% van de mensen onder de
armoedegrens. Ze bedelen, stelen en leggen hun kinderen te vondeling. Generaal
Johannes van den Bosch, een vooruitstrevend en sociaal bewogen legerofficier,
ontwikkelt het plan om armenkoloniën te stichten op de woeste, Drentse
zandgronden. Hij krijgt carte blanche van Koning Willem I. Deze koloniën moeten
voorzien in huisvesting, werk, zorg en scholing. Elk gezin dat neerstrijkt, kan
rekenen op een woning met een stuk grond dat bewerkt moet worden. Het bouwen
van de woningen, het ontginnen van de grond en het aanleggen van een wegen- en
afwateringsstelsel gaan snel. De hand van de legerofficier is herkenbaar in het
landschap: rechte paden en lanen, doorsneden door afwateringskanaaltjes,
huisjes op vaste afstanden van elkaar en facilitaire gebouwen op cruciale
punten in de kolonie. Er ontstaat een duurzame zelfvoorzienende gemeenschap,
die haar bewoners de gelegenheid biedt zich te ontworstelen aan de stadse
armoede en die een ziekenfonds (1827) en leerplicht (1819) introduceert.
Tot zover klinkt het goed, maar dat een samenleving toch
minder maakbaar is dan gedacht, moeten Johannes van den Bosch en zijn opvolgers
in de daarop volgende vijftig jaar ontdekken. Grote schulden geven de
genadeklap. Toch bestaat de Maatschappij nog steeds, zij het in een andere
vorm. De staat neemt in 1859 de gestichten in Ommerschans en Veenhuizen over.
De vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord blijven van de
Maatschappij. De kleine landjes worden samengevoegd tot enkele grote bedrijven
en in 1869 maakt de Maatschappij voor het eerst winst op de landbouw. Het
sociale gezicht blijft bestaan: een landbouw-, tuinbouw- en bosbouwschool, een
geneeskundige dienst en vanaf 1893 een eigen complex voor bejaarde kolonisten
(ook dit monument is er nog). Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw
worden de laatste arbeiderskolonisten gewone huurders van de Maatschappij.
Beheer van de landelijke bezittingen, bosbouw en natuurbeheer en sociale
hulpverlening blijven speerpunten.
Drieluik
Wil Schackmann
(1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust
beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de
Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de
Maatschappij (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan
drie forse en degelijke boeken geschreven: De
proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).
"Kortom, als ik het geheel overzie denk ik niet in de eerste plaats "Wat erg was het daar", maar denk ik vooral "Wat ben ik gelukkig dat ik niet toen leefde".
Een andere constante heeft betrekking op de houding van de bestuurders van de Maatschappij: voor kritiek staat men niet open. Misstanden zijn altijd aan anderen of de omstandigheden te wijten. Pas als het niet anders kan door het risico op negatieve publiciteit is men bereid iets te onderzoeken of te veranderen. Maar wel stilzwijgend, om niet toe te hoeven geven dat de kritiek terecht was.
De Proefkolonie
De Proefkolonie
begint met een uitleg van de manier waarop Johannes van de Bosch zijn
ambitieuze plan in de steigers zet en aan zijn beginkapitaal komt. Zijn goede
verstandhouding met Koning Willem I speelt daarbij een grote rol en zal dat in
de toekomst blijven doen. Hij heeft alles van tevoren goed doordacht en
ingewikkelde berekeningen uitgevoerd. Zijn charismatische persoonlijkheid en
dadendrang doen de rest. In januari 1818 wordt de Maatschappij opgericht en in
oktober van datzelfde jaar komen de eerste kolonisten aan op wat dan nog de
proefkolonie heet. En dat die naam goed gekozen is, zal in de daarop volgende
vijf jaar blijken. In 52 huisjes zijn even zo vele gezinnen de proefkonijnen
van de onderneming. Van den Bosch moet ondervinden dat zijn berekeningen weliswaar
zorgvuldig waren, maar op verkeerde uitgangspunten stoelden. Hij hield te
weinig rekening met tegenslagen, onwillige of onbekwame kolonisten, minder
opbrengsten o.a. door een te kleine lap grond per inwoner, gebrek aan mest en
zelfs de beperkte kennis van landbouw op arme gronden bij het management van de
onderneming.
De reglementen moeten steeds verder aangescherpt worden om
iedereen in het gareel te houden en de zgn. vrije kolonisten ondervinden een
steeds grotere beperking van hun vrijheid. Weg kunnen ze niet: de inrichting
van het huisje, de koloniekleding en de pacht van de grond hebben ze als lening
ontvangen en moeten ze eerst terugverdienen. Van den Bosch acht een
strafinrichting nodig. Van de Koning
krijgt hij de Ommerschans toegewezen.
Alles draait om inkomsten om de boel draaiende te houden.
Hij blijft geloven in een uiteindelijk positieve uitkomst, gaat gewoon door met
het opzetten van nieuwe koloniën in de omgeving (50 woningen in 1819, 100 in
1820, 100 in 1821) en regelt via de koning een contract voor de opvang van
bedelaars en landlopers in Ommerschans (1822). In 1823 wordt Veenhuizen 1
opgeleverd voor de opvang van wezen en in 1824 nog twee gestichten met dat
doel. Ook daarin speelde de koning een grote rol, zoals uitgebreider beschreven
wordt in De Kinderkolonie.
De bedelaarskolonie
Bij de strafkolonie Ommerschans (1819) bouwt de Maatschappij
een bedelaarsgesticht(1822) in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter.
Deze biedt aanvankelijk plaats aan 1000 personen waarbij mannen en vrouwen (al
dan niet gehuwd) strikt gescheiden wonen. De paupers kunnen er door hard te
werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontginnen het land, dat vervolgens aan
succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht wordt gegeven. Naast
ontginningswerkzaamheden is er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telt
onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden-
en klompenmakerij. Bosch hoopt er geld aan over te houden.
Maar ook hier heeft hij zich op verkeken. De opvang kost
veel meer dan gedacht: het contractbedrag is niet voldoende voor de verzorging
en de werkzaamheden brengen veel minder op dan waarop hij rekent. Het regiem is
streng: "Wie niet werkt zal niet eten". Maar met minimale rantsoenen
en slechte medische voorzieningen houdt niemand het loodzware werk lang vol.
Het sterftecijfer ligt hoog. Maar ook de lokale overheden en tuchthuizen valt
wel wat te verwijten: ze sturen massaal invalide en arbeidsongeschikte
bewoners. Vanaf 1827 geldt Ommerschans ook als verpleeginstelling. Voor
vrijgelaten bewoners is er intussen weinig perspectief op werk en inkomen,
zodat ze na verloop van tijd weer terugkeren. Pas vanaf 1843 is er een gerechtelijke
veroordeling nodig voor verwijzing naar de bedelaarskolonie. Tot die tijd is
het mogelijk dat men ten onrechte als
bedelaar in de strafkolonie belandt. In 1859 neemt de staat de strafinrichting
over en in 1890 wordt hij definitief ontmanteld. Het kerkhof en het
kolonistenkerkje zijn het enige wat nog rest van de Ommerschans.
De kinderkolonie
Ook de 3 gestichten in Veenhuizen neemt de Staat in 1859
over. De schulden bedragen op dat moment al meer dan drie en een half miljoen
gulden. In onze tijd zou een en ander ongetwijfeld tot een Parlementaire
enquête geleid hebben. In deze nog prille democratie kunnen Koning Willem I en
Van den Bosch zonder inmenging en medeweten van de Staten Generaal van alles
onderling regelen. Steeds opnieuw zijn er tekorten, steeds opnieuw ziet Van den
Bosch mogelijkheden en steeds gaan die gepaard met uitbreiding van de opvang,
maar steeds opnieuw moet er uiteindelijk toch geld bij.
Zo ontstaat ook de kinderkolonie in 1824. Via door de koning
uitgevaardigde wetten moeten alle wezen, vondelingen en verlaten kinderen "opgezonden"
worden naar Veenhuizen. Plaatselijke weeshuizen krijgen geen subsidie meer voor de opvang.
Grootschalige opvang zal goedkoper zijn en de kinderen kunnen met werken geld
inbrengen en een vak leren. Dat is althans de insteek. Er is erg veel verzet,
van weeshuizen, maar ook van familieleden en plaatsgenoten, om de kinderen naar
zo'n grootschalige opvang in zo'n barre omgeving te sturen. Het lukt niet om de
benodigde 4000 kinderen voor de drie gestichten te verwerven. Veenhuizen 2 verandert al snel in een
bedelaarsopvang, Veenhuizen 3 draait enige tijd, maar er mankeert van alles aan
het gebouw, teveel kinderen sterven. De overblijvers komen tenslotte terecht in
Veenhuizen 1, bij de eerder geplaatste wezen, daar is inmiddels genoeg plek.
Opnieuw vallen de financiële resultaten tegen. Niet alle kinderen kunnen werken, eten en
kleding kosten te veel, er wordt onbarmhartig op bezuinigd. De kritiek neemt
toe, de controle van buitenaf ook. Er zijn onbegrepen, ernstige medische
problemen. Opnieuw moet er geld bij, veel geld. Maar dan heeft de Staten
Generaal inmiddels genoeg macht om een regeringsvertegenwoordiger in het
bestuur van de Maatschappij te kunnen plaatsen en controles uit te laten voeren
op de financiële toestand. De schrik is groot. De staat neemt de gestichten
over, voor de resterende wezen (dat zijn
er niet zo veel meer) zoekt men een nieuwe plek: terug naar het weeshuis van
vroeger, kleinschalige opvang in de gezinnen van vrije kolonisten of naar verpleeginrichtingen.
Nazaten
Het lijkt er op dat Wil Schackmann daarmee alles verteld
heeft wat er te vertellen valt over de Maatschappij Van Weldadigheid. Maar wij
keren na de wandeling toch nog even terug naar het museum om in de zaal van de
wisselexposities enkele van de 16 videoportretten te bekijken waarin inwoners
vanuit heel verschillende invalshoeken het kolonieverhaal vertellen. Een
project dat gerealiseerd moest worden voor het te laat was… Want veel van de
geïnterviewden zijn ver boven de zeventig, soms al een eind in de tachtig. Zij
weten nog hoe het was, hoe het voelde om te werken en te wonen in de koloniën
in Frederiksoord en Wilhelminaoord: vaak gaat hun familiegeschiedenis terug tot
de oprichtingstijd van de Maatschappij van Weldadigheid. Verschillende emoties
klinken door in de filmpjes: ontzag, waardering, kritiek, weemoed… Maar bovenal
spreekt er betrokkenheid uit de beelden. Onderwerpen die aan de orde komen zijn
onder andere de zo specifieke kolonietaal, ‘bestedelingen’ (ofwel wezen uit de
grote steden die hier bij gezinnen geplaatst werden om verzekerd te zijn van
een behoorlijke opvoeding en een betere toekomst). Er komen pachters aan het
woord, de koloniedokter, de directeur, een boswachter met een 40-jarige staat
van dienst en er is aandacht voor het ontstaan en het reilen en zeilen van twee
koloniewinkels.
Mooi om ons bezoek mee af te sluiten, want het was niet
allemaal kommer en kwel, zeker niet in de latere periode. Natuurlijk ging er
veel mis en ook is de kritiek vaak: wat Van den Bosch deed was een druppel op
een gloeiende plaat. Maar het was wel de aanzet tot onze huidige
verzorgingsstaat en voor wie het geluk had tot kolonist uitverkoren te worden
waren er kansen die vele anderen nooit kregen.
Meer dan 800.000 Nederlanders hebben hun wortels in de
koloniën van Weldadigheid, waaronder bekende Nederlanders als Jeltje van
Nieuwenhoven, Philip Freriks, Henny van der Most en Alexander Pechtold. Wie het
leuk vindt uit te zoeken of, en zo ja, hoe hij/zij verbonden is met de
koloniale historie kan de gedigitaliseerde gegevens inzien in het museum. Deze
openbare informatie staat ook online bij www.drenlias.nl.
Jannie Trouwborst, oktober 2016.
Ik lees Nederlands 38, 39,40/35.
Deze reportage/recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en deels op Leestafel.
maandag 10 oktober 2016
Koloniën van Weldadigheid - Vrij in de kolonie (dubbelboek)
In 1818 richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed
herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord. In 2011 werd het
culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de
voorlopige lijst van Werelderfgoed van de
Unesco, om waarschijnlijk in het jubileumjaar 2018 de definitieve status te
bereiken.
Dubbelboek
Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij van Weldadigheid (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan o.a. drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).
Dubbelboek
Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij van Weldadigheid (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan o.a. drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).
In september 2016 is daar een minder omvangrijk dubbelboek aan toegevoegd: een beknopt maar helder overzicht van de geschiedenis van de Koloniën van Weldadigheid en, als je het boek omdraait, een kinderverhaal dat diezelfde geschiedenis nog eens op een ander niveau vertelt. Het is aantrekkelijk uitgevoerd: gebonden in een harde kaft, gedrukt op stevig papier en het heeft een behoorlijk formaat: 24 x 27 cm. Elk boekdeel omvat 48 pagina's. Voor de tekst van Schackmann (met veel informatie) is een beduidend kleiner lettertype gekozen dan voor het kinderverhaal (gemakkelijker om zelf te lezen).
Koloniën van Weldadigheid door Wil Schackmann is rijk geïllustreerd door middel van kopieën van kaarten, tekeningen, documenten en portretten. Het lezen van deze samenvatting is een aantrekkelijke manier om kennis te maken met de intrigerende geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid en hetgeen zij heeft voortgebracht. Door voorbeelden en anekdotes in de tekst te verwerken, geeft hij tevens een gezicht aan de eenvoudige mensen die deel uitmaken van deze geschiedenis. Achterin dit gedeelte is een literatuurlijst toegevoegd voor wie er meer over wil lezen. Ook als hulpmiddel bij het maken van een werkstuk of voorbereiding op een spreekbeurt kan het goede diensten bewijzen.
Kleurrijke aquarellen vormen de illustraties bij het
kinderverhaal Vrij in de kolonie. Ze zijn gemaakt door Rob
Hopstaken en vullen de tekst goed aan. Het verhaal is geschreven door Daniëlle Schothorst. Zij heeft de
historische gegevens omgezet in een fictief, maar realistisch verhaal over
‘Hans’ en zijn ‘grote broer Dirk’, die met hun gezin opgezonden worden
naar Willemsoord, een van de koloniedorpen. De beide broers ondergaan het
regiem met heel verschillende gevoelens. Het verhaal is geschikt voor kinderen
vanaf ca. 8 jaar.
Het boek kan via http://www.weldadigoord.nl/kolonieroman besteld worden of via de gewone boekhandel onder vermelding van ISBN: 978-90-825423-0-1 en uitgever Stichting Weldadig Oord.
© JannieTr, oktober 2016.
Ik lees Nederlands 36/35.
Abonneren op:
Posts (Atom)














