Wie al meer van Maarten 't Hart las, kent onder tussen de ingrediënten: Klassieke muziek, de Bijbel en het geloof, de natuur, Maassluis en orgelmuziek. Ook in De nachtstemmer komen ze allemaal ruim aan bod.
Het verhaal
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw krijgt een Groningse orgelstemmer
de opdracht een beroemd kerkorgel te stemmen in een Zuid-Hollands
havenstadje. Hij komt terecht in een wonderlijke wereld, bevolkt door
eigenaardige, merendeels xenofobe dwarsliggers wier liefste bezigheid
het is zowel elkaar als mensen van buiten ertussen te nemen. De stemmer
maakt kennis met een Braziliaanse weduwe en haar eigenaardige dochter
die zich ontpopt als een vaardige helper bij het stemmen. Dankzij de
weduwe en haar behulpzame dochter raakt de stemmer echter in grote
problemen die uiteindelijk, tamelijk onverwacht, toch nog opgelost
lijken te worden. (Achterflap)
Het orgel
Het stemmen van een pijporgel is een moeizaam werk, dat een scherp gehoor, omzichtigheid, spierbeheersing, logisch denken, zin voor praktisch handelen en bij dit alles geduld en uithoudingsvermogen van een stemmer vergt. Alleen in een ruimte waar het volkomen stil is en met een vaardige helper bij de klavieren kan hij zijn taak naar behoren verrichten en bij een groot orgel en gunstige klimaat omstandigheden ook voldoening hebben van zijn werk.
Uit: A.P. Oosterhof en A. Bouwman, Orgelbouwkunde.
In dit citaat, voor in het boek, staat in een notendop alles wat een rol speelt in het verhaal dat Maarten 't Hart er omheen geweven heeft. De hoofdpersoon, Gabriël Pottjewijd, is een schuchtere weduwnaar die vanuit zijn woonplaats in Noord-Groningen veelal Duitse orgels stemt. Hij wordt er steeds hoffelijk ontvangen en krijgt er de gelegenheid zijn werk in alle rust te doen. Als hij uitgenodigd wordt voor het stemmen van een groot Garrels orgel in een Zuid-Hollands havenstadje is hij zo enthousiast, dat hij toestemt. Ondanks de enorme afstand, die per trein wordt afgelegd en uitgebreid beschreven. De omstandigheden waaronder hij in het stadje moet stemmen zijn echter verre van ideaal.
In de loop van het verhaal krijgt de lezer les in alles wat met kerkorgels te maken heeft: van de namen van de bouwers tot die van de registers. En van de wijze van stemmen tot de problemen die zich daarbij voor kunnen doen, vooral wat betreft omgevingsgeluid en bereikbaarheid van de onderdelen die afgesteld moeten worden. Dat hij meteen ook het verzoek krijgt het kleinere Seiffert orgel van een andere kerk te stemmen biedt de mogelijkheid om ook dat te beschrijven.
De stad en het geloof
Hoewel nergens genoemd, speelt ook dit verhaal weer in Maassluis. De straatnamen zullen de trouwe lezers bekend voor komen. Het Garrels orgel staat in de Grote kerk en het Seiffert orgel in de Immanuël kerk van Maassluis. De bewoners van de stad komen er zoals gewoonlijk niet best vanaf. Niet alleen zijn ze xenofoob, maar ook zijn het vreemde types en uiterst gelovig. Dat schept de mogelijkheid voor 't Hart om Gabriël in discussie te laten gaan over allerlei ongeloofwaardige Bijbelverhalen met de Mannenbroeders in het café en om met een dominee over zijn geloofsafvalligheid te spreken.
De Braziliaanse weduwe is ook een buitenstaander gebleven in het stadje. Haar dochter Lanna blijkt een geweldige hulp. Het licht autistische meisje en Gabriël kunnen het uitstekend vinden. Dat overtuigt de moeder dat hij een goede man is, want in het stadje wil elke man haar versieren, maar behandelen ze haar dochter als een gestoorde. Dat ze hem thuis uitnodigt voor het eten valt op en zal voor problemen zorgen.
Grappig detail is verder nog dat hij de weduwe die redelijk Nederlands spreekt maar Portugees als moedertaal heeft, wil paaien door Portugees met haar te spreken. Hij koopt daartoe een Portugese Bijbel van een (uiteraard) extravagante bijbelverzamelaar. Omdat hij de Bijbel woord voor woord uit zijn hoofd kent, kan hij die gebruiken om een andere taal te leren. In een interview met 't Hart blijkt dat hij thuis zelf ook een verzameling Bijbels in vreemde talen heeft.
Muziek en natuur
Uiteraard komt ook de klassieke muziek geregeld aan bod en tijdens uitstapjes op de fiets worden planten en vogels benoemd. Dat 't Hart zelf ook orgels bespeelt, zal ongetwijfeld meegespeeld hebben om dit verhaal te willen schrijven.
Kortom: alle thema's komen weer aan de beurt. Het verhaal dat er omheen geweven is, is onderhoudend, heeft humor en is spannend. Maar hoewel ik terloops veel geleerd heb over orgels was het af en toe wel een beetje teveel van het goede naar mijn zin.
Leuk om te weten: de naam Pottjewijd is niet alleen een echte Goniningse naam, maar Geert Jan Pottjewijd heeft ook enkele uitgebreide websites gemaakt over orgels!
Maarten 't Hart - De nachtstemmer. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2019. Geb., 320 pg., isbn:9789029540377.
© Jannie Trouwborst, mei 2020.
In 2013 verbleven wij een weekje in Bilthoven. We pasten er op de poesen en het huis van een oudere dame met een voorkeur voor Nederlandse literatuur. De boekenkast stond vol met bekende titels, de meeste ervan had ik al gelezen. Maar nog nooit iets van Thomas Rosenboom. En hoewel ik niet van dikke boeken houd, besloot ik het er maar op te wagen en pakte Publieke werken uit de kast. En het ongelooflijke gebeurde: eenmaal begonnen met lezen, kon ik het maar moeilijk wegleggen. Ik heb ervan genoten en verheugde me op de film die er van zou verschijnen. Die viel me toch een beetje tegen, maar al met al heeft Publieke werken zo'n goede indruk nagelaten dat ik later dat jaar, tijdens een oppasvakantie in Bellingwolde, bij een boekenstalletje langs de weg Zoete mond kocht, net zo'n dikke pil.

Maar zoals dat vaker gaat met impulsaankopen: het boek kreeg bij thuiskomst een plekje in de boekenkast en bleef daar jaren ongelezen staan. Tot ik, vreemd genoeg tijdens een periode dat ik lezen en bloggen even niet meer zag zitten, deze dikke pil te voorschijn haalde en vrij gemakkelijk uitlas, zij het met wat minder plezier, dan Publieke werken. Zoete mond werd genomineerd voor De Gouden Uil, stond in de Volkskrant
op nummer 2 van de beste romans van het decennium en in NRC Handelsblad
in de top drie van beste boeken 2009. Zo enthousiast ben ik niet. Ik denk dat het een kwestie van smaak is.
Waar gaat het over?
Wanneer dierenarts Rebert van Buyten in 1965 naar Angelen verhuist,
brengt hij onder de kinderen een golf van dierenliefde teweeg. Door het
stijgen van zijn roem stoot hij onbedoeld de andere beroemdheid van het
dorp van zijn voetstuk: Jan de Loper, een dwangmatige grappenmaker.
Naarmate de mooie Laura Banda het vaker over de laatste heeft, neemt bij
Rebert de afkeer van de man toe tot een welhaast onbedwingbare
obsessie. Hij zint op een zoete wraak.
Weergaloos schetst Thomas
Rosenboom de rivaliteit tussen twee buitenstaanders in een dorpje aan de
Rijn in een afwisselend feeërieke en beklemmende roman over verlangen
en verlies.
Waar een wit dier verschijnt begint de mythe.(Flaptekst).
Bijzondere personages
Thomas Rosenboom heeft het talent om van twee ogenschijnlijk gewone mensen bijzondere figuren te maken door het aandikken van bepaalde eigenschappen. Maar waar in Publieke werken de beide hoofdpersonen aparte figuren zijn, met onrealistische dromen, zijn de twee mannen in dit boek bijna absurd te noemen. Daarom was het gemakkelijker destijds mee te voelen met de Amsterdamse Walter Vledder, die koppig weigert zijn huisje te verkopen voor de bouw van het Victoria Hotel en zijn neef de Hoogeveense Christof Anijs die zich het lot aantrekt van de veenarbeiders in de omgeving. Beiden werken zich in de nesten. Je ziet het aankomen en blijft gevangen in het duidelijk onontkoombare debacle.
De twee belangrijkste figuren in Zoete mond zijn meer dan apart. Met name Jan de Loper, de dwangmatige grappenmaker, is een absurde figuur. Hij roept irritatie op, niet alleen bij de hoofdpersoon Rebert van Buyten, maar ook bij mij als lezer. Maar misschien is dat de bedoeling van de schrijver, om beter met Rebert mee te kunnen leven.
Door het perspectief van het verhaal bij Rebert te leggen, krijgen we als lezer een duidelijk beeld van het innerlijk van dit personage: zijn ontwikkeling, zijn drijfveren en zijn geestelijke gesteldheid. Daarbij is mooi te zien hoe iemand een buitenkant kan tonen die niet bij zijn innerlijk past.
Historische feiten
In Publieke werken maakte Rosenboom gebruik van historische feiten. In het huidige Victoria Hotel zijn de twee huisjes nog in de gevel te zien. En voor neef Anijs gebruikt hij de biografie van de Hoogeveense apotheker Radijs. Ook in Zoete mond maakt hij gebruik van de geschiedenis. Allereerst speelt het verhaal in de jaren 60, een periode die gaaf weergegeven wordt. Voor mij in elk geval goed herkenbaar. De witte walvis die de Rijn op zwemt en ook een belangrijke rol heeft in het verhaal is geen verzinsel. (Ik moest er aan denken toen onlangs een dolfijn de haven van Amsterdam in zwom en niet meer weg wilde). Voor de dierenartsenij heeft Rosenboom gebruik gemaakt van de Doctor Vlimmen- streekromans van Anton Roothaert. En de romanfiguur
Jan de Loper is geïnspireerd op de biografie van Kees de Tippelaar, een
heer op stand uit Breukelen die zijn leven besteedde aan wandelen,
practical jokes en naastenliefde.
Wat ik er van vond
Een dikke pil, ik schreef het al. Te dik voor mij dit keer. Sommige stukken vond ik veel te veel uitgesponnen, de fascinaties van Rebert bleven herhaald worden. Het was veel minder spannend dan Publieke werken en meeleven met een hoofdpersoon, wat toch wel prettig is in een roman, lukte niet echt. Zelfs begrip opbrengen was niet goed mogelijk. Mij viel het dus een beetje tegen, vooral in vergelijking met Publieke werken.
Dat recensenten er anders over denken kun je o.a. lezen in deze uitgebreide analyse van Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Misschien zou ik het dus nog een keer moeten lezen, maar dat is met deze dikke pil te veel gevraagd.
Thomas Rosenboom - Zoete mond. Amsterdam, Querido, 2009. Pb., 550 pg., isbn:9789021437170.
© Jannie Trouwborst, mei 2020.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 1957) schrijft over kunst, literatuur en koken en heeft een tweewekelijkse, beschouwelijke column over zingeving op de opiniepagina van de NRC. Een selectie van deze columns werd gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen (2000), Het is zo vandaag als altijd (2011) en Doe je best (2018).
In 2000 verscheen haar eerste poëziebundel Zeehond graag (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002), gevolgd door Kat van sneeuw (2003) en Het waait (2008). In haar laatste bundel Uitzicht genoeg (2013) vinden we dit gedicht:
Ruimtevrees
Achter weilanden weiden, daar weer achter
dijken, zee en Zweden. Waar zou je heen?
De blik verliest je met zichzelf in de ruimte
waar aankomst ver en ver is te zoeken.
Niet voor de woerd die plotseling en onbedaarlijk
groen het zonlicht en je oog in zwemt.
Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid
bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.
Voel warmte op je neus, zie 't vroege blad
van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.
In Je keek te ver werkt ze die gedachte verder uit, in wat je zou kunnen noemen: een persoonlijk doorleefd, poëtisch essay.
Groningen
Marjoleine de Vos woont in het Noord-Groningse Zeerijp. Elke dag maakt ze een wandeling vanuit haar huis, ongeacht het weer of het seizoen. Bezoekers van elders begrijpen niet wat er zo bijzonder is aan het grootschalige landschap met de wijkende einder. Maar Marjoleine stelt: er is niets te zien, en tegelijk heel veel. Voor wie daar moeite voor doet en er voor open wil staan.
En daarom neemt ze ons mee op haar wandelingen en in haar mijmeringen. Ze spreekt ons aan en ook zichzelf. Verwacht geen routebeschrijving, geen chronologie. Associatief leidt ze ons door het landschap, langs dichters en filosofen, door de geschiedenis en in de richting van de toekomst. Maar ze staat vooral stil bij het hier en nu.
Lezen van het landschap
In het eerste hoofdstuk leert ze ons het landschap te lezen aan de hand van de geschiedenis. Wie daar weet van heeft, ziet veel meer. Er valt altijd iets te ontdekken, je kunt je ergens pas over verwonderen als je de historie ervan kent.
Bovendien is het landschap nooit hetzelfde, al lijkt dat zo. Een andere lichtval, een ander jaargetijde, volle of gerooide akkers, bomen in lentetooi of met herfstbladeren. Wie wandelt maakt deel uit van het landschap en beleeft het directer. Als je drukke hoofd vol gedachten dat tenminste niet dwarsboomt.
Niet dat ze geen oog heeft voor het te grootschalige landschap met rechtgetrokken waterlopen en enorme boerderijen. Maar erover mopperen heeft geen zin, je moet kijken naar wat nog herkenbaar is van vroeger, zoals kerkjes en wierden, en naar de simpele dingen in de natuur.
"Maar zoals gezegd: zien moet je leren. Zoals voor wie niets weet van het verleden, het Drentse essenlandschap als het ware niet bestaat, zo bestaat ook middeleeuws Groningen niet voor wie niet weet dat er zoiets was als middeleeuws Groningen. Je moet de sporen ervan leren herkennen, anders zijn er eenvoudigweg geen sporen."
Wie zo kijkt, weet beter wat het behouden waard is. Maar ook wat nooit meer terug zal komen. Voorgoed, missen: het zijn woorden om over te filosoferen, om dichters te citeren. En tot de conclusie te komen:
"Kun je ook te ver in het verleden kijken? In ieder geval wel te veel. Misschien is alles wat uit verlangen bestaat wel "te". Je moet niet verlangen. The art of losing bestaat uit niet-verlangen maar zijn. Er is ook nu: een hoogte, een smalle, kleine kerk, een schitterend uitzicht, schapen op de ijsbaan, stilte. Groningerlandstilte."
Het echte leven
Voor stadsbewoners die op bezoek komen speelt het werkelijke leven zich toch af in de stad, beweren ze. Marjoleine de Vos geeft voorbeelden van wat zij onder het echte leven verstaat. De subtiele verandering in de natuur in de loop van de seizoenen, het oogsten en zaaien, de weidsheid van de luchten, de geringe beschutting tegen de elementen en de vriendelijkheid in de winkels, de praatjes op straat en de tafeltjes met de oogst van de moestuintjes langs de kant van de weg. De rust, de ruimte, de stilte van het platteland.
Al filosoferend en dichters en schrijvers citerend wandelt ze steeds opnieuw door haar Groninger landschap. Denkt na over de onveranderlijkheid van sterke gevoelens door eeuwen heen, over de ontoereikendheid van woorden om uit te leggen wat je voelt, over de tekortkomingen van herinneringen en over de zin van het bestaan. Een vol druk hoofd, dat maar blijft nadenken en dat alleen tot zwijgen gebracht kan worden door te wandelen en te zien.
"Het is alsof je, buiten lopend, je leven weer terug krijgt. Ik sta op de Eenumerhoogte - een wierde die in de derde eeuw al bewoond was, nu naast het eigenlijke dorp gelegen dat op een eigen wierde staat. Ze hebben de kaak van een bruine beer in de bodem gevonden - ongelooflijk toch, hier tussen de suizende akkers. Het moet hier zo anders geweest zijn, zonder aardappels en puntige kerktoren. Met beren.
Maar enfin, als je daar staat en uitkijkt dan is het of je ook van binnen ruimer wordt. En zolang je op doortocht bent, niet aangekomen, zonder haast, zolang is het leven eigenlijk wel uit te houden."
Een bijzonder boekje dat je al mijmerend en filosoferend meeneemt op pad door het Groninger landschap en alle aspecten van het leven.
Marjoleine de Vos - Je keek te ver. Amsterdam, Van Oorschot, 2020. Pb.,72 pg., isbn:ISBN 9789028210325
© Jannie Trouwborst, april 2020.
Meer over de gedichten van Marjoleine de Vos vind je onder Moderne Nederlandse dichters op de site van de KB.
Een pastorale is, zoals ik tijdens de literatuurlessen op de middelbare school leerde, een muziekstuk met herderlijk karakter, vooral wat de sfeer betreft. Die is ontspannen,
rustig, op de wijze die aan het gemoedelijke landleven moet herinneren. Ook in toneelstukken, gedichten en romans wordt deze sfeer opgeroepen, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven.
Zoiets verwacht je dus ook bij een boek met de titel Pastorale. Maar de foto op de omslag toont voor wie goed kijkt, dat het allemaal niet zo rooskleurig zal zijn. Zwart-wit, met een verweerde zuil bij de ingang van een landgoed, vanuit een perspectief dat naar de hemel opkijkt, met donkere wolken. Dat belooft niet veel goeds.
Grote thema's
Liefde, religie, onrecht, ontworteld zijn spelen een rol bij dit verhaal over de bewoners van een familielandgoed. Het landhuis ligt in een dorp dat twee totaal verschillende bevolkingsgroepen telt: de boerenbevolking en winkeliers en in een aparte wijk de Molukkers. Er is nauwelijks onderling contact en daardoor zijn de vooroordelen groot. De meeste dorpsbewoners zijn streng gereformeerd, de Molukkers belijden hun christelijk geloof totaal anders.
Hoofdpersonen in het verhaal zijn Oscar en Louise, broer en zus en kinderen van de bewoners van het landhuis. Oscar zit op de middelbare school, Louise studeerde in Amsterdam, maar is teruggekeerd omdat ze haar studie wil staken. Hun moeder is uitermate gelovig, doet veel voor de kerkgemeenschap, maar hun vader heeft zich helemaal teruggetrokken. Speelt piano of leest, zonder zich met de gang van zaken in het gezin te bemoeien. En dan zijn er nog Jonki en Dona, ook broer en zus, uit de Molukse wijk, die via Oscar in het verhaal betrokken worden. Tenslotte Maarten, de zoon van de nieuwe dominee, die vriendschap sluit met Louise.
Vervlechting
Liefde, religie, onrecht, ontworteld zijn: Enter heeft deze thema's vervlochten in een onderhoudend en best spannend boek. De periode waarin het verhaal zich afspeelt is een lange zomer. Het begint vlak voor de schoolvakantie van Oscar, als Louise terugkeert uit de stad, blut, teleurgesteld in haar studie en weifelend over haar toekomst.
Vanaf het begin van haar pubertijd heeft Louise zich verzet tegen de gereformeerde leer en ze heeft daarover al heel wat discussies gevoerd met haar moeder. Ze voelt zich bedrogen door de manier waarop ze als kind geïndoctrineerd is en daardoor, onnodig, een hele angstige jeugd gehad heeft. In Maarten vindt ze een gesprekspartner, geen medestander, maar wel iemand die een open gesprek daarover aandurft. Bij haar studiegenoten is Amsterdam vindt ze geen aansluiting, de gereformeerde dorpsbewoners staan haar tegen, terwijl ze zich in het landhuis, met een afwezige vader, een ontoegankelijke moeder en de boosheid en herinneringen over een nare jeugd, ontworteld voelt.
Oscar krijgt van zijn leraar de opdracht huiswerk te gaan brengen voor Jonki, een Molukse jongen in zijn klas, die in het ziekenhuis ligt. Het lijkt een hachelijk avontuur: niemand durft de Molukse wijk in. Maar het valt mee en zo leert hij Dona kennen, wordt verliefd, sluit vriendschap met Jonki en leert via diens vader de geschiedenis en achtergrond van de Molukkers in Nederland kennen. Hij trekt zich het onrecht dat de Molukkers is aangedaan erg aan, gevoed door de machteloze woede van Jonki's vader. Hij begrijpt hoe ontworteld de Molukkers zich moeten voelen. De onderliggende spanningen in het dorp tussen de twee bevolkingsgroepen komen tot een uitbarsting, als zijn dorpsgenoten Dona beledigen.
Toekomstperspectieven?
Een happy end heeft deze Pastorale niet. Het eenvoudige, prettige landleven blijkt een illusie, zowel op het landgoed, als in het dorp en de Molukse wijk. Niemand heeft enig idee wat de toekomst nog zal brengen, maar iedereen ziet het somber in. Oscar, Louise en haar ouders, maar ook de ontwortelde Molukkers. Het leven gaat verder op dezelfde voet. Maar het is gezien.... De Heer is mijn herder?
Bijzondere combinatie
In Pastorale heeft Enter ontworteling en onrecht als basis gebruikt om twee problemen aan de kaak te stellen: het opdringen van gereformeerde geloofsovertuigingen aan kinderen en de misleiding van en de valse beloften aan de Molukkers. Er zit een parallel in. Soms zijn daarbij de beschrijvingen van personen en situaties iets te stereotype. Maar omdat het verhaal op zich overtuigend genoeg is, nemen we dat maar voor lief. Het is goed dat beide problemen op deze manier onder de aandacht gebracht worden.
Stephan Enter - Pastorale. Amsterdam, Van Oorschot, 2019. Geb., 285 pg., isbn:978-90-2829-300-7.
N.B. Wil je meer lezen over de Molukkers in Nederland, zie dan ook mijn blogs onder het label Molukkers in Nederland
© Jannie Trouwborst, april 2020.
Keerzijde van de Gouden jaren
In 2014 las ik Gouden jaren van Annegreet van Bergen. Een boek over hoe geweldig het leven wel niet is geworden, na de oorlog. Leuk om de ontwikkelingen te herkennen. Iets ouder dan de schrijfster, heb ik ze allemaal bewust meegemaakt. Ik schreef er een recensie over die op zich positief was, maar toch begon er iets te knagen: ik miste iets. Een zekere mate van nuancering en relativering. En kaartte dat aan in mijn recensie. Dat kon niet iedereen waarderen. Maar ik sta er nog steeds achter.
"Want de auteur blijft natuurlijk wel een econoom! De
positieve toon is goed: niet zeuren, kijk eens wat we allemaal bereikt hebben.
Of zoals ze zelf zegt: "Rijker dan we ooit voor mogelijk hadden
gehouden." Oké, mee eens. Maar
wordt het dan misschien nu langzamerhand ook niet eens tijd om te kijken wat er
ondertussen met andere belangrijke waarden in ons leven gebeurd is?
Medemenselijkheid en zorg voor elkaar, natuur- en milieu en duurzaamheid,
psychische gezondheid en ethiek, om er maar eens een paar te noemen. Ik blijf
hopen dat een boek daarover net zo'n bestseller zal worden, maar ik vrees van
niet: die boodschap zal een stuk minder positief zijn."
De gasbel van Slochteren
Wat ik daarbij onder andere voor ogen had, waren de toenemende, zorgelijke berichten vanuit Groningen. Want de eerste verhalen over aardbevingen, schade en een NAM die alle verantwoordelijkheid ontkent, drongen langzaam door tot de rest van Nederland. De Gouden jaren van Annegreet van Bergen zijn mede mogelijk geworden dankzij de 300 miljard euro die de gasbel onder Slochteren tot nog toe opleverde. Maar nu de keerzijde duidelijk is - zo'n 100.000 schademeldingen, huizen die onveilig en onbewoonbaar worden verklaard, steeds meer mensen met psychische problemen en schoolkinderen die leren hoe ze zichzelf tijdens een aardbeving kunnen redden - geeft de overheid niet thuis.
Het gasdossier liet me niet meer los. Er volgen meer en zwaardere aardbevingen. De ministers Kamp en Wiebes wisselen elkaar af en beloven van alles. De minister-president zegt dat het allemaal goed zal komen. Er worden allerlei instanties opgetuigd (CWV, NCG, TCMG), er komt een coördinator, een arbiter. Maar de spelregels worden steeds veranderd, waardoor eerdere oplossingen en afspraken weer ongedaan gemaakt worden. Wiebes spreekt doortastende taal, over de gaswinning die drastisch naar beneden gaat en over harde beloftes over vergoeding van geleden schade. De adder onder het gras is het uitgangspunt dat door de verminderde gaswinning de kans op een volgende aardbeving kleiner zou zijn en er dus veel minder huizen verstevigd behoeven te worden. Iets wat geologen bestrijden: het zal nog jaren blijven rommelen in de Groningse bodem. Maar in één klap worden zo aanvankelijk onveilig verklaarde huizen, plotseling weer veilig verklaard. En de NAM? Die trekt zich nergens iets van aan en gaat gewoon door met het murw maken van de slachtoffers.
Dagblad van het Noorden
Dat bracht het Dagblad van het Noorden er toe een serie interviews te beginnen met getroffenen. Eén
mens kan zaken aandikken en overdrijven, maar tientallen malen een
verhaal van dezelfde strekking duidt op een strategie: de kosten van het
herstel zoveel mogelijk drukken, de boel traineren en de burger
treiteren tot hij verslagen inbindt. Na 101 verhalen is dat wel duidelijk.
Ik besefte dat het geen prettige verhalen zouden zijn die ik ging lezen, maar dat het zo absurd zou zijn, hield ik niet voor mogelijk. Kafka op Het Hoge Land, stelt Bert Wagendorp in zijn voorwoord. Het is geen wonder dat mensen hieraan onderdoor gaan. Elk verhaal is net even anders, maar samen geven ze een compleet beeld van alle ellende en de moedeloosheid van de meeste getroffenen. Wie begint met lezen, kan niet meer stoppen. Misschien wel door de ijdele hoop dat er eentje tussen zit, dat wel goed eindigt. De enkele verhalen met een positieve draai zijn die van mensen met genoeg geld om eindeloze rechtszaken te voeren of het heft in eigen hand te nemen en zelf de schade te herstellen in afwachting van de vergoeding die waarschijnlijk nooit komt.
Bovendien gaat het niet alleen over de vergoeding van schade of het eindeloos wachten op rapporten, maar ook over het gevoel van onveiligheid. Wanneer komt de volgende beving, gaan we dat overleven? Een huis dat verstevigd zou moeten worden en nu ineens niet meer, voelt voor de bewoners onveilig en is dat waarschijnlijk ook. Een thuis is het in elk geval niet meer.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over de schat aan cultuur-historie die verdwijnt. Kerken, eeuwenoude boerderijen, dorpsgezichten. Door het uitstellen van de juiste en nodige reparaties en weigeren deze gebouwen aardbevingsbestendig te maken zijn sommige gebouwen al niet meer te redden.
In de steek gelaten door de rest van Nederland
De Groningers voelen zich in de steek gelaten en terecht. Door de overheid in de eerste plaats, die niet van plan is op te treden tegen de NAM en ook zelf niet voor de schade wil opdraaien. Maar ook door de rest van Nederland. Alsof wij er niet meer bij horen, klinkt het. Daarom hoop ik dat meer mensen de moeite zullen nemen hun verhalen in Ik wacht te lezen. En te beseffen hoe groot het onrecht is dat de Groningers wordt aangedaan.
Ik wacht: 101 verhalen uit het aardbevingsgebied / woord vooraf van Bert Wagendorp; onder red, van Het Dagblad van het Noorden. Amsterdam - Balans, 2019. Pb., 326 pg., foto's, begrippenlijst. ISBN: 9789463820370.
© Jannie Trouwborst, maart 2020.
Wandelen zit in de lift!
Voor het behoud en de verbetering van onze gezondheid is bewegen noodzakelijk. Dat weet inmiddels iedereen wel. Of we met die wetenschap iets doen is een andere zaak. Maar sinds het niet meer per se nodig blijkt om naar de sportschool te gaan of elke dag een heel stuk te rennen, komen er steeds meer mensen in beweging. Want een half uur per dag wandelen is al voldoende, wordt ons voor gehouden. En daar begint het, want wie merkt hoe fijn wandelen is, zal, naarmate de conditie vooruit gaat, steeds vaker en verder willen wandelen. en daarbij ontdekken dat er aan wandelen heel veel kanten zitten.
Ontstressen in de natuur
In Japan heeft men er een woord voor: Shinrin-Yoku, letterlijk vertaald Bosbad. Er worden daar zelfs speciaal "therapeutische bossen" voor aangewezen. Maar Wim Huijser laat in De kracht van wandelen zien, dat elke natuurlijke omgeving zich leent voor wandelen op een helende manier voor lichaam èn geest. Het gaat namelijk niet alleen om het bewegen, maar ook om het jachtige en veeleisende leven achter je te laten en tot rust te komen. Vandaar dat de gemiddelde leeftijd van de wandelaars steeds lager wordt.
Wat ook helpt zijn de digitale middelen die gebruikt kunnen worden om het vinden en volgen van mooie wandelroutes te vergemakkelijken. Op bijvoorbeeld De Wandelzoekpagina staan wandelingen in alle afstanden en soorten. Een groot deel ervan is ook als GPS-route te downloaden en dus altijd up-to-date. En wie liever een wandelboekje heeft, kan veel van deze wandelingen ook vinden in de wandelgidsen van Wandelbart of Uitgeverij Gegarandeerd Onregelmatig.
En dan is er natuurlijk nog het vertrouwde Wandelnet waar de LAW-routes en streekpaden ontwikkeld worden en die tegenwoordig alle routes uit de gidsen ook als GPS-track aanbieden.
Klein beginnen
Om de voordelen van het wandelen voor je lichamelijke en geestelijke gezondheid te ontdekken, moet je echter klein beginnen. Het liefst kies je daarvoor een natuurlijk omgeving uit: park, bos, strand, polder, uiterwaarden. Wim Huijser neemt je mee op je ontdekkingstocht, stap voor stap. Begin met een kwartiertje, kijk anders naar je omgeving, ervaar de wind, de geuren, laat de drukte en het lawaai achter je.
"Wanneer je regelmatig op deze manier wandelt en je onderdompelt in de natuur, verandert er iets in jezelf. Je raakt niet meer zo snel overweldigd door een maalstroom van gedachten en ideeën maar kunt die misschien wat sturen of even in de wacht zetten. Je kunt je dan beter richten op wat zich nu, op dit moment afspeelt, op de plek waar je dan bent."
Zoveel mogelijkheden
Tot zover de inleiding. Daarna volgen 42 hoofdstukjes met allerlei aspecten van het wandelen en suggesties. Afgewisseld met evenzovele spreuken en citaten over het lopen, wandelen en beleven van de natuur. En sfeervolle foto's.
Ook in Nederland kun je pelgrimstochten lopen, kinderen krijg je gegarandeerd mee het bos in als je met ze gaat geocachen. Samen wandelen of juist alleen, stiltewandelingen, naar je werk lopen, wandelcoaching, struinen. Dat je er creatief van wordt, blijkt uit de stukjes over kunstenaars, schrijvers en filosofen. En de citaten die van hen opgenomen zijn.
Het boekje is niet duur en een heel leuk cadeau voor iedere wandelaar. De beginneling zal er steun in vinden, de gevorderde zal nieuwe mogelijkheden ontdekken en de ervaren wandelaar zal vooral genieten van de herkenning, de toepasselijke spreuken en foto's.
"We zullen niet ophouden met ontdekken en het einde van al onze ontdekkingen zal de terugkeer zijn naar waar we zijn begonnen en we zullen de plaats voor de eerste keer kennen." T.S. Eliot.
"Pessimisten wandelen altijd in een regenjas; optimisten worden nat." John Vangelis.
"Wie wandelt, verandert. Op ons levenspad zijn we altijd in beweging". Anselm Grün.
"Bij slecht weer kun je wel lekker met je hoofd in de wolken lopen.". Loesje.
Wim Huijser - De kracht van wandelen. Ede, De Lantaarn, 2019. Pb., 160 pg., kleurenfoto's. ISBN:978-94-6354-103-9
© Jannie Trouwborst, februari 2020.
Njai Isah
Het leven van haar betovergrootmoeder inspireerde Dido Michielsen bij het schrijven van Lichter dan ik. Isah, zoals zij zal heten in deze roman, werd in 1850 geboren op Java. Ze groeit op in de kraton, het vorstenverblijf van de sultan in Djokja. Samen met haar moeder bewoont ze er een eenvoudige woning, waar haar moeder de kost verdient als batikster. Isah is bevriend met de dochters van de sultan, maar bij het opgroeien ontdekt ze al snel dat er onneembare obstakels bestaan in de traditionele standenmaatschappij. Maar ook dat die tradities zowel voor de prinsesjes als voor haarzelf enorme beperkingen met zich mee brengen. Ze besluit haar leven in eigen hand te nemen. Laat zich niet uithuwelijken, maar wordt de huishoudster en minnares van een Hollandse officier. Ze krijgen twee dochters en Isah hoopt dat hij ze zal erkennen en met haar zal trouwen. Maar zo werkt dat niet in de Nederlands-Indische kolonie. Hij laat hen in de steek, haar kinderen worden haar afgenomen en ze moet grote offers brengen om ze te kunnen zien, zonder dat ze hen kan vertellen dat ze hun moeder is. Ze kan niet voorkomen dat haar dochters tenslotte naar een internaat gestuurd worden en niet lang daarna uitgehuwelijkt. Ze heeft geen idee waar ze kunnen zijn en blijft de rest van haar leven naar hen op zoek. Ze voorziet in haar levensonderhoud met de verkoop van kruiden die ze zelf verbouwt en slaapt bij vrienden in de armoedige kampongs in de buurt van de stad. Vlak voor ze op 67-jarige leeftijd sterft, vraagt ze een vriendin haar verhaal op te schrijven, in de hoop dat haar dochters of hun nakomelingen ooit de waarheid zullen weten.
Van binnenuit
Over Nederlands-Indië zijn al heel wat boeken verschenen. Maar wie denkt het wel te kennen door de prachtige verhalen van Nederlandse auteurs als Louis Couperus en Hella Haasse, vergist zich. Want dat is het mooie van dit verhaal: het is vanuit het perspectief van een Javaanse vrouw geschreven. Daarvoor heeft Michielsen een handige truc toegepast: het verhaal is zogenaamd geschreven door de vriendin van Isah, Tjanting. Zij schrijft het voorwoord en nawoord om uit te leggen dat ze niets verzint, dat het allemaal door Isah verteld is, maar dat Isah zelf het Nederlands niet goed genoeg beheerst om haar eigen verhaal op te schrijven. Daarna laat zij Isah in de ik-persoon aan het woord. Dat alles maakt het verhaal nog directer, aangrijpender en geloofwaardiger.
We volgen het leven van Isah chronologisch en maken kennis met de omgeving waarin ze verkeert. Allereerst de kraton, later het huizen van verschillende Hollanders en tenslotte de kampongs. Met de beperkingen die er gelden door traditionele gebruiken en religie, maar ook met de vooroordelen die de Hollanders hebben. De rijke cultuur van de Javanen, die zich bijvoorbeeld toont in de symboliek van de batikstoffen die haar moeder op zeer kunstzinnige wijze bewerkt, worden door de blanken niet begrepen. Uit alles blijkt dat de meesten geen belangstelling hebben in en respect voor de inlandse cultuur. Zoals de eis dat hun vrouwelijk personeel witte kebajas dragen: voor de Javanen de kleur van de rouw.
De onderdrukking door de Hollanders en de effecten daarvan op de oorspronkelijke bewoners kunnen niet duidelijker tot uitdrukking komen dan door deze njai (zoals een huishoudster en minnares genoemd wordt) aan het woord te laten. Ze kan er nooit iets van laten merken, maar haar gedachten erover delen in deze roman is geen enkel probleem. En dat maakt dit verhaal zo uitzonderlijk. Het maakt de onmacht voelbaar en het schetst haar verachting voor de leeghoofdige Hollanders. Hun Europese pracht en praal kan niet tippen aan de bezielde symboliek van de natuur, traditionele voorwerpen en batikpatronen. Door hun invoering van het cultuurstelsel ontstonden armoedige kampongs waar niemand meer werk heeft. In Isahs verhaal wordt duidelijk dat het al broeit in de kampongs en dat het wel tot een uitbarsting moet komen.
Eind goed, al goed?
Nee. En ik verklap daarmee niets, want al op de eerste bladzijden van het boek wordt duidelijk: Isah zal haar dochters nooit meer terugzien. En toch is het verhaal van begin tot eind spannend. Alle belangrijke personages zijn levensecht beschreven, de situaties benauwend, het verdriet en de wanhoop voelbaar. Maar ook de onvermoeibare wijze waarop ze blijft hopen en zoeken.
In het Nawoord deelt Tjanting haar dilemma ons: mag ik Isahs verhaal, dat voor haar dochters bedoeld is, wel uitgeven als boek? Ze besluit uiteindelijk het toch te doen, om daarmee alle andere vrouwen en kinderen die hetzelfde is overkomen ook een stem te geven. En dat zijn er velen.
Zelden heb ik zo'n aangrijpend, spannend, triest en leerzaam boek
gelezen als de roman Lichter dan ik van Dido Michielsen. Dat er heel veel tijd gestoken is in cultuur-historisch onderzoek is duidelijk. Ik ontdekte de
titel op de longlist voor de Libris literatuurprijs 2020. Inmiddels is
bekend gemaakt dat het de Nederlandse Boekhandelsprijs 2020 gewonnen
heeft. Dat lijkt me volkomen terecht, want het is ook nog eens heel goed
geschreven.
(Achterin staat een verklarende woordenlijst, maar door de manier waarop de Javaanse woorden in de tekst zijn verweven is het ook zonder die lijst vaak wel duidelijk waar het om gaat. Ik heb maar zelden iets op hoeven te zoeken.)
Dido Michielsen - Lichter dan ik. Amsterdam, Hollands Diep, 2019. Pb., 267 pg.,
ISBN: 9789048845033.
© Jannie Trouwborst, februari 2020.