Posts tonen met het label debuut. Alle posts tonen
Posts tonen met het label debuut. Alle posts tonen

vrijdag 3 juni 2022

Marion Bruinenberg - Nieuweling

Af en toe is er een boek, dat erom vraagt tenminste tweemaal gelezen te worden. Nieuweling van Marion Bruinenberg is zo'n boek. Bij een eerste lezing is het de steeds verder oplopende  spanning in het verhaal die er voor zorgt dat je door blijft lezen, met tegelijkertijd het onbehagelijke gevoel dat er veel meer aan de hand is dan je op het eerste gezicht zou zeggen. En als je het uit hebt, blijft er iets knagen, totdat je je realiseert dat dit verhaal niet voor niets een ik-perspectief heeft. Meegesleept door de gebeurtenissen was je vergeten dat dat een onbetrouwbaar perspectief is. En dat je het boek nogmaals zult moeten lezen om te ontdekken welke waarheid er achter de verhalen van de ik-persoon schuilt.

Eenzaamheid in al haar facetten

Ergens in de Alpen ligt een dorp, dat maar 3 maanden per jaar echt van de zon kan genieten. De overige maanden gaat zij schuil achter een grote bergkam met twee pieken, De Twee Wachters genaamd. Het dorp is moeilijk bereikbaar en wordt nog slechts bevolkt door "achterblijvers": oude mensen die hun kinderen zagen vertrekken naar de grote stad. Simone is nog de enige van de jongere generatie. Op nieuwkomers hopen heeft geen zin meer. Toch is ook zij eigenlijk een nieuwkomer: haar vader was inwoner van het dorp, maar trok naar de stad. Hij trouwde er en kwam met vrouw en kind terug. Maar het dorp is hard voor "verraders". Hoe hij ook zijn best deed, hij werd niet meer beschouwd als één van hen. De moeder van Simone hield het niet meer uit en wilde terug naar de stad, maar haar vader wilde blijven. Simone werd heen en weer geslingerd tussen de wensen en overtuigingen van haar ouders. Haar moeder vertrok alleen en wilde Simone meenemen, maar die kon geen beslissing nemen. "En wie niets beslist, beslist in feite ook." Simone blijft achter bij haar vader. Een eenzaam kind, zonder moeder, zonder leeftijdgenootjes, met een vader die er vooral graag bij wil horen en van haar verwacht dat ze alles doet wat hij denkt dat het dorp van haar verwacht. Als troost verzint ze een vriendje.
 
Maar nu is ze achterin de twintig en kort geleden is haar vader overleden. Het huis is van haar, maar ze weet nog steeds niet wat ze wil: blijven of weggaan. Ze zakt weg in een depressie. Marie, een oudere vrouw die zich een beetje om haar bekommert, stelt voor een kamer te verhuren. Voor een beetje aanspraak met iemand van haar eigen leeftijd. En als de deprimerende donkere maanden voorbij zijn, komt Eveline bij haar wonen om er een plantenonderzoek te doen naar de overlevingsmechanismen van planten die op moeten groeien in deze duistere omstandigheden.

Drie maanden vrolijkheid
 
Het enthousiasme van Eveline is aanstekelijk. Ze is geïnteresseerd in de tradities van het dorp, kan met iedereen goed opschieten, is vrolijk en uitbundig en neemt Simone mee op pad om de schoonheid van de natuur en het bijzondere leven van planten beter te leren kennen. Ze wil van alles weten van Simone. Die zegt eerst dat ze zich weinig weet te herinneren van vroeger, maar stukje bij beetje komen de herinneringen terug. Met informatie over zichzelf is Eveline echter erg zuinig.
 
De spanning bouwt zich op, mede door de vooruitwijzingen in de tekst en de afwisseling van de lange hoofdstukken uit de opeenvolgende zomermaanden en de korte uit september, als met het licht ook Eveline blijkbaar vertrokken is. In de loop van de zomer wordt Simone steeds wantrouwiger, jaloers ook op het gemak waarmee Eveline met anderen omgaat en daardoor er niet meer alleen voor haar is. Het eind voelt ongemakkelijk en vraagt om zoeken naar de diepere laag.

Mens en natuur

De natuurbeschrijvingen zijn beeldend en mooi verwoord. Daarnaast verdedigt Eveline enthousiast de waarde van de natuur. En met name de rol die planten daarin spelen. Geregeld komt de verhouding van de mens tot de natuur aan bod. Ook in de herinneringen van Simone over de gesprekken met haar ouders in haar jeugd. De herinneringen die Eveline los maakt, geven ons een kijkje in de ontwikkeling van Simone: heen en weer geslingerd tussen vader en moeder, licht en donker, dorp en stad, terugtrekken of meedoen.
Eveline tegen Simone:

""Planten zijn net zo complex als mensen," zei ze enthousiast. "Misschien wel complexer. Ze groeien op plaatsen waar geen mens het lang uit zou houden, worden groter en leven langer. Ze bewegen zonder vooruit te komen, zonder spieren en gewrichten, ze verteren prooien zonder mond of maag, ze vertonen intelligentie zonder centraal zenuwstelsel".
Ik opende mijn mond maar wist niets te zeggen. Ik vroeg me af wat ze probeerde te bereiken. Waarom wilde ze me uit alle macht overtuigen - Wat was haar doel?
"Ik probeer alleen maar je blik te verruimen," zei ze, alsof ze mijn gedachten had gelezen. "Het is allemaal niet zo zwart-wit als je denkt."
"Waarom?"
"Omdat je vastgelopen bent, omdat je je terugtrekt, je verstopt.""

Nieuweling

Wie is deze Nieuweling? Is het Eveline die de zomer doorbrengt bij Simone? Is het Simone die verandert door het contact met Eveline? Of zit het nog anders? Dit boek een tweede maal lezen verheldert veel. Met een vaag vermoeden van de oplossing, ontdek je dan subtiel kleine verwijzingen naar het antwoord. Ook de symboliek van de plantenwereld valt zo op zijn plaats.
 
Het is trouwens geen straf om het nogmaals te lezen. Deze nieuweling tussen de  Nederlandstalige schrijvers heeft een prettig leesbaar, spannend en interessant boek geschreven. Ik ben benieuwd naar het volgende.

Marion Bruinenberg - Nieuweling. Amsterdam, Podium, 2022. Pb., 347 pg., isbn:9789463810593.

© Jannie Trouwborst, juni 2022.

zondag 9 februari 2020

Eva Meijer - Het schuwste dier

In 2017 wordt het oeuvre van Eva Meijer, dat bestaat uit zowel fictie als non-fictie, bekroond met de Halewijnprijs. Op dat moment heeft ze al een aantal succesvolle titels op haar naam staan en verschillende prijzen ontvangen. Ook de daarna verschenen boeken zijn succesvol gebleken. Dat heeft Cossee ertoe doen besluiten om Het schuwste dier, haar debuut uit 2011, opnieuw uit te geven. Want ook al werd het boek destijds genomineerd voor de Academica  Literatuurprijs, de Gouden Boekenuil en de Vrouw&Proza debuutprijs, toch kreeg het niet de aandacht die het verdient. Bovendien is er in deze roman al veel van haar latere thematiek te herkennen. Een herkansing dus.

Rouw in de familie om een plotselinge dood

De hoofdpersoon, een meisje van nog geen twintig, studeert sinds een paar maanden in Engeland. Ze wordt teruggeroepen naar huis vanwege de plotselinge dood van haar tante. De zelfmoord van deze zieke zus van haar moeder schokt de hele familie. Er is verbijstering, verdriet, ongeloof, woede, er moet van alles geregeld worden. De hoofdstukken hebben als titel de namen van de week waarin zich dat alles afspeelt. Een week waarin de tijd stil lijkt te staan, terwijl het leven gewoon door blijft gaan. Een week waarin iedereen opgesloten lijkt te zitten in de eigen rouw en het eigen verdriet.

Intiem perspectief

De naam van de ik-persoon kennen we niet. Toch zitten we in haar hoofd gevangen. Ze deelt in veelal korte zinnetjes haar gedachten met ons. Die variëren van banale alledaagse dingen die haar opvallen, via observaties van de reacties van de anderen om haar heen, tot haar eigen rouwgevoelens en de ondertussen ook nog verwarrende liefdeservaringen met haar voormalige lerares.
Een meisje van twintig is er in te herkennen. Nog zoekende en onzeker. De gebeurtenissen rond het sterfgeval laten haar anders kijken naar haar familieleden. Door het gedrag te beschrijven, ontstaat er een bepaald beeld van de persoon en van de verhoudingen tussen de familieleden. Het is een manier van schrijven waarin van de lezer de nodige empathie wordt verwacht. Dat maakt het lezen boeiend, terwijl het tegelijkertijd de verwarring teweeg brengt die in deze week iedereen in zijn greep houdt.
Dieren zijn ook aanwezig. Vooral huisdieren. De honden en katten, waar nauwelijks aandacht voor is bij de andere mensen, die troost bieden, recht hebben op verzorging, ook in lastige tijden. De ik-persoon kijkt naar ze om. Ook het gedrag van de vogels slaat ze met interesse gade. Als afleiding.

Het schuwste dier

De gesprekken tussen de betrokken familieleden lijken willekeurig, maar zijn het niet. Gekibbel bijvoorbeeld over welke vla de tante het liefst lustte, is in feite een strijd over wie haar het beste kende: haar partner of haar zussen. Zo gebeurt er veel dat meer is dan het lijkt, alles om het gesprek over het verdriet en het gemis niet aan te gaan. Dat is het schuwste dier, dat zich verstopt en alleen zichtbaar wordt in een plotselinge huilbui en de talrijke omhelzingen. Het verhaal krijgt zo een diepere laag. Ook de ik-persoon probeert door observatie van het dagelijkse niet met het ergste bezig te zijn, maar toch dringt het zich geregeld op. Dat zich uit in filosofische overwegingen.

Er zijn verschillende manieren waarop iets verloren kan gaan.
Soms verdwijnt het gewoon. Het was er eerst nog. Het is niet duidelijk waar het gebleven is, en of het ergens gebleven is. Een goocheltruc.
Soms verdwijnt het langzaam uit zicht, als een schip of en huis vanuit het achterraam van een auto. Een van beide partners beweegt moedwillig, of beide partijen bewegen van elkaar af.
Soms wordt het weggegooid. Oud papier, gft-afval, een kunstgebit dat niet meer past, een boodschappenlijstje dat iemand in een winkelwagen heeft laten liggen.
Soms wordt het vergeten. Niemand denkt er ooit meer aan. Het bestond, maar omdat iedereen vergeten is dat het bestond, bestond het misschien niet. (Soms duikt het weer op, door een associatie met iets anders of een vraag).
Soms is het al weg terwijl het er nog lijkt te zijn, zoals een ster.
Soms is het avond, wordt het laat en later, nacht, ochtend. Dat het weer avond wordt, maakt voor de avond die geweest is niet uit. Elke seconde is al voorbij als je aan hem denkt. (Nu.)

In het slothoofdstuk, tijdens een wandeling met de hond, lukt het haar uiteindelijk de woorden te vinden die haar moeten helpen om te leren verder te leven in het besef van het onvermijdelijke.

Mooi debuut, goed dat het opnieuw is uitgegeven.

Eva Meijer - Het schuwste dier. Amsterdam, Cossee, 2020. Pb., 219 pg., ISBN:978-90-5936-879-8.

© Jannie Trouwborst, februari 2020.

Eerder verschenen op dit blog, de recensie van Eva Meijer Het vogelhuis.

dinsdag 4 september 2018

Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald

Een boek over Suriname met in de titel: Mevrouw Grünwald bevreemdde mij. Dat klinkt toch Duits? Maar het klopt helemaal. In de loop van een paar eeuwen is de inheemse bevolking van Suriname uitgebreid met vele nationaliteiten. Daar hoorden ook Duitsers bij.

Een gemêleerd gezelschap

De oorspronkelijke inwoners van Suriname, vroeger ook wel indianen genoemd, woonden voornamelijk in de binnenlanden. Inmiddels vormen zij een minderheid in Suriname. In het oerwoud woonden ook de  marrons, afstammelingen van slaven die van de plantages weggelopen waren om in het regenwoud een nieuw bestaan op te bouwen. Tegenwoordig vormen zij een aparte bevolkingsgroep in Suriname, die duidelijk anders is dan de andere groepen. 
De oorspronkelijke slaven kwamen uit West-Afrika. De afstammelingen van deze slaven zijn de creolen. De term ‘creool’ betekent ‘in eigen huis geboren’. De term werd vroeger al gebruikt voor toenmalige slaven die in Suriname geboren waren. De creolen hebben een “westerse” levensstijl, hoewel er onder hen ook steeds meer aandacht is voor hun traditionele gebruiken en religies. De meeste creolen wonen in Paramaribo. 
Na afschaffing van de slavernij haalde men in de 19de eeuw contractarbeiders naar Suriname om op de plantages te werken: Hindostanen uit India en Javanen (de meesten moslim, maar ook met traditionele geloofsovertuigingen). Ze mochten gratis terug naar hun thuisland, maar de meesten bleven.
Dan zijn er natuurlijk nog nazaten van de plantagehouders: Nederlanders, Fransen, Engelsen, Portugezen. En tenslotte de zendelingen van de Evangelische Broedergemeente, ook wel hernhutters genoemd, met wortels in Duitsland. In Suriname is de Evangelische Broedergemeente nog altijd het grootste protestantse kerkgenootschap met zo'n 60.000 leden. En zo kwamen de voorouders van Mevrouw Grünwald in Suriname terecht.

Een Duits paspoort

De voorouders van meneer en mevrouw Grünwald kwamen al 200 jaar eerder naar Suriname. Maar het nageslacht behield het Duitse paspoort, uit sentimentele overwegingen. En dat breekt op, als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Dat de Duitsers zich schandelijk misdroegen in Nederland, net zo als de Japanners in Indië, daar zijn genoeg aangrijpende boeken over geschreven. Maar het leek altijd of er in het buiten de oorlog gebleven Suriname niets aan de hand was. Dat dat toch heel anders lag, laat Diana Tjin ons zien in deze roman, die gebaseerd is op feiten en verhalen van slachtoffers.

Anna is negentien, als haar grootmoeder haar naar Mevrouw Grünwald stuurt met een brief. Ze heeft geen idee waarom. Ze mag blijven logeren. Thuis gaat het niet goed en ze is blij er een paar dagen tussen uit te zijn. Twee verhalen heeft de schrijfster dooreen geweven: het oorlogsverhaal van Mevrouw Grünwald en het dramatische verhaal dat zich bij Anna thuis afgespeeld heeft. Uiteindelijk komen ze samen, als het Anna duidelijk wordt, waarom haar grootmoeder haar juist naar deze vrouw gestuurd heeft.

Kamp Copieweg

Mevrouw Grünwald vertelt Anna over haar tijd in Kamp Copieweg. Hoewel de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname vreedzaam naast elkaar leven als de oorlog uitbreekt, wordt van hogerhand bevolen dat iedereen met een Duits paspoort geïnterneerd moet worden. Eerst alleen de mannen, later ook de vrouwen en kinderen en zelfs gevluchte Duitse Joden en dienstweigeraars uit Zuid-Afrika (Boeren die nog een Nederlands paspoort hadden). Na heen en weer gesleept te zijn tussen verschillende tijdelijke onderkomens, komen ze allemaal terecht op Kamp Copieweg. De ontberingen zijn schrijnend. Met de moed der wanhoop en soms met een beetje hulp van oude vrienden buiten het kamp, worstelen ze zich door de jarenlange, ellendige gevangenschap heen. Maar als Nederland allang bevrijd is, verblijven zij nog in het interneringskamp. Pas in 1947 komen ze weer vrij. Ze kennen Parimaribo niet meer terug. Dankzij de bauxietindustrie is het een welvarend land geworden, waardoor veel mensen er een luxe leventje op na kunnen houden. De Amerikanen die de bauxiet nodig hadden voor de vliegtuigindustrie in de oorlog hebben asfaltwegen aangelegd en voor werkgelegenheid gezorgd.
Mevrouw Grünwald denkt haar gewone leven weer op te kunnen pakken, ze heeft zelfs haar huis terug, waar de buren goed voor gezorgd hebben. En iedereen is heel behulpzaam. Maar dan wordt ze geconfronteerd met iets dat met het geheim uit de titel te maken heeft.
Met haar drie kinderen vertrekt ze naar Amsterdam, om te ervaren dat ze ook daar bepaald niet met open armen ontvangen wordt.

Anna's verhaal

Zo goed als het verhaal van Mevrouw Grünwald te volgen is, zo duister is dat van Anna, haar broer Simon en haar vader, moeder en grootmoeder. Niet alleen moet de lezer veel raden en zelf zien in te vullen, symboliek speelt er ook een grote rol in. Duidelijk is dat er sprake is van heftige ruzies en kindermishandeling en uiteindelijk moord. En dan wordt duidelijk waar de verhalen elkaar raken: ook in het kamp was er sprake van een vader die zijn zoon uithongerde en mishandelde tot de dood erop volgde. Zijn dochter was al voor de oorlog zwanger naar Nederland gevlucht. En langzaam begint het tot Anna door te dringen waarom haar grootmoeder haar juist naar deze vrouw toegestuurd heeft.

Twee belangrijke Surinaamse thema's

Het debuut van Diana Tjin mag er zijn. De schandelijke internering van goedwillende Surinaamse burgers zonder enige nazisympathieën en de mensonterende manier waarop ze gevangen gehouden zijn tot ver na de bevrijding is een schandvlek die niet onopgemerkt mag blijven. Diana Tjin heeft het goed beschreven.
Maar minstens zo belangrijk is de aandacht voor het andere thema: kindermishandeling. Het komt in veel Surinaamse boeken voor en niet voor niets. Wie mishandeld is als kind, heeft een grote kans zelf ook tot mishandelen over te gaan. De vreselijke verhalen over de behandeling van slaven staan in genoeg boeken beschreven. Maar blijkbaar moet het nog vele generaties na de afschaffing van de slavernij duren, voor deze keten doorbroken wordt.

Het zal best ingewikkeld geweest zijn deze thema's dooreen te weven. Ook voor de lezer is het een uitdaging Anna's verhaal te duiden en het verband tussen beide verhalen te achterhalen. Het besef, dat hier de vinger gelegd wordt op een hardnekkig Surinaams probleem, laat mij als lezer verslagen achter.

Diana Tjin - Het geheim van Mevrouw Grünwald. Haarlem, In de Knipscheer, 2017. 229 pg., met lit. opg., isbn:978-90-6265-954-8.

Diana Tjin (1961) is geboren in Amsterdam. Haar ouders zijn afkomstig uit Suriname. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde ze klassieke talen. Ze is werkzaam als catalografe bij de Universiteitsbibliotheek.

© Jannie Trouwborst, september 2018.

zondag 1 april 2018

Annette de Vries - Scheurbuik

Annette de Vries (1954) heeft een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder. Op 2-jarige leeftijd verhuist zij van Nederland naar Suriname, op haar 15de keert ze terug. Na de toneelschool is zij een poosje toneeldocent en schrijft boeken voor de opleiding en het amateurtoneel. Sinds 1995 werkt ze in de kunstensector als adviseur culturele diversiteit en sinds enkele jaren begeleidt ze ook aankomende schrijvers. Scheurbuik (2002) was haar romandebuut (ze nam 2 jaar vrij om het te kunnen schrijven). Daarna volgde in 2010 nog Drijfhout.

Inhoud

Scheurbuik vertelt het verhaal van een vrouw die wordt geconfronteerd met zowel haar eigen geschiedenis als die van Suriname en Nederland.
De drieëndertigjarige Lucia Mac Nack keert naar Suriname terug om haar ernstig zieke vriend Miquel Del Prado bij te staan. Zij wordt opgenomen door zijn familie, naast wie zij tot haar vertrek (als 10-jarige) naar Nederland woonde. Terwijl haar komst het leven van de familie Del Prado in een stroomversnelling brengt, raakt Lucia bevriend met de eenzame, excentrieke Carmen en voelt zij zich aangetrokken tot de rokkenjager Pedro.
Pendelend tussen Miquel, die op de afgelegen boerderij bij zijn bejaarde oom Ferdinand inwoont en Carmen, die een statig koloniaal huis aan de Suriname-rivier bewoont, ontdekt Lucia dat haar verleden zowel afstand als geborgenheid heeft teweeggebracht.
Tijdens de hete dagen en de mystieke nachten in Suriname ontrolt zich een even ontroerende als meeslepende geschiedenis over liefde, onthechting en familiebanden. (Flaptekst).

Scheurbuik

Scheurbuik, op het eerste gezicht een vreemde titel, blijkt te slaan op de bere (=buik), zoals in Suriname de familie, incl. 7 generaties van voorouders, genoemd wordt. Dat bij die voorouders ook Nederlanders horen, wordt vaak vergeten. Alle voorouders verdienen respect, ze beschermen het nageslacht. Door het ontkennen van de zeer verweven geschiedenis van Surinamers en Nederlanders ontstaat er een scheur in de buik. Om die te helen moeten zowel Nederlanders als Surinamers deze gezamenlijke geschiedenis kennen en accepteren. Het boek is opgedragen aan haar bere (familie), het motto is een Surinaams liedje over de lange rij voorouders.

Een lesje geschiedenis
De structuur van het boek is eenvoudig. Het verhaal wordt chronologisch verteld en af en toe zorgt een flashback voor de nodige achtergrondinformatie. In de eerste 5 hoofdstukken worden de hoofdrolspelers twee aan twee geïntroduceerd. Door het perspectief steeds bij een ander personage te leggen, leren we alle hoofdrolspelers en hun situatie goed kennen. Daardoor lijkt de roman wat traag te beginnen, maar des te gemakkelijker is het om daarna direct meegetrokken te worden in het vervolg van het verhaal.
Het slavernijverleden en de recente geschiedenis van Suriname krijgen tussendoor aandacht, in de verhalen van de hoofdpersonen of via gevonden dagboeken en stambomen. Soms wringt dat wat met de natuurlijke verteltrant en komt het wat schools over.
Het boek begint met een brief van Miquel waarin hij Lucia smeekt hem bij te staan tijdens zijn laatste maanden in Suriname en eindigt ook met een brief, waarin Carmen aan de naar Nederland teruggekeerde Lucia schrijft over de afloop. Heel toepasselijk eindigt die brief met de mededeling dat het goed gaat met haar zwangerschap: Mijn buik is rond, zo glad als een steen in een stroomversnelling en zit boordevol leven. Dat maakt het verhaal ook mooi rond.

Verscheurdheid
Hoofdthema van het boek is de verscheurdheid van mensen die in hun leven te maken krijgen met een verandering van cultuur door verhuizing naar een ander land. De manier waarop dat thema is uitgewerkt, geeft het een veel ruimere geldigheid dan alleen in de Surinaams-Nederlandse context.
Zoals Jos Borré in een recensie in De Morgen opmerkt:
"In de peiling naar het levensgevoel van mensen zoals Lucia gaat A. de V. veel dieper dan de clichés over allochtonen die gangbaar zijn in het politieke en maatschappelijke discours van vandaag.(...) Scheurbuik is een roman die de lezer niet confronteert met een ander leven, maar hem heel geleidelijk introduceert in dat leven, hem hoogte doet krijgen van het levensgevoel dat de mensen er huldigen en dat hem na zijn onderdompeling met meer respect achterlaat dan een politieke of humanitaire eis had kunnen afdwingen. (De Morgen, 27-03-2002 - De diepe onderstormen van het bestaan)."
Andere thema's zijn o.a.: liefde, dood, familiebanden, religieuze opvattingen (christendom/winti), discriminatie.

Toneelachtergrond

De toneelachtergrond van A. de V. komt enigszins naar voren in de stijl. De karakters worden getekend via hun uiterlijk en gedragingen, meer dan door hun gedachten en gevoelens, al zijn die beschrijvingen soms typerend genoeg om een aardig idee te krijgen. Toch hadden ze nog wel iets uitgediept mogen worden. Ze maken wel een duidelijke persoonlijke ontwikkeling door: de hoofdpersonen kijken aan het eind van het boek allemaal op een andere manier tegen het leven aan (of zijn in vrede gestorven). Er is geen happy-end, er is alleen een nieuwe, voorgenomen start: het is aan de lezer om zelf in te vullen wat het vervolg zal zijn.

Treffende beeldspraak
De opmerking in het uittreksel van Biblion: eenvoudig taalgebruik dat niet overloopt van beeldspraak, kan gemakkelijk gelogenstraft worden door een reeks citaten van treffende beeldspraak. Enkele voorbeelden:
- Carmen had iets weg van een kleurige vis die met glazige ogen in een schemerig aquarium hing, waar niets anders gebeurde dan het monotoon omhoog borrelen van luchtbelletjes.
- Leven is wakker worden in een snelstromende rivier, meegesleurd worden over watervallen en stroomversnellingen en uiteindelijk in diezelfde rivier verdrinken.
- Dan zouden de dames en één heer die deel uitmaakten van de krans als papegaaien uit een mand door de deuren van de kerk naar buiten komen fladderen en zich kwetterend op de tafel met broodjes naast haar storten.
- In de voorzaal van tante Helen leek de tijd te verstrijken als stroop die langs een flessenhals druipt.
De beeldende manier waarop ze beschrijft hoe het moet voelen om een hartaanval te krijgen is aangrijpend.

Ik kan mij vinden in de conclusie van Eltje Borst (Het Financieel Dagblad, 11 mei 2002): Een knap geconstrueerd verhaal, aangrijpend, met veel lagen en mooie details.

Annette de Vries - Scheurbuik. Amsterdam, Atlas, 2002. Paperback, 2e dr., 319 pg., isbn 9045011611. (N.B. Beide genoemde boeken zijn alleen nog tweedehands verkrijgbaar of via de bibliotheek).

©Jannie Trouwborst, 29 november 2011.

(Dit is een bewerking van een ouder blog t.b.v. #MSL2018)

maandag 15 mei 2017

Kristien Dieltiens - Kortgeknipt

Je kunt een kind wel uit de oorlog halen, maar hoe haal je de oorlog uit een kind? Deze slogan komt van Warchild, een stichting die zich overal ter wereld inzet voor kinderen die met oorlog te maken krijgen. Hoe moeilijk het is deze kinderen daadwerkelijk te helpen en hoe groot de inzet van de medewerkers en vrijwilligers is, is te lezen op hun site. Oorlog is van alle tijden en kinderen zijn de meest weerloze slachtoffers. Als zij de verschrikkingen al overleven, zijn ze lichamelijk en/of psychisch voor het leven getekend. Het is goed dat er aandacht voor hun lot is, al zal Warchild niet alle kinderen kunnen bereiken.
Die aandacht was er niet voor de kinderen uit eerdere perioden, zoals tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en de nasleep daarvan. In Kortgeknipt toont Kristien Dieltiens ons in een aangrijpend verhaal de levenslange gevolgen van oorlogsleed voor twee Spaanse kinderen.

Kristien Dieltens (Antwerpen,1954) volgde een kunstopleiding aan de academies van Kontich en Brugge en stond jarenlang voor de klas. Sinds 2008 is ze voltijds auteur en illustrator. Haar jeugdboeken werden in vele talen vertaald. Haar laatstverschenen jeugdroman Kelderkind (2013) won de prestigieuze Woutertje Pieterseprijs en werd bejubeld in Duitsland waar het begin 2017 werd uitgeroepen tot 1 van de 7 beste Young Adultboeken. Kortgeknipt is haar debuut voor volwassenen.

Om goede jeugdboeken te kunnen schrijven, moet je in staat zijn je te verplaatsen in de gedachten en gevoelswereld van kinderen. Dat Kristien Dieltiens dat prima kan, is in deze roman voor volwassenen duidelijk merkbaar. Hoofdpersonen zijn Angel van 10 en Carmela van 14. Het is 1937, de Spaanse burgeroorlog woedt in alle hevigheid.
De Basken en de Catalanen verzetten zich fanatiek tegen de staatsgreep van Generaal Franco en zijn fascistische aanhang. Maar zij worden gemakkelijk verslagen door de coupplegers als die hulp krijgen van de Duitsers. De dagelijkse bombardementen op burgerdoelen kosten velen het leven. Er wordt een noodplan bedacht om te proberen tenminste de kinderen in veiligheid te brengen:  ze zullen ondergebracht worden bij opvanggezinnen in onder andere Vlaanderen. Als de oorlog over is (binnen korte tijd, verwacht men), zullen de kinderen weer terug kunnen keren.

Angel is een gevoelig jongetje, erg gehecht aan zijn familie, vooral aan zijn ouders en grootouders. Met zijn stoere broers kan hij minder goed overweg. Voor zijn vader afscheid neemt en de bergen intrekt om te strijden, draagt hij zijn vrouw op de kinderen naar Guernica te brengen, naar een neef, die zal helpen ze mee te geven aan een kinderkonvooi dat hen over zee naar veilige landen zal brengen. Moeder gaat met haar drie zonen op weg, net als vele andere gezinnen. Nauwelijks aangekomen in Guernica voeren de Duitsers een bombardement uit op de stad, waarbij bijna de gehele bevolking omkomt. Carmela is de dochter van de neef waarheen Angels familie op weg was. Zij overleeft als enige in haar familie de aanval en wordt door haar peetoom mee gestuurd met de vluchtelingen. 

Alle ellende die de kinderen zien, meemaken en ondergaan in een nietsontziende oorlog komen aan bod in dit aangrijpende verhaal. Daarna volgt de reis over zee, de opvang in Vlaanderen. Angel treft het, zijn tweelingbroer Jaime niet. Hun oudste broer is in Frankrijk van boord gevlucht om terug te gaan naar Spanje om er te vechten. Ook Carmela zit het niet mee. Voor haar houdt de ellende niet op in het veilige Vlaanderen. Hoe goed bedoeld die opvang ook is, voor de traumatische ervaringen van de kinderen en hun heimwee naar hun ouders is geen aandacht. De oplossing lijkt te zijn: als je er niet meer over praat, dan verdwijnt het verdriet vanzelf naar de achtergrond. En terug naar hun land? Dat zit er de eerste tien jaar ook niet meer in. Eerst komt daar nog de Tweede Wereldoorlog tussen. Uiteindelijk zullen beide kinderen, als zovelen, in België een nieuw leven opbouwen.

Door vanuit het perspectief van Angel en Carmela te schrijven maakt Kristien Dieltiens het drama invoelbaar zonder grote woorden. Het is duidelijk dat alles wat ze meegemaakt hebben, hen tekent voor het leven. In het vreemde land proberen ze, op heel verschillende wijze, zich staande te houden, kiezen elk voor een onwrikbare overlevingsstrategie, worstelen met tegenstrijdige gevoelens. Steeds wisselt een periode uit het leven van Angel af met één uit het leven van Carmela. Soms raken die twee verhaallijnen elkaar, maar pas op het einde komen ze echt samen. Angel vertelt zijn verhaal in de ik-vorm, Carmela doet een groot deel van haar trieste verhaal in de jij-vorm. Daarmee kan ze alles wat haar overkomt op afstand zetten: niet haar maar iemand anders overkomt het allemaal.

Al zijn Angel en Carmela romanfiguren toch staan hun belevenissen model voor de werkelijkheid. Niet alleen ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog, maar ook voor wat kinderen daarna en nog steeds meemaken ten gevolge van oorlogen tussen grote mensen. Omdat Kristien Dieltiens ons als volwassenen de gebeurtenissen laat meebeleven door de ogen van de kinderen komen ze extra hard aan. Daar heeft geen ze tranentrekkende teksten voor nodig. De verbijstering van een kind, maar ook zijn relativeringsvermogen, de onschuld (waardoor wij al eerder begrijpen wat voor ramp er gaat gebeuren), loyaliteit en schuldgevoelens (naar zijn ouders en zijn pleegouders), heimwee, omgaan met onrecht, de gelatenheid en toch ook steeds weer de vechtlust: het is onmogelijk om niet geraakt te worden door dit beklemmende en psychologische goed uitgewerkte boek. 

Achterin het boek staat de geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog beknopt beschreven. Ook worden de feiten over de opvang in België en de redenen van het al dan niet terugkeren naar Spanje op een rijtje gezet. In haar nawoord merkt Kristien Dieltiens nog op dat de meeste kinderen goed terecht gekomen zijn. 

Kristien Dieltiens - Kortgeknipt Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017. Pb., 367 pg., isbn:978-94-6001-569-4. 

© Jannie Trouwborst, mei 2016.

vrijdag 17 maart 2017

Joost van Driel - In het museum

Soms is het moeilijk om onder woorden te brengen hoe het komt dat een verhaal dat zo eenvoudig begint uiteindelijk zoveel verwarring en ongemak sticht. Hoewel? De eerste zin mag er zijn: "Nooit had David Schijndels durven hopen dat hij in een dinosaurus zou veranderen. De dag was niet slecht begonnen, maar dat het leven zo mooi zou eindigen...." Alle alarmbellen zouden af moeten gaan, maar als het verhaal meteen daarna teruggaat naar vele jaren vóór die blijkbaar beslissende dag, lees je argeloos verder.

David is het enige kind van Nico en Ida Schijndels. Hij woont met zijn ouders in een kleine Zeeuwse provinciestad waar zij een goede boterham verdienen in hun betere herenmodezaak. Ida zorgt voor de inkoop en de administratie en Nicolas is een uitstekende verkoper: hij betovert zijn klanten met zijn praatjes. Als David 6 jaar is, maakt hij voor het eerst een reis met zijn vader. Naar Amsterdam zeggen ze tegen Ida, maar David ontdekt dat ze in Brussel zijn. Het is hun geheim. Ze bezoeken er onder andere het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. David maakt kennis met allerlei opgezette dieren, maar vooral de enorme collectie dinosauriërs spreekt tot zijn verbeelding. Het wordt een maandelijkse uitstap. Maar al snel zorgt zijn vader voor een oppas: Sarah. Wat hijzelf ondertussen onderneemt als David in het museum is, blijft doorgaans schimmig.

Het vertelperspectief ligt bij David en dat zorgt voor de vervreemding die je ervaart bij het lezen. Niet alleen heeft de jongen een levendige fantasie, hij geeft ons ook een duidelijk beeld van zijn ouders, hun geschiedenis, hun relatie en hun drijfveren. Niet als een kind, maar als een volwassene die terugkijkt en dat is eigenlijk ook precies wat hij doet, zoals op de laatste bladzijde zal blijken.

Het gaat niet goed met het huwelijk van zijn ouders. Zijn vader trekt er op uit om nieuwe handel op te sporen (zegt hij) en zijn moeder weet zich geen raad alleen en krijgt labiele aanvallen. Het kind schippert, troost en bemiddelt, maar wordt ondanks de liefde die beiden voor hem voelen niet echt gezien door zijn ouders. Zijn fascinatie voor de dinosauriërs, het uitgestorven leven, bezieling: hij raakt er door bezeten. Dan verdwijnt zijn vader definitief en zijn de bezoekjes aan het museum ook voorbij. Tot die dag waarmee het boek begint.... en we een slotakkoord krijgen te lezen dat je bij de keel grijpt.

Of zoals op de achterflap staat: "In het museum" is het verhaal van de liefde tussen een vader en zoon, van de fantasie van een jongen en het verraad van volwassenen, van het verborgen leven in dode fossielen."

Een bijzonder, teder en geheimzinnig boek over twee ongelukkige volwassenen en een eenzaam kind dat een schuilplaats zoekt in zijn fantasie.

Joost van Driel (1976) studeerde Nederlands aan de Rijksuniversiteit Leiden (1995-2000). Hij was als onderzoeker en docent werkzaam aan verschillende Nederlandse universiteiten en gespecialiseerd in middeleeuwse literatuur. Nu is hij leraar Nederlands aan een middelbare school in Middelburg. In het Museum is zijn debuut als romanschrijver.

Joost van Driel - In het museum. Antwerpen, Vrijdag, 2017. Pb., 160 pg. ISBN:978-94-6001-5205.

© Jannie Trouwborst, maart 2017.

zaterdag 4 maart 2017

Marijn Sikken - Probeer om te keren

Alma heeft twee dochters. Haar oudste, Sandra, woont in Berlijn, met haar man en twee zoons. Haar jongste, Michelle, woont thuis en het ziet er naar uit dat dat altijd zo zal blijven: ze is verstandelijk beperkt. Overdag houdt de 18-jarige Eline haar bezig in het dorpswinkeltje. Alma vindt het soms moeilijk om te zien hoe goed Eline met Michelle weet om te gaan.
Maar er speelt nog iets. Het ging best goed met Michelle, ze leerde van alles, ging soms al zelfstandig op pad. Als het verhaal begint, is het precies twee jaar geleden dat het mis ging. Na haar eerste uitje met vriendinnen naar de bioscoop moet er iets vreselijks gebeurd zijn. Sindsdien praat ze niet meer, valt terug in haar gedrag en mogelijkheden en is af en toe agressief en boos. Niemand weet het fijne ervan, maar iedereen kent de dorpsbewoner die haar ontredderd op het station gevonden zegt te hebben. Wat is er gebeurd? Wie is de schuldige? Hoe moet het nu verder met Michelle? Dat zijn de vragen waar het hele dorp zich mee bezig houdt en waar iedereen blijkbaar zo zijn eigen gedachten over heeft.

Marijn Sikken heeft ervoor gekozen het perspectief consequent en heel geraffineerd beurtelings bij Eline en Alma te leggen. De overige dorpsbewoners moeten we dus inschatten op wat ze zeggen en hoe ze zich gedragen in de winkel, in de kroeg of op straat, wanneer ze contact hebben met één van hen beiden. Haar stijl kenmerkt zich door het uiterst zuinig zijn met directe informatie. Zo word je als lezer gedwongen je eigen verhaal te maken en je eigen conclusies te trekken. Dat geeft soms een onbehagelijk gevoel.  Mag je iemand wel verdenken, een bepaalde eigenschap toekennen of een mening hebben over een karakter, zonder die persoon echt te kennen? Of is dit hoe vooroordelen en roddels tot stand komen?

Als Alma mijmert over de verhalen van haar grootvader over het gedrag van vogels ontdekt ze parallellen met de dorpsbewoners en herkent een metafoor. Zo zijn er vogels die wegtrekken en vogels die blijven, vogels die hoog en vogels die lager in de boom zitten. Vogels die uitvliegen en vogels die vleugellam zijn, zoals haar Michelle, en dus nooit uitvliegen. Terwijl haar Sandra naar een ver land gevlogen is en af en toe terugkomt en weer vertrekt, is haar man Arthur een loopvogel: niet nieuwsgierig naar de rest van de wereld, tevreden met zijn dorp.

Daarnaast is dit een roman over moeders en dochters. Eline's moeder is drukker met haar probleemjongeren dan met haar dochter. Haar vader heeft ze nooit gekend. Is dat de reden voor haar relatie met een veel oudere man? Alma moet toezien hoe de band tussen haar man en Sandra  hechter en vanzelfsprekender is, dan die tussen haar en haar "schildpadje" (zoals ze de teruggetrokken Michelle is gaan noemen) ooit zal kunnen zijn. Maar ze kan haar ook niet loslaten. Wie is ze nog als ze de zorg uit handen geeft?

Dan keert de man terug naar het dorp die Michelle op het station gevonden zegt te hebben. En daarmee de onrust, die zich tussen de regels door opdringt. Waarom is hij twee jaar geleden zo plotseling vertrokken? Waarom papt hij aan met Eline? Moeten ze haar waarschuwen? Het dorpsfeest zet alles op zijn kop. Een zielig, geforceerd feest voor het 100-jarig bestaan van het dorp, dat volgens Eline op elk gebied een "net-niet-dorp" is. Gelijk met de jaarlijkse rondrit voor gehandicapten. Michelle mag dit jaar wèl in de brandweerauto, terwijl ze twee jaar geleden "te goed" was om mee te mogen doen. Een wrang detail.

Marijn Sikken laat alle dorpsbewoners hun opwachting maken voor een zinderende apotheose. Het feest is in volle gang, er wordt gedronken, gelachen, gevochten, gevreeën tot er paniek uitbreekt: Michelle is verdwenen.....

Een psychologisch sterk verhaal, met een spannende rode draad, in een stijl die op een aangename manier een beroep doet op je fantasie en inlevingsvermogen. Over dorpsroddels en saamhorigheid, over moeders en dochters, over vasthouden en loslaten, over liefde en onverschilligheid. Een debuut dat naar meer doet verlangen!

Marijn Sikken - Probeer om te keren. Amsterdam, Cossee, 2017. Pb., 248 pg., isbn:978-90-5936-707-4.

Marijn Sikken (1990) studeerde aan de schrijversvakschool en won in 2011 de jury- en publieksprijs bij Write Now. Ze schrijft korte verhalen, is redactielid bij De Optimist. Verder schrijft ze voor Literair Nederland en is columniste. "Probeer om te keren" is haar debuutroman.

© Jannie Trouwborst, maart 2017

dinsdag 31 januari 2017

Catharina IJzelenberg - Het ruisen van de zee

In Ouwerkerk, bij het Watersnoodmuseum (KLIK HIER), staat een Monument voor de 1836 mensenlevens die de Watersnoodramp in 1953 eiste. Elk jaar houdt men hier op 1 februari een herdenkingsbijeenkomst voor de slachtoffers. Dat ook het leven van hun families voorgoed veranderde, wordt wel eens vergeten. Op 4 februari a.s. presenteert Catharina IJzelenberg haar debuut Het ruisen van de zee op deze toepasselijke plek. Ze was vier jaar toen ze zelf de Ramp meemaakte en ze weet hoe dat de rest van een leven kan bepalen. Haar roman maakt dat haarfijn en pijnlijk duidelijk.


Er zijn in de loop der tijd behoorlijk wat boeken over de Watersnoodramp verschenen. Allereerst non-fictie, waarvan het fotoboek De Ramp uit 1953 met sprekende zwart-wit beelden wel het bekendste is. Zestig jaar later gaat het vooral om de achtergronden en feiten die ondertussen boven water gekomen zijn en verschijnt De ramp: een reconstructie van de watersnood van 1953 van Kees Slager.
Aan een roman over zo'n beladen onderwerp beginnen aanvankelijk niet zo heel veel schrijvers: Jan den Hartog - De kleine ark in 1953 en Arie van de Lugt - God schudde de wateren in 1958 zijn de eersten. Pas in 1993 schrijft Gerda van Wageningen Toen de dijken braken. Na 2000 was het blijkbaar lang genoeg geleden om de Ramp volop in romans een rol toe te kunnen bedelen. Margriet de Moor - De verdronkene (2005) en Rik Launspach - 1953 (2009) gaven daar bijvoorbeeld elk op een totaal andere manier invulling aan. 

En nu is er dus Het ruisen van de zee van Catharina IJzelenberg. Voor mij op dit moment de meest complete roman met de Ramp als basis. De titel van het debuut is veelzeggend: het ruisen van de zee is altijd aanwezig in het leven van de hoofdpersoon. Het kleurt zijn herinneringen, roept ze op als hij langs de vloedlijn wandelt en het ruist in de schelpen die hij vindt op het strand. Maar het gaat nog dieper: zijn levenswandel wordt op een onbewust niveau bepaald door het eeuwige ruisen van de onvoorspelbare zee op de achtergrond.

Hoofdpersoon van het boek is Anton Reinier, een vrijgezelle leraar Nederlands van 55 jaar, die op 10 jarige leeftijd zijn vader zag verdrinken tijdens de rampnacht. Hij groeit als enig kind op bij zijn streng gereformeerde moeder. Geheel naar de tijdgeest van die jaren en door de onmacht om met emoties om te gaan, spreken ze niet meer over het verlies. De twee hebben een hechte band, maar Anton voelt toch de behoefte te vechten voor een eigen identiteit. Hij vertrekt naar de stad om er te studeren. Als ook zijn moeder overlijdt, gaat Anton in het ouderlijk huis in Nieuwerkerk wonen en wordt leraar in Zierikzee. Hij is niet ongelukkig, Zijn leven kabbelt voorspelbaar voort, totdat een nieuwe leerling (Claudia) voor hem staat en herinneringen aan zijn vader hem overspoelen. Hij herbeleeft het fatale moment waarop hij hem zag verdrinken. Anton beseft dat hij zijn emoties al die tijd heeft weggedrukt. En hij vraagt zich af of Claudia hem wellicht kan helpen om zijn trauma te verwerken.

Het heden en de herinneringen wisselen elkaar af in losse hoofdstukken. Daarbinnen wordt de chronologie aangehouden, zodat de beide verhaallijnen uiteindelijk heel vanzelfsprekend bij elkaar komen. De spanning in het verhaal wordt gedragen door de hoofdstukken in het heden: hoe ontwikkelt zich de verhouding met Claudia, wat brengt zij bij hem naar boven? Hij herkent haar behoefte haar eigen beslissingen te nemen. Kan hij haar daarbij helpen?
Op bepaalde punten is haar levensloop een spiegeling van de zijne. Het verhaal over het verleden beschrijft naast het trauma van de Ramp ook een coming-of-age proces. Niet alleen moet hij zich proberen los te maken van de (logischerwijs) zeer hechte band met zijn moeder. Hij worstelt tegelijkertijd met het geloof. Heel subtiel en nergens provocerend weeft Catharina IJzelenberg zijn uiteindelijke afwijzing van het geloof van zijn moeder door het verhaal: een voor beiden pijnlijk proces.
Misschien is daar nu eindelijk de tijd rijp voor: de terechtwijzingen naar de overlevenden vanaf de kansel kort na de Ramp ('eigen schuld door zondig gedrag') hebben niet bijgedragen aan de verwerking van deze diep tragische gebeurtenis. In dit boek maakt het verwerpen daarvan een belangrijk, maar onnadrukkelijk deel uit van het verhaal over Antons worsteling om zijn eigen weg te kiezen.


Het water, de storm, de stilte
Deze roman is voor mij compleet omdat, naast de historische feiten, vooral de gevolgen voor de mensen die het meemaakten volledig tot hun recht komen. In een interview vertelt de auteur dat ze geput heeft uit haar eigen herinneringen en daar een fantasievolle draai aan heeft gegeven. Ook zij verloor haar geloof en maakte mee hoe de Ramp voor haar ouders en grootouders een heel leven meeging. Haar hoofdpersoon moest echter een man zijn, want anders kwam het allemaal te dichtbij. `Ik heb het verdriet van toen gestalte willen geven`. En dat heeft ze in deze goed geschreven roman uitstekend gedaan. Ingetogen en integer, realistisch maar ook fantasierijk, empatisch zonder een spoortje sentimentaliteit. Een heel knap debuut!

`Stil stond ze naast hem. Haar oogjes schitterden als de zon op het water bij prachtig zomerweer. Hun haren wapperden in de wind. Kalm stroomden de golven over het strand. Het was eb. De zee had zich teruggetrokken.`

Catharina IJzelenberg / Het ruisen van de zee. Amsterdam, Ambo-Anthos, 2017. Pb., 269 pg. ISBN: 978-90-263-3620-1.

© Jannie Trouwborst, januari 2017.