maandag 15 juni 2020

Gerbrand Bakker - Knecht, alleen

Van Gerbrand Bakker verscheen in 2016 in de serie Privé domein Jasper en zijn knecht (nr. 287), nu is er een vervolg: Knecht, alleen (nr. 309). Zoals gebruikelijk in deze serie vertelt de schrijver veel over zijn eigen leven. Hoewel hij al een aantal goed geslaagde romans op zijn naam heeft staan, is het jaren vrij stil gebleven voor Jasper en zijn knecht verscheen. Columns en non-fictie boeken verschenen wel, maar een roman? Dat lukte maar niet.
Met Jasper en zijn knecht leek het schrijfproces weer op gang te komen. Het leek erop dat al schrijvende de urgentie van met woorden en taal bezig zijn om je gedachten en gevoelens te uiten, terugkwam. Dat het een uitlaatklep was en een poging tot analyseren van het eigen leven.


Knecht, alleen is van een andere orde. Jasper, die een grote rol was gaan spelen in het leven van Bakker en die een prettiger leven leek te bewerkstelligen, overleed en liet zijn knecht alleen achter. Wat deed dat met zijn knecht? Je kunt Knecht, alleen als een vervolg beschouwen, maar het is meer dan dat, het is vooral anders. Nog beter geschreven, meeslepender verteld.


Drie verhaallijnen

Er zijn drie verhaallijnen: een autovakantie met twee vrienden naar Griekenland, afspraken met een seksuologe en een therapeut, en persoonlijke herinneringen en analyses. Ze wisselen elkaar af en vullen elkaar aan. Het is dan ook geen dagboek, zoals Jasper met zijn knecht. Het leest prettiger en maakt veel van wat hij erin kwijt wil over zijn leven, duidelijker.

Zijn leven lang heeft hij al last van depressies. Daar krijgt hij ook medicijnen voor. Soms gaat het wat beter en soms probeert hij zonder. Tijdens de autovakantie gaat het mis. Op een combinatie van een kalmeringsmiddel en een antidepressivum probeert hij zich staande te houden. Er gaan maanden van vechten voorbij, hoewel vechten? Er zijn moeilijk woorden te geven aan hoe iemand door een depressie gaat. Toch slaagt hij erin het lege gevoel, het niemandsland, het er niet zijn en toch verder leven, over te brengen. 
De gesprekken met de therapeut en de seksuologe zetten aan tot overpeinzingen en analyses. Net als zijn herinneringen aan vroegere liefdes, relaties, gebeurtenissen die ingrijpend waren. Omdat het raakt, maar ook door toevoeging van droge humor en relativering, is het niet moeilijk zijn gevecht met oprechte interesse te blijven volgen.

Thema's

Hij snijdt verschillende thema's aan. Al eerste de depressie: wat dat inhoudt, hoe hij het ervaart, welke medicijnen er zijn, hoe die werken, wat de bijwerkingen zijn, hoelang het kan duren voor ze werken en de juiste dosering is gevonden. En tenslotte hoe het er nu voor staat: redelijk, een labiel evenwicht, maar nog steeds met het gevoel dat hij zichzelf kwijt is. De therapeut begeleidt hem in het proces. De seksuologe is er vanwege het libidoverlies, dat achteraf vermoedelijk te wijten is aan een bijwerking van het antidepressivum. Maar ook zij geeft hem inzichten in zijn worsteling met het alleen zijn en zich niet geliefd voelen.

Schrijven is een ander thema. Ondanks het succes is hij niet gelukkig met zijn romans. Fijn dat anderen er plezier aan beleven bij het lezen, maar eigenlijk vindt hij romans schrijven een vorm van coquetterie. In de Privé domein boeken voelt hij zich meer op zijn gemak, vrijer. Begrijpelijk, geen redacteur die zich met het verloop van een verhaal bemoeit, schat ik in. Mijn opvatting is: Schrijven is gewoon een vak, dat naast kennis en kunde ook talent vereist. En zoals bij alle creatieve uitingen een zekere innerlijke noodzaak. En juist die noodzaak maakt dat je met overtuiging kunt werken aan een boek dat helemaal bij jou past. 

Het belangrijkste thema is toch alleen zijn en de eventuele relatie daarvan met depressies. Zijn depressies erfelijk? Is het psychologisch? De meeste herinneringen en analyses gaan daar over. En al schrijvende komen er toch voorlopige antwoorden uit. Het laatste hoofdstuk laat de lezer achter met de gedachte dat het iets beter gaat, dat er nog hoop is, dat tevreden zijn met wat er was en nu is, ook goed is.

Geen romans meer? Een Eifeltuin dagboek zou ook wel in de smaak vallen, lijkt me. 

Gerbrand Bakker - Knecht, alleen. Amsterdam, Arbeiderspers, 2020. Pb. 287 pg., serie: Privé domein 309, isbn: 978-90-295-4208-1.

© Jannie Trouwborst, juni 2020.

woensdag 10 juni 2020

Miriam Guensberg - Held zonder vaderland

Voor Zeeuws-Vlaanderen eindigde de Tweede Wereld Oorlog al in het najaar van 1944. Niet dat er veel te vieren viel. Een enorme verwoesting, duizenden gesneuvelde soldaten en een vergissingsbombardement door de geallieerden op Breskens laten nog altijd hun sporen na. Zoveel jaren later zijn de herdenkingen nog talrijk in september en oktober. De Slag om de Schelde krijgt sinds kort eindelijk de aandacht die het verdient: hier begon de opmars van waaruit de rest van Nederland uiteindelijk ook bevrijd zou worden.
Dat daarbij een belangrijke rol vervuld werd door de Eerste Poolse Pantser Divisie is bij weinigen bekend. En dat zij (als ze hun dappere strijd overleefden) daarna als stateloos burger door het leven moesten gaan, weten wellicht nog minder mensen. Zo niet in Axel, waar zij nog altijd geëerd worden en waar schoolkinderen nauw en serieus bij de herdenkingen betrokken zijn. In Axel, maar ook in bv. Breda, dat kort daarna bevrijd werd, verwijzen Poolse familienamen nog steeds naar het land van herkomst van hun bevrijders.

De vader van Miriam Guensberg was een van hen. Door romans te schrijven met zijn geschiedenis als basis wilde ze aandacht vragen voor deze dappere, maar vergeten groep bevrijders van Nederland. Maar nu is voor haar het moment gekomen om het hele verhaal te vertellen in een biografie. Dolek Guensberg (1908-1990): Held zonder vaderland. Mijn vader: Pools, Joods en bevrijder.

Emotionele zoektocht

Wie een biografie wil schrijven, moet allereerst feiten verzamelen en zich verdiepen in historische achtergronden, maar daarnaast de nodige, objectieve afstand bewaren tot de persoon om wie het gaat. Dat valt niet mee als het om je vader gaat. Zeker niet als de feiten die tevoorschijn komen hartverscheurend zijn. Toch is Miriam Guensberg er in geslaagd een prettig leesbare mix te vinden van enerzijds feiten en historische achtergronden en anderzijds de haar kwellende gevoelens en haar liefde voor haar vader.

Haar vader komt uit het verhaal naar voren als een lieve, zachtaardige man, die besloten heeft, dat het verleden en zijn verdriet over het verloren vaderland niet zijn nieuwe geluk in het gezin mogen verstoren. Hij spreekt er dan ook nauwelijks over. Voor veel feiten moet ze zich behelpen de spaarzame momenten dat hij iets wilde vertellen en met afgeluisterde gesprekken met zijn lotgenoten. En daarnaast met archiefonderzoek en een bezoek aan zijn geboortedorp Nowy Targ. Daar ontmoet ze Karolina Panz, die een proefschrift schreef over de Joden in Nowy Targ. De verhalen die zij haar kan vertellen over het leven en de dood van niet alleen haar grootouders Guensberg, maar ook de rest van de Joodse bevolking zijn afschuwelijk. Het brengt haar ertoe even de feitelijke afstand los te laten en een hoofdstukje te reserveren om haar grootouders met terugwerkende kracht een emotionele brief te schrijven.

De geschiedenis herschreven

Uiteraard speelt de Tweede Wereldoorlog een grote rol in de biografie. Maar eigenlijk nog meer de voorgeschiedenis, en de gebeurtenissen en afspraken bij het einde ervan. Ze beschrijft uitgebreid de geschiedenis van Polen. Hoe het westen toekeek hoe het land van twee kanten werd aangevallen: in het westen door Duitsland en in het oosten door Rusland. Hoe de geallieerden wel graag gebruik maakten van de Poolse soldaten, die hoopten hun vaderland te bevrijden door mee te vechten, maar hoe ze vervolgens in de steek gelaten werden bij de vredesbesprekingen. Welke wreedheden ook van Russische zijde plaats gevonden hebben in Polen. En wat er gebeurde met de weinige Polen die na de oorlog terugkeerden naar het Polen onder Russische heerschappij. Er komen daarbij feiten naar boven die niet iedereen zal kennen, maar die de triestheid van deze persoonlijke geschiedenis alleen maar onderstrepen. 

Het particuliere leven

Maar Miriam Guensberg begint bij het begin en vertelt ook het persoonlijke verhaal van haar vader: zijn prettige jeugd in Nowy Targ, zijn studiejaren om arts te worden. Zijn besluit om zich aan te sluiten bij het Britse leger. Zijn ervaring als legerarts en de gevechten waarin hij terecht komt. Zijn ontmoeting met haar moeder, hun eerste tijd samen. Breda is bevrijd, maar hij kan er niet blijven, moet verder, de rest van Nederland bevrijden en daarna Polen, hoopt hij. Als dat een illusie blijkt, legt hij zich er diep triest bij neer, trouwt met haar moeder en ontwikkelt zich tot de eerste en een van de meest vooraanstaande anesthesisten van Nederland. Ondertussen gaat hij nog wel op zoek naar zijn beide broers, die oorlog overleefd blijken te hebben.
Het gezin is gelukkig, hij geniet ervan. Maar soms is hij stil en blijkbaar met zijn gedachten op een andere plek, bij zijn ouders en broers. Maar erover praten wil hij niet, dus laten ze hem de ruimte die hij blijkbaar nodig heeft. 

Poolse erebegraafplaats in Axel
Onrecht en onbegrip

De herinneringen van Miriam aan haar vader zijn warm. Het onrecht hem en andere Poolse bevrijders aangedaan, laat haar niet los. Het onbegrip bij zovelen die de geschiedenis niet kennen, doet haar besluiten het niet langer te verstoppen in romans, maar die geschiedenis in een biografie op schrift te stellen. Als nagedachtenis aan haar vader en al zijn dappere medestrijders.

Het resultaat is een prettig leesbaar boek, geïllustreerd met zwart-wit foto's van personen en documenten, over een donkere periode in onze geschiedenis. Het wijst ons erop, dat er behalve Britten, Amerikanen en Canadezen, ook Polen een groot offer gebracht hebben voor onze vrijheid.

Miriam Guensberg - Held zonder vaderland: mijn vader:Pools, Jood en bevrijder. Amsterdam, De Kring, 2019. Pb., 189 pg., zw.wit foto's, ISBN:978-94-6297-150-9

© Jannie Trouwborst, juni 2020.

donderdag 14 mei 2020

Maarten 't Hart - De nachtstemmer

Wie al meer van Maarten 't Hart las, kent onder tussen de ingrediënten: Klassieke muziek, de Bijbel en het geloof, de natuur, Maassluis en orgelmuziek. Ook in De nachtstemmer komen ze allemaal ruim aan bod.

Het verhaal

Eind jaren tachtig van de vorige eeuw krijgt een Groningse orgelstemmer de opdracht een beroemd kerkorgel te stemmen in een Zuid-Hollands havenstadje. Hij komt terecht in een wonderlijke wereld, bevolkt door eigenaardige, merendeels xenofobe dwarsliggers wier liefste bezigheid het is zowel elkaar als mensen van buiten ertussen te nemen. De stemmer maakt kennis met een Braziliaanse weduwe en haar eigenaardige dochter die zich ontpopt als een vaardige helper bij het stemmen. Dankzij de weduwe en haar behulpzame dochter raakt de stemmer echter in grote problemen die uiteindelijk, tamelijk onverwacht, toch nog opgelost lijken te worden. (Achterflap)

Het orgel

Het stemmen van een pijporgel is een moeizaam werk, dat een scherp gehoor, omzichtigheid, spierbeheersing, logisch denken, zin voor praktisch handelen en bij dit alles geduld en uithoudingsvermogen van een stemmer vergt. Alleen in een ruimte waar het volkomen stil is en met een vaardige helper bij de klavieren kan hij zijn taak naar behoren verrichten en bij een groot orgel en gunstige klimaat omstandigheden ook voldoening hebben van zijn werk.
Uit: A.P. Oosterhof en A. Bouwman, Orgelbouwkunde.

In dit citaat, voor in het boek, staat in een notendop alles wat een rol speelt in het verhaal dat Maarten 't Hart er omheen geweven heeft. De hoofdpersoon, Gabriël Pottjewijd, is een schuchtere weduwnaar die vanuit zijn woonplaats in Noord-Groningen veelal Duitse orgels stemt. Hij wordt er steeds hoffelijk ontvangen en krijgt er de gelegenheid zijn werk in alle rust te doen. Als hij uitgenodigd wordt voor het stemmen van een groot Garrels orgel in een Zuid-Hollands havenstadje is hij zo enthousiast, dat hij toestemt. Ondanks de enorme afstand, die per trein wordt afgelegd en uitgebreid beschreven. De omstandigheden waaronder hij in het stadje moet stemmen zijn echter verre van ideaal.

In de loop van het verhaal krijgt de lezer les in alles wat met kerkorgels te maken heeft: van de namen van de bouwers tot die van de registers. En van de wijze van stemmen  tot  de problemen die zich daarbij voor kunnen doen, vooral wat betreft omgevingsgeluid en bereikbaarheid van de onderdelen die afgesteld moeten worden. Dat hij meteen ook het verzoek krijgt het kleinere Seiffert orgel van een andere kerk te stemmen biedt de mogelijkheid om ook dat te beschrijven. 

De stad en het geloof

Hoewel nergens genoemd, speelt ook dit verhaal weer in Maassluis. De straatnamen zullen de trouwe lezers bekend voor komen. Het Garrels orgel staat in de Grote kerk en het Seiffert orgel in de Immanuël kerk van Maassluis. De bewoners van de stad komen er zoals gewoonlijk niet best vanaf. Niet alleen zijn ze xenofoob, maar ook zijn het vreemde types en uiterst gelovig. Dat schept de mogelijkheid voor 't Hart om Gabriël in discussie te laten gaan over allerlei ongeloofwaardige Bijbelverhalen met de Mannenbroeders in het café en om met een dominee over zijn geloofsafvalligheid te spreken.

De Braziliaanse weduwe is ook een buitenstaander gebleven in het stadje. Haar dochter Lanna blijkt een geweldige hulp. Het licht autistische meisje en Gabriël kunnen het uitstekend vinden. Dat overtuigt de moeder dat hij een goede man is, want in het stadje wil elke man haar versieren, maar behandelen ze haar dochter als een gestoorde. Dat ze hem thuis uitnodigt voor het eten valt op en zal voor problemen zorgen.
Grappig detail is verder nog dat hij de weduwe die redelijk Nederlands spreekt maar Portugees als moedertaal heeft, wil paaien door Portugees met haar te spreken. Hij koopt daartoe een Portugese Bijbel van een (uiteraard) extravagante bijbelverzamelaar. Omdat hij de Bijbel woord voor woord uit zijn hoofd kent, kan hij die gebruiken om een andere taal te leren. In een interview met 't Hart blijkt dat hij thuis zelf ook een verzameling Bijbels in vreemde talen heeft.

Muziek en natuur

Uiteraard komt ook de klassieke muziek geregeld aan bod en tijdens uitstapjes op de fiets worden planten en vogels benoemd. Dat 't Hart zelf ook orgels bespeelt, zal ongetwijfeld meegespeeld hebben om dit verhaal te willen schrijven.

Kortom: alle thema's komen weer aan de beurt. Het verhaal dat er omheen geweven is, is onderhoudend, heeft humor en is spannend. Maar hoewel ik terloops veel geleerd heb over orgels was het af en toe wel een beetje teveel van het goede naar mijn zin.

Leuk om te weten: de naam Pottjewijd is niet alleen een echte Goniningse naam,  maar Geert Jan Pottjewijd heeft ook enkele uitgebreide websites gemaakt over orgels!

Maarten 't Hart - De nachtstemmer. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2019. Geb.,  320 pg., isbn:9789029540377.

© Jannie Trouwborst, mei 2020.

vrijdag 8 mei 2020

Thomas Rosenboom - Zoete mond

In 2013 verbleven wij een weekje in Bilthoven. We pasten er op de poesen en het huis van een oudere dame met een voorkeur voor Nederlandse literatuur. De boekenkast stond vol met bekende titels, de meeste ervan had ik al gelezen. Maar nog nooit iets van Thomas Rosenboom. En hoewel ik niet van dikke boeken houd, besloot ik het er maar op te wagen en pakte Publieke werken uit de kast. En het ongelooflijke gebeurde: eenmaal begonnen met lezen, kon ik het maar moeilijk wegleggen. Ik heb ervan genoten en verheugde me op de film die er van zou verschijnen. Die viel me toch een beetje tegen, maar al met al heeft Publieke werken zo'n goede indruk nagelaten dat ik later dat jaar, tijdens een oppasvakantie in Bellingwolde, bij een boekenstalletje langs de weg Zoete mond kocht, net zo'n dikke pil.

Maar zoals dat vaker gaat met impulsaankopen: het boek kreeg bij thuiskomst een plekje in de boekenkast en bleef daar jaren ongelezen staan. Tot ik, vreemd genoeg tijdens een periode dat ik lezen en bloggen even niet meer zag zitten, deze dikke pil te voorschijn haalde en vrij gemakkelijk uitlas, zij het met wat minder plezier, dan Publieke werken. Zoete mond werd genomineerd voor De Gouden Uil, stond in de Volkskrant op nummer 2 van de beste romans van het decennium en in NRC Handelsblad in de top drie van beste boeken 2009. Zo enthousiast ben ik niet. Ik denk dat het een kwestie van smaak is.

Waar gaat het over?

Wanneer dierenarts Rebert van Buyten in 1965 naar Angelen verhuist, brengt hij onder de kinderen een golf van dierenliefde teweeg. Door het stijgen van zijn roem stoot hij onbedoeld de andere beroemdheid van het dorp van zijn voetstuk: Jan de Loper, een dwangmatige grappenmaker. Naarmate de mooie Laura Banda het vaker over de laatste heeft, neemt bij Rebert de afkeer van de man toe tot een welhaast onbedwingbare obsessie. Hij zint op een zoete wraak.
Weergaloos schetst Thomas Rosenboom de rivaliteit tussen twee buitenstaanders in een dorpje aan de Rijn in een afwisselend feeërieke en beklemmende roman over verlangen en verlies.
Waar een wit dier verschijnt begint de mythe.(Flaptekst).


Bijzondere personages

Thomas Rosenboom heeft het talent om van twee ogenschijnlijk gewone mensen bijzondere figuren te maken door het aandikken van bepaalde eigenschappen. Maar waar in Publieke werken de beide hoofdpersonen aparte figuren zijn, met onrealistische dromen, zijn de twee mannen in dit boek bijna absurd te noemen. Daarom was het gemakkelijker destijds mee te voelen met de Amsterdamse Walter Vledder, die koppig weigert zijn huisje te verkopen voor de bouw van het Victoria Hotel en zijn neef de Hoogeveense Christof Anijs die zich het lot aantrekt van de veenarbeiders in de omgeving. Beiden werken zich in de nesten. Je ziet het aankomen en blijft gevangen in het duidelijk onontkoombare debacle.

De twee belangrijkste figuren in Zoete mond zijn meer dan apart. Met name Jan de Loper, de dwangmatige grappenmaker, is een absurde figuur. Hij roept irritatie op, niet alleen bij de hoofdpersoon Rebert van Buyten, maar ook bij mij als lezer. Maar misschien is dat de bedoeling van de schrijver, om beter met Rebert mee te kunnen leven.

Door het perspectief van het verhaal bij Rebert te leggen, krijgen we als lezer een duidelijk beeld van het innerlijk van dit personage: zijn ontwikkeling, zijn drijfveren en zijn geestelijke gesteldheid. Daarbij is mooi te zien hoe iemand een buitenkant kan tonen die niet bij zijn innerlijk past. 

Historische feiten

In Publieke werken maakte Rosenboom gebruik van historische feiten. In het huidige Victoria Hotel zijn de twee huisjes nog in de gevel te zien. En voor neef Anijs gebruikt hij de biografie van de Hoogeveense apotheker Radijs. Ook in Zoete mond maakt hij gebruik van de geschiedenis. Allereerst speelt het verhaal in de jaren 60, een periode die gaaf weergegeven wordt. Voor mij in elk geval goed herkenbaar. De witte walvis die de Rijn op zwemt en ook een belangrijke rol heeft in het verhaal is geen verzinsel. (Ik moest er aan denken toen onlangs een dolfijn de haven van Amsterdam in zwom en niet meer weg wilde). Voor de dierenartsenij heeft Rosenboom gebruik gemaakt van de Doctor Vlimmen- streekromans van Anton Roothaert. En de romanfiguur Jan de Loper is geïnspireerd op de biografie van Kees de Tippelaar, een heer op stand uit Breukelen die zijn leven besteedde aan wandelen, practical jokes en naastenliefde.

Wat ik er van vond

Een dikke pil, ik schreef het al. Te dik voor mij dit keer. Sommige stukken vond ik veel te veel uitgesponnen, de fascinaties van Rebert bleven herhaald worden. Het was veel minder spannend dan Publieke werken en meeleven met een hoofdpersoon, wat toch wel prettig is in een roman, lukte niet echt. Zelfs begrip opbrengen was niet goed mogelijk. Mij viel het dus een beetje tegen, vooral in vergelijking met Publieke werken.

Dat recensenten er anders over denken kun je o.a. lezen in deze  uitgebreide analyse van Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Misschien zou ik het dus nog een keer moeten lezen, maar dat is met deze dikke pil te veel gevraagd.

Thomas Rosenboom - Zoete mond. Amsterdam, Querido, 2009. Pb., 550 pg., isbn:9789021437170.

© Jannie Trouwborst, mei 2020.


maandag 27 april 2020

Marjoleine de Vos - Je keek te ver

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 1957) schrijft over kunst, literatuur en koken en heeft een tweewekelijkse, beschouwelijke column over zingeving op de opiniepagina van de NRC. Een selectie van deze columns werd gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen (2000),  Het is zo vandaag als altijd (2011) en Doe je best (2018).
In 2000 verscheen haar eerste poëziebundel Zeehond graag (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002), gevolgd door Kat van sneeuw (2003) en Het waait (2008). In haar laatste bundel Uitzicht genoeg (2013) vinden we dit gedicht:

Ruimtevrees

 Achter weilanden weiden, daar weer achter
dijken, zee en Zweden. Waar zou je heen?
De blik verliest je met zichzelf in de ruimte
waar aankomst ver en ver is te zoeken.
Niet voor de woerd die plotseling en onbedaarlijk
groen het zonlicht en je oog in zwemt.
Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid
bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.
Voel warmte op je neus, zie 't vroege blad
van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier
.


In Je keek te ver werkt ze die gedachte verder uit, in wat je zou kunnen noemen: een persoonlijk doorleefd, poëtisch essay.

Groningen

Marjoleine de Vos woont in het Noord-Groningse Zeerijp. Elke dag maakt ze een wandeling vanuit haar huis, ongeacht het weer of het seizoen. Bezoekers van elders begrijpen niet wat er zo bijzonder is aan het grootschalige landschap met de wijkende einder. Maar Marjoleine stelt: er is niets te zien, en tegelijk heel veel. Voor wie daar moeite voor doet en er voor open wil staan.
En daarom neemt ze ons mee op haar wandelingen en in haar mijmeringen. Ze spreekt ons aan en ook zichzelf. Verwacht geen routebeschrijving, geen chronologie. Associatief leidt ze ons door het landschap, langs dichters en filosofen, door de geschiedenis en in de richting van de toekomst. Maar ze staat vooral stil bij het hier en nu. 

Lezen van het landschap

In het eerste hoofdstuk leert ze ons het landschap te lezen aan de hand van de geschiedenis. Wie daar weet van heeft, ziet veel meer. Er valt altijd iets te ontdekken, je kunt je ergens pas over verwonderen als je de historie ervan kent. 
Bovendien is het landschap nooit hetzelfde, al lijkt dat zo. Een andere lichtval, een ander jaargetijde, volle of gerooide akkers, bomen in lentetooi of met herfstbladeren. Wie wandelt maakt deel uit van het landschap en beleeft het directer. Als je drukke hoofd vol gedachten dat tenminste niet dwarsboomt.

Niet dat ze geen oog heeft voor het te grootschalige landschap met rechtgetrokken waterlopen en enorme boerderijen. Maar erover mopperen heeft geen zin, je moet kijken naar wat nog herkenbaar is van vroeger, zoals kerkjes en wierden, en naar de simpele dingen in de natuur.

"Maar zoals gezegd: zien moet je leren. Zoals voor wie niets weet van het verleden, het Drentse essenlandschap als het ware niet bestaat, zo bestaat ook middeleeuws Groningen niet voor wie niet weet dat er zoiets was als middeleeuws Groningen. Je moet de sporen ervan leren herkennen, anders zijn er eenvoudigweg geen sporen."

Wie zo kijkt, weet beter wat het behouden waard is. Maar ook wat nooit meer terug zal komen. Voorgoed, missen: het zijn woorden om over te filosoferen, om dichters te citeren. En tot de conclusie te komen:

"Kun je ook te ver in het verleden kijken? In ieder geval wel te veel. Misschien is alles wat uit verlangen bestaat wel "te". Je moet niet verlangen. The art of losing bestaat uit niet-verlangen maar zijn. Er is ook nu: een hoogte, een smalle, kleine kerk, een schitterend uitzicht, schapen op de ijsbaan, stilte. Groningerlandstilte."

Het echte leven

Voor stadsbewoners die op bezoek komen speelt het werkelijke leven zich toch af in de stad, beweren ze. Marjoleine de Vos geeft voorbeelden van wat zij onder het echte leven verstaat. De subtiele verandering in de natuur in de loop van de seizoenen, het oogsten en zaaien, de weidsheid van de luchten, de geringe beschutting tegen de elementen en de vriendelijkheid in de winkels, de praatjes op straat en de tafeltjes met de oogst van de moestuintjes langs de kant van de weg. De rust, de ruimte, de stilte van het platteland.

Al filosoferend en dichters en schrijvers citerend wandelt ze steeds opnieuw door haar Groninger landschap. Denkt na over de onveranderlijkheid van sterke gevoelens door eeuwen heen, over de ontoereikendheid van woorden om uit te leggen wat je voelt, over de tekortkomingen van herinneringen en over de zin van het bestaan. Een vol druk hoofd, dat maar blijft nadenken en dat alleen tot zwijgen gebracht kan worden door te wandelen en te zien. 

"Het is alsof je, buiten lopend, je leven weer terug krijgt. Ik sta op de Eenumerhoogte - een wierde die in de derde eeuw al bewoond was, nu naast het eigenlijke dorp gelegen dat op een eigen wierde staat. Ze hebben de kaak van een bruine beer in de bodem gevonden - ongelooflijk toch, hier tussen de suizende akkers. Het moet hier zo anders geweest zijn, zonder aardappels en puntige kerktoren. Met beren.
Maar enfin, als je daar staat en uitkijkt dan is het of je ook van binnen ruimer wordt. En zolang je op doortocht bent, niet aangekomen, zonder haast, zolang is het leven eigenlijk wel uit te houden."

Een bijzonder boekje dat je al mijmerend en filosoferend meeneemt op pad door het Groninger landschap en alle aspecten van het leven.

Marjoleine de Vos - Je keek te ver. Amsterdam, Van Oorschot, 2020. Pb.,72 pg., isbn:ISBN 9789028210325 

© Jannie Trouwborst, april 2020.

Meer over de gedichten van Marjoleine de Vos vind je onder  Moderne Nederlandse dichters op de site van de KB.

vrijdag 24 april 2020

Stephan Enter - Pastorale

Een pastorale is, zoals ik tijdens de literatuurlessen op de middelbare school leerde, een muziekstuk met herderlijk karakter, vooral wat de sfeer betreft. Die is ontspannen, rustig, op de wijze die aan het gemoedelijke landleven moet herinneren. Ook in toneelstukken, gedichten en romans wordt deze sfeer opgeroepen, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven.

Zoiets verwacht je dus ook bij een boek met de titel Pastorale. Maar de foto op de omslag toont voor wie goed kijkt, dat het allemaal niet zo rooskleurig zal zijn. Zwart-wit, met  een verweerde zuil bij de ingang van een landgoed, vanuit een perspectief dat naar de hemel opkijkt, met donkere wolken. Dat belooft niet veel goeds.

Grote thema's

Liefde, religie, onrecht, ontworteld zijn spelen een rol bij dit verhaal over de bewoners van een familielandgoed. Het landhuis ligt in een dorp dat twee totaal verschillende bevolkingsgroepen telt: de boerenbevolking en winkeliers en in een aparte wijk de Molukkers. Er is nauwelijks onderling contact en daardoor zijn de vooroordelen groot. De meeste dorpsbewoners zijn streng gereformeerd, de Molukkers belijden hun christelijk geloof totaal anders.
Hoofdpersonen in het verhaal zijn Oscar en Louise, broer en zus en kinderen van de bewoners van het landhuis. Oscar zit op de middelbare school, Louise studeerde in Amsterdam, maar is teruggekeerd omdat ze haar studie wil staken. Hun moeder is uitermate gelovig, doet veel voor de kerkgemeenschap, maar hun vader heeft zich helemaal teruggetrokken. Speelt piano of leest, zonder zich met de gang van zaken in het gezin te bemoeien. En dan zijn er nog Jonki en Dona, ook broer en zus, uit de Molukse wijk, die via Oscar in het verhaal betrokken worden. Tenslotte Maarten, de zoon van de nieuwe dominee, die vriendschap sluit met Louise.

Vervlechting

Liefde, religie, onrecht, ontworteld zijn: Enter heeft deze thema's vervlochten in een onderhoudend en best spannend boek. De periode waarin het verhaal zich afspeelt is een lange zomer. Het begint vlak voor de schoolvakantie van Oscar, als Louise terugkeert uit de stad, blut, teleurgesteld in haar studie en weifelend over haar toekomst.
Vanaf het begin van haar pubertijd heeft Louise zich verzet tegen de gereformeerde leer en ze heeft daarover al heel wat discussies gevoerd met haar moeder. Ze voelt zich bedrogen door de manier waarop ze als kind geïndoctrineerd is en daardoor, onnodig, een hele angstige jeugd gehad heeft. In Maarten vindt ze een gesprekspartner, geen medestander, maar wel iemand die een open gesprek daarover aandurft. Bij haar studiegenoten is Amsterdam vindt ze geen aansluiting, de gereformeerde dorpsbewoners staan haar tegen, terwijl ze zich in het landhuis, met een afwezige vader, een ontoegankelijke moeder en de boosheid en herinneringen over een nare jeugd, ontworteld voelt.

Oscar krijgt van zijn leraar de opdracht huiswerk te gaan brengen voor Jonki, een Molukse jongen in zijn klas, die in het ziekenhuis ligt. Het lijkt een hachelijk avontuur: niemand durft de Molukse wijk in. Maar het valt mee en zo leert hij Dona kennen, wordt verliefd, sluit vriendschap met Jonki en leert via diens vader de geschiedenis en achtergrond van de Molukkers in Nederland kennen. Hij trekt zich het onrecht dat de Molukkers is aangedaan erg aan, gevoed door de machteloze woede van Jonki's vader. Hij begrijpt hoe ontworteld de Molukkers zich moeten voelen. De onderliggende spanningen in het dorp tussen de twee bevolkingsgroepen komen tot een uitbarsting, als zijn dorpsgenoten Dona beledigen.

Toekomstperspectieven?

Een happy end heeft deze Pastorale niet. Het eenvoudige, prettige landleven blijkt een illusie, zowel op het landgoed, als in het dorp en de Molukse wijk. Niemand heeft enig idee wat de toekomst nog zal brengen, maar iedereen ziet het somber in. Oscar, Louise en haar ouders, maar ook de ontwortelde Molukkers. Het leven gaat verder op dezelfde voet. Maar het is gezien.... De Heer is mijn herder?

Bijzondere combinatie

In Pastorale heeft Enter ontworteling en onrecht als basis gebruikt om twee problemen aan de kaak te stellen: het opdringen van gereformeerde geloofsovertuigingen aan kinderen en de misleiding van en de valse beloften aan de Molukkers. Er zit een parallel in. Soms zijn daarbij de beschrijvingen van personen en situaties iets te stereotype. Maar omdat het verhaal op zich overtuigend genoeg is, nemen we dat maar voor lief. Het is goed dat beide problemen op deze manier onder de aandacht gebracht worden.

Stephan Enter - Pastorale. Amsterdam, Van Oorschot, 2019. Geb., 285 pg., isbn:978-90-2829-300-7.

N.B. Wil je meer lezen over de Molukkers in Nederland, zie dan ook mijn blogs onder het label Molukkers in Nederland

© Jannie Trouwborst, april 2020.

maandag 9 maart 2020

Ik wacht: 101 verhalen uit het aardbevingsgebied

Keerzijde van de Gouden jaren

In 2014 las ik Gouden jaren van Annegreet van Bergen. Een boek over hoe geweldig het leven wel niet is geworden, na de oorlog. Leuk om de ontwikkelingen te herkennen. Iets ouder dan de schrijfster, heb ik ze allemaal bewust meegemaakt. Ik schreef er een recensie over die op zich positief was, maar toch begon er iets te knagen: ik miste iets. Een zekere mate van nuancering en relativering. En kaartte dat aan in mijn recensie. Dat kon niet iedereen waarderen. Maar ik sta er nog steeds achter.

"Want de auteur blijft natuurlijk wel een econoom! De positieve toon is goed: niet zeuren, kijk eens wat we allemaal bereikt hebben. Of zoals ze zelf zegt:  "Rijker dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden."  Oké, mee eens. Maar wordt het dan misschien nu langzamerhand ook niet eens tijd om te kijken wat er ondertussen met andere belangrijke waarden in ons leven gebeurd is? Medemenselijkheid en zorg voor elkaar, natuur- en milieu en duurzaamheid, psychische gezondheid en ethiek, om er maar eens een paar te noemen. Ik blijf hopen dat een boek daarover net zo'n bestseller zal worden, maar ik vrees van niet: die boodschap zal een stuk minder positief zijn."

De gasbel van Slochteren
 
Wat ik daarbij onder andere voor ogen had, waren de toenemende, zorgelijke berichten vanuit Groningen. Want de eerste verhalen over aardbevingen, schade en een NAM die alle verantwoordelijkheid ontkent, drongen langzaam door tot de rest van Nederland. De Gouden jaren van Annegreet van Bergen zijn mede mogelijk geworden dankzij de 300 miljard euro die de gasbel onder Slochteren tot nog toe opleverde. Maar nu de keerzijde duidelijk is - zo'n 100.000 schademeldingen, huizen die onveilig en onbewoonbaar worden verklaard, steeds meer mensen met psychische problemen en schoolkinderen die leren hoe ze zichzelf tijdens een aardbeving kunnen redden - geeft de overheid niet thuis.

Het gasdossier liet me niet meer los. Er volgen meer en zwaardere aardbevingen. De ministers Kamp en Wiebes wisselen elkaar af en beloven van alles. De minister-president zegt dat het allemaal goed zal komen. Er worden allerlei instanties opgetuigd (CWV, NCG, TCMG), er komt een coördinator, een arbiter. Maar de spelregels worden steeds veranderd, waardoor eerdere oplossingen en afspraken weer ongedaan gemaakt worden. Wiebes spreekt doortastende taal, over de gaswinning die drastisch naar beneden gaat en over harde beloftes over vergoeding van geleden schade. De adder onder het gras is het uitgangspunt dat door de verminderde gaswinning de kans op een volgende aardbeving kleiner zou zijn en er dus veel minder huizen verstevigd behoeven te worden. Iets wat geologen bestrijden: het zal nog jaren blijven rommelen in de Groningse bodem. Maar in één klap worden zo aanvankelijk onveilig verklaarde huizen, plotseling weer veilig verklaard. En de NAM? Die trekt zich nergens iets van aan en gaat gewoon door met het murw maken van de slachtoffers.

Dagblad van het Noorden 

Dat bracht het Dagblad van het Noorden er toe een serie interviews te beginnen met getroffenen. Eén mens kan zaken aandikken en overdrijven, maar tientallen malen een verhaal van dezelfde strekking duidt op een strategie: de kosten van het herstel zoveel mogelijk drukken, de boel traineren en de burger treiteren tot hij verslagen inbindt. Na 101 verhalen is dat wel duidelijk. 

Ik besefte dat het geen prettige verhalen zouden zijn die ik ging lezen, maar dat het zo absurd zou zijn, hield ik niet voor mogelijk. Kafka op Het Hoge Land, stelt Bert Wagendorp in zijn voorwoord. Het is geen wonder dat mensen hieraan onderdoor gaan. Elk verhaal is net even anders, maar samen geven ze een compleet beeld van alle ellende en de moedeloosheid van de meeste getroffenen. Wie begint met lezen, kan niet meer stoppen. Misschien wel door de ijdele hoop dat er eentje tussen zit, dat wel goed eindigt. De enkele verhalen met een positieve draai zijn die van mensen met genoeg geld om eindeloze rechtszaken te voeren of het heft in eigen hand te nemen en zelf de schade te herstellen in afwachting van de vergoeding die waarschijnlijk nooit komt.
Bovendien gaat het niet alleen over de vergoeding van schade of het eindeloos wachten op rapporten, maar ook over het gevoel van onveiligheid. Wanneer komt de volgende beving, gaan we dat overleven? Een huis dat verstevigd zou moeten worden en nu ineens niet meer, voelt voor de bewoners onveilig en is dat waarschijnlijk ook. Een thuis is het in elk geval niet meer.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de schat aan cultuur-historie die verdwijnt. Kerken,  eeuwenoude boerderijen, dorpsgezichten. Door het uitstellen van de juiste en nodige reparaties en weigeren deze gebouwen aardbevingsbestendig te maken zijn sommige gebouwen al niet meer te redden.

In de steek gelaten door de rest van Nederland

De Groningers voelen zich in de steek gelaten en terecht. Door de overheid in de eerste plaats, die niet van plan is op te treden tegen de NAM en ook zelf niet voor de schade wil opdraaien. Maar ook door de rest van Nederland. Alsof wij er niet meer bij horen, klinkt het. Daarom hoop ik dat meer mensen de moeite zullen nemen hun verhalen in Ik wacht te lezen. En te beseffen hoe groot het onrecht is dat de Groningers wordt aangedaan.

Ik wacht: 101 verhalen uit het aardbevingsgebied / woord vooraf van Bert Wagendorp; onder red, van Het Dagblad van het Noorden. Amsterdam - Balans, 2019. Pb., 326 pg., foto's, begrippenlijst. ISBN: 9789463820370.

© Jannie Trouwborst, maart 2020.