woensdag 2 november 2016

Wil Schackmann - Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid


"Maar als u voor de blauwe wandelroute kiest, komt u ook langs de koloniehuisjes in Wilhelminaoord, de begraafplaats, het koloniekerkje en het schooltje" legt de vrijwilligster van het Museum De Koloniehof in Frederiksoord (Drenthe) ons uit.

We zijn op vakantie in de buurt en bezoeken het museum om ons nader te verdiepen in het unieke verhaal van de Maatschappij van Weldadigheid, opgericht om de schrijnende armoede aan het begin van de negentiende eeuw te bestrijden.  Een ambitieus plan van nieuw te stichten landbouwkoloniën moest de stedelijke paupers perspectief bieden op een beter bestaan. Het kleinschalige museum geeft via een permanente expositie een overzicht van het ontstaan van de Maatschappij, het kolonistenleven en de toekomstplannen met betrekking tot behoud van uniek cultureel erfgoed. In de parkachtige tuin er omheen bezoeken we een schooltje, de voorbeeldakkertjes met gewassen van toen en een nagebouwd koloniehuisje. Maar als we de wandelroute van 8 km volgen, ontdekken we pas hoeveel uitstekend onderhouden monumenten er bewaard gebleven zijn. Het lijkt wel een openluchtmuseum. We zien veel schildjes van Monumentenzorg en informatiebordjes, maar de meeste huisjes zijn particulier bezit en niet te bezichtigen. In het kerkje van Wilhelminaoord kun je je bruiloft vieren en in het schooltje van Boschoord woont een kunstenaar.

Unesco Werelderfgoed

Wie eenmaal de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid  kent en ziet dat er nog zoveel tastbaar en goed onderhoudende erfgoed is overgebleven kan begrijpen dat het in 2011 werd opgenomen op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Unesco. Naast de koloniedorpen gaat het daarbij om de strafinrichtingen van Ommerschans en Veenhuizen en de vestigingen in de "Zuidelijke Nederlanden", want ook daar staan nog monumenten van een  koloniedorp (Wortel) en een strafinrichting (Merksplas). Het zou mooi zijn om in het jubileumjaar 2018, als de Maatschappij 200 jaar bestaat, de definitieve status te bereiken.

Maatschappij van Weldadigheid 

In 1818 verkeert ons land in grote armoede. Met name in de steden leeft zo’n 50% van de mensen onder de armoedegrens. Ze bedelen, stelen en leggen hun kinderen te vondeling. Generaal Johannes van den Bosch, een vooruitstrevend en sociaal bewogen legerofficier, ontwikkelt het plan om armenkoloniën te stichten op de woeste, Drentse zandgronden. Hij krijgt carte blanche van Koning Willem I. Deze koloniën moeten voorzien in huisvesting, werk, zorg en scholing. Elk gezin dat neerstrijkt, kan rekenen op een woning met een stuk grond dat bewerkt moet worden. Het bouwen van de woningen, het ontginnen van de grond en het aanleggen van een wegen- en afwateringsstelsel gaan snel. De hand van de legerofficier is herkenbaar in het landschap: rechte paden en lanen, doorsneden door afwateringskanaaltjes, huisjes op vaste afstanden van elkaar en facilitaire gebouwen op cruciale punten in de kolonie. Er ontstaat een duurzame zelfvoorzienende gemeenschap, die haar bewoners de gelegenheid biedt zich te ontworstelen aan de stadse armoede en die een ziekenfonds (1827) en leerplicht (1819) introduceert.

Tot zover klinkt het goed, maar dat een samenleving toch minder maakbaar is dan gedacht, moeten Johannes van den Bosch en zijn opvolgers in de daarop volgende vijftig jaar ontdekken. Grote schulden geven de genadeklap. Toch bestaat de Maatschappij nog steeds, zij het in een andere vorm. De staat neemt in 1859 de gestichten in Ommerschans en Veenhuizen over. De vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord blijven van de Maatschappij. De kleine landjes worden samengevoegd tot enkele grote bedrijven en in 1869 maakt de Maatschappij voor het eerst winst op de landbouw. Het sociale gezicht blijft bestaan: een landbouw-, tuinbouw- en bosbouwschool, een geneeskundige dienst en vanaf 1893 een eigen complex voor bejaarde kolonisten (ook dit monument is er nog). Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw worden de laatste arbeiderskolonisten gewone huurders van de Maatschappij. Beheer van de landelijke bezittingen, bosbouw en natuurbeheer en sociale hulpverlening blijven speerpunten. 

Drieluik 

Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).

Zijn werkwijze is voor alle drie de boeken gelijk. Om het prettig leesbaar te houden zijn er geen voetnoten en verwijzingen opgenomen. Ze staan wel vermeld op een bij het boek behorende internetsite. De geschiedenis van de betreffende kolonie is in tijdvakken verdeeld die op elkaar aansluiten. Binnen het tijdvak krijgen zowel de belangrijkste, feitelijke gebeurtenissen een plek, als de gevolgen voor de betrokken kolonisten, bedelaars of wezen. Door daar persoonlijke verhalen bij te gebruiken is het niet moeilijk om je in te leven in de levensomstandigheden van de bewoners van de instellingen. Echt partij kiezen doet hij niet. Hij benadrukt in alle drie de boeken dat we het verhaal moeten begrijpen in de context van de beschreven periode. Dat ondanks alles wat fout ging of beter gekund had, we geen vergelijking mogen maken met de omstandigheden van nu. Velen buiten de gestichten in de verpauperde steden hadden een slechter bestaan. Zijn laatste boek besluit hij met de woorden:

"Kortom, als ik het geheel overzie denk ik niet in de eerste plaats "Wat erg was het daar", maar denk ik vooral "Wat ben ik gelukkig dat ik niet toen leefde".
  
Een andere constante heeft betrekking op de houding van de bestuurders van de Maatschappij: voor kritiek staat men niet open. Misstanden zijn altijd aan anderen of de omstandigheden te wijten. Pas als het niet anders kan door het risico op negatieve publiciteit is men bereid iets te onderzoeken of te veranderen. Maar wel stilzwijgend, om niet toe te hoeven geven dat de kritiek terecht was.

De Proefkolonie

De Proefkolonie begint met een uitleg van de manier waarop Johannes van de Bosch zijn ambitieuze plan in de steigers zet en aan zijn beginkapitaal komt. Zijn goede verstandhouding met Koning Willem I speelt daarbij een grote rol en zal dat in de toekomst blijven doen. Hij heeft alles van tevoren goed doordacht en ingewikkelde berekeningen uitgevoerd. Zijn charismatische persoonlijkheid en dadendrang doen de rest. In januari 1818 wordt de Maatschappij opgericht en in oktober van datzelfde jaar komen de eerste kolonisten aan op wat dan nog de proefkolonie heet. En dat die naam goed gekozen is, zal in de daarop volgende vijf jaar blijken. In 52 huisjes zijn even zo vele gezinnen de proefkonijnen van de onderneming. Van den Bosch moet ondervinden dat zijn berekeningen weliswaar zorgvuldig waren, maar op verkeerde uitgangspunten stoelden. Hij hield te weinig rekening met tegenslagen, onwillige of onbekwame kolonisten, minder opbrengsten o.a. door een te kleine lap grond per inwoner, gebrek aan mest en zelfs de beperkte kennis van landbouw op arme gronden bij het management van de onderneming.

De reglementen moeten steeds verder aangescherpt worden om iedereen in het gareel te houden en de zgn. vrije kolonisten ondervinden een steeds grotere beperking van hun vrijheid. Weg kunnen ze niet: de inrichting van het huisje, de koloniekleding en de pacht van de grond hebben ze als lening ontvangen en moeten ze eerst terugverdienen. Van den Bosch acht een strafinrichting  nodig. Van de Koning krijgt hij de Ommerschans  toegewezen.

Alles draait om inkomsten om de boel draaiende te houden. Hij blijft geloven in een uiteindelijk positieve uitkomst, gaat gewoon door met het opzetten van nieuwe koloniën in de omgeving (50 woningen in 1819, 100 in 1820, 100 in 1821) en regelt via de koning een contract voor de opvang van bedelaars en landlopers in Ommerschans (1822). In 1823 wordt Veenhuizen 1 opgeleverd voor de opvang van wezen en in 1824 nog twee gestichten met dat doel. Ook daarin speelde de koning een grote rol, zoals uitgebreider beschreven wordt in De Kinderkolonie.

De bedelaarskolonie

Bij de strafkolonie Ommerschans (1819) bouwt de Maatschappij een bedelaarsgesticht(1822) in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Deze biedt aanvankelijk plaats aan 1000 personen waarbij mannen en vrouwen (al dan niet gehuwd) strikt gescheiden wonen. De paupers kunnen er door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontginnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht wordt gegeven. Naast ontginningswerkzaamheden is er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telt onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij. Bosch hoopt er geld aan over te houden.

Maar ook hier heeft hij zich op verkeken. De opvang kost veel meer dan gedacht: het contractbedrag is niet voldoende voor de verzorging en de werkzaamheden brengen veel minder op dan waarop hij rekent. Het regiem is streng: "Wie niet werkt zal niet eten". Maar met minimale rantsoenen en slechte medische voorzieningen houdt niemand het loodzware werk lang vol. Het sterftecijfer ligt hoog. Maar ook de lokale overheden en tuchthuizen valt wel wat te verwijten: ze sturen massaal invalide en arbeidsongeschikte bewoners. Vanaf 1827 geldt Ommerschans ook als verpleeginstelling. Voor vrijgelaten bewoners is er intussen weinig perspectief op werk en inkomen, zodat ze na verloop van tijd weer terugkeren. Pas vanaf 1843 is er een gerechtelijke veroordeling nodig voor verwijzing naar de bedelaarskolonie. Tot die tijd is het  mogelijk dat men ten onrechte als bedelaar in de strafkolonie belandt. In 1859 neemt de staat de strafinrichting over en in 1890 wordt hij definitief ontmanteld. Het kerkhof en het kolonistenkerkje zijn het enige wat nog rest van de Ommerschans.

De kinderkolonie

Ook de 3 gestichten in Veenhuizen neemt de Staat in 1859 over. De schulden bedragen op dat moment al meer dan drie en een half miljoen gulden. In onze tijd zou een en ander ongetwijfeld tot een Parlementaire enquête geleid hebben. In deze nog prille democratie kunnen Koning Willem I en Van den Bosch zonder inmenging en medeweten van de Staten Generaal van alles onderling regelen. Steeds opnieuw zijn er tekorten, steeds opnieuw ziet Van den Bosch mogelijkheden en steeds gaan die gepaard met uitbreiding van de opvang, maar steeds opnieuw moet er uiteindelijk toch geld bij.
  
Zo ontstaat ook de kinderkolonie in 1824. Via door de koning uitgevaardigde wetten moeten alle wezen, vondelingen en verlaten kinderen "opgezonden" worden naar Veenhuizen. Plaatselijke weeshuizen krijgen  geen subsidie meer voor de opvang. Grootschalige opvang zal goedkoper zijn en de kinderen kunnen met werken geld inbrengen en een vak leren. Dat is althans de insteek. Er is erg veel verzet, van weeshuizen, maar ook van familieleden en plaatsgenoten, om de kinderen naar zo'n grootschalige opvang in zo'n barre omgeving te sturen. Het lukt niet om de benodigde 4000 kinderen voor de drie gestichten te verwerven.  Veenhuizen 2 verandert al snel in een bedelaarsopvang, Veenhuizen 3 draait enige tijd, maar er mankeert van alles aan het gebouw, teveel kinderen sterven. De overblijvers komen tenslotte terecht in Veenhuizen 1, bij de eerder geplaatste wezen, daar is inmiddels genoeg plek.

Opnieuw vallen de financiële resultaten tegen.  Niet alle kinderen kunnen werken, eten en kleding kosten te veel, er wordt onbarmhartig op bezuinigd. De kritiek neemt toe, de controle van buitenaf ook. Er zijn onbegrepen, ernstige medische problemen. Opnieuw moet er geld bij, veel geld. Maar dan heeft de Staten Generaal inmiddels genoeg macht om een regeringsvertegenwoordiger in het bestuur van de Maatschappij te kunnen plaatsen en controles uit te laten voeren op de financiële toestand. De schrik is groot. De staat neemt de gestichten over,  voor de resterende wezen (dat zijn er niet zo veel meer) zoekt men een nieuwe plek: terug naar het weeshuis van vroeger, kleinschalige opvang in de gezinnen van vrije kolonisten of naar verpleeginrichtingen.

Nazaten

Het lijkt er op dat Wil Schackmann daarmee alles verteld heeft wat er te vertellen valt over de Maatschappij Van Weldadigheid. Maar wij keren na de wandeling toch nog even terug naar het museum om in de zaal van de wisselexposities enkele van de 16 videoportretten te bekijken waarin inwoners vanuit heel verschillende invalshoeken het kolonieverhaal vertellen. Een project dat gerealiseerd moest worden voor het te laat was… Want veel van de geïnterviewden zijn ver boven de zeventig, soms al een eind in de tachtig. Zij weten nog hoe het was, hoe het voelde om te werken en te wonen in de koloniën in Frederiksoord en Wilhelminaoord: vaak gaat hun familiegeschiedenis terug tot de oprichtingstijd van de Maatschappij van Weldadigheid. Verschillende emoties klinken door in de filmpjes: ontzag, waardering, kritiek, weemoed… Maar bovenal spreekt er betrokkenheid uit de beelden. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder andere de zo specifieke kolonietaal, ‘bestedelingen’ (ofwel wezen uit de grote steden die hier bij gezinnen geplaatst werden om verzekerd te zijn van een behoorlijke opvoeding en een betere toekomst). Er komen pachters aan het woord, de koloniedokter, de directeur, een boswachter met een 40-jarige staat van dienst en er is aandacht voor het ontstaan en het reilen en zeilen van twee koloniewinkels.

Mooi om ons bezoek mee af te sluiten, want het was niet allemaal kommer en kwel, zeker niet in de latere periode. Natuurlijk ging er veel mis en ook is de kritiek vaak: wat Van den Bosch deed was een druppel op een gloeiende plaat. Maar het was wel de aanzet tot onze huidige verzorgingsstaat en voor wie het geluk had tot kolonist uitverkoren te worden waren er kansen die vele anderen nooit kregen.

Meer dan 800.000 Nederlanders hebben hun wortels in de koloniën van Weldadigheid, waaronder bekende Nederlanders als Jeltje van Nieuwenhoven, Philip Freriks, Henny van der Most en Alexander Pechtold. Wie het leuk vindt uit te zoeken of, en zo ja, hoe hij/zij verbonden is met de koloniale historie kan de gedigitaliseerde gegevens inzien in het museum. Deze openbare informatie staat ook online bij www.drenlias.nl.

Jannie Trouwborst, oktober 2016.

Ik lees Nederlands 38, 39,40/35.

Deze reportage/recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en deels op Leestafel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen