maandag 1 oktober 2007

Theo Thijssen – De gelukkige klas


Oktober 2007 - waardering: 7.0.


Inleiding 

Voor de tweede maal wordt door de Openbare Bibliotheken de actie Nederland Leest georganiseerd, in samenwerking met de CPNB. Gekozen is voor een roman uit 1926, geschreven door een zeer betrokken onderwijzer, die in latere jaren de belangen van onderwijzers èn kinderen zou behartigen als vakbondsman, gemeenteraadslid en zelfs als volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer.
 Of wat Theo Thijssen schreef literatuur genoemd mag worden: daar was (en is) men het niet over eens. Na het lezen van dit boek dringt zich eens te meer de overtuiging op, dat het antwoord daarop vooral afhangt van de wijze waarop men literatuur wenst te definiëren. Voor mij persoonlijk zal de inhoud altijd belangrijker blijven dan de structuur- en vormaspecten. En de invloed die het boek heeft (of heeft gehad of zal kunnen hebben) op de heersende moraal telt voor mij zwaarder, dan het intellectuele genoegen dat een minderheid zal kunnen beleven aan bv. intertekstuele spitsvondigheden. Zo bezien mogen we De gelukkige klas literatuur noemen en de CPNB complimenteren met hun keus. Deze klassieker is nog steeds het lezen waard en biedt tal van aanknopingspunten voor discussie. Op de site van Nederland Leest (KLIK HIER) staan (op dit moment: november 2007) zowel een Leesgids, als Lessuggesties voor het voortgezet onderwijs. Beide zijn te downloaden of te printen. Ze vormen een aardige aanvulling op de achtergronden van de schrijver, zijn boeken en zijn tijd. 

Leeservaring 

Het verhaal zelf (aanvankelijk verschenen als feuilleton) is een vervolg op Schoolland: een dagboek van de jonge onderwijzer Staal over het wel en wee van zijn klas. Hij geeft les aan de Openbare lagere school der 1e klasse no. 104 in de Tweede Boerhaavestraat, vlakbij het Amsterdamse Oosterpark. Het is een school voor arme kinderen. Hij heeft er 40 in zijn klas. De leerplicht is nog niet zolang geleden ingevoerd en de onderwijzer wordt nauwelijks beter betaald dan een ongeschoolde arbeider. Je moet wel erg gemotiveerd zijn om voor dat baantje te kiezen. En dat is meester Staal ook: al beseft hij, dat “zijn” kinderen het in hun latere leven nog moeilijk zullen krijgen, hij wil ze een stevige basis meegeven van zelfvertrouwen en zelfbewustzijn. En ze temidden van de ellende en armoe van alledag een veilige plek bieden om zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. Daartoe doet hij heel erg zijn best. Onderwijl studeert hij (op aandringen van zijn vrouw) voor de bevoegdheid Frans en solliciteert hij naar een functie op een “betere”school. Maar niet van harte. Hij voelt er niets voor zijn klas aan haar lot over te laten. De beschreven voorvallen zijn ontroerend, maar ook komisch. De beschouwingen filosofisch, pedagogisch of niet meer dan gepieker. De meester doet zo ontzettend zijn best, maar blijkt gelukkig met enige regelmaat toch ook gewoon een mens, dat onredelijk kan zijn, overspannen kan worden en fouten kan maken.
 
De gekozen dagboekvorm wekt gemakkelijk de suggestie van een samenzwering tussen schrijver en lezer: zelfs voor zijn vrouw moet een en ander verborgen blijven. Haar denigrerende opmerkingen over zijn school en de kinderen uit zijn klas ergeren hem mateloos: ze zijn de weerspiegeling van de burgerlijke opvattingen waartegen Thijssen, als schrijver, onderwijzer en bestuurder wilde strijden. De woordkeus is hier en daar wat ouderwets, maar nergens erg storend: daarmee wordt het verhaal nog eens duidelijk in een andere tijd geplaatst. En tegelijkertijd is het verhaal modern genoeg om met plezier gelezen te worden en herkenbaar en invoelbaar te blijven. 

"M'n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens, hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen."

(Theo Thijssen, De gelukkige klas, 1926) 

Amsterdam, CPNB, 2007. Paperback, 206 p., (1e dr. 1926), zw.w ills., isbn 9789059650558. 

Theo Thijssen museum (http://www.theothijssenmuseum.nl) 

© JannieTr, oktober 2007


zondag 30 september 2007

Adriaan van Dis - Onder het zink - Un ABéCédaire de Paris



Onder het zink is de liefdesverklaring van Adriaan van Dis voor Parijs, de stad die hij al bijna veertig jaar lang met grote regelmaat bezoekt en waar hij na eerdere mislukte pogingen nu een jaar probeert te wonen. Probeert… omdat het een verwarrend proces voor hem is zich los te snijden van het vertrouwde en dit avontuur alleen aan te gaan.
Van Dis kiest de vorm van een ABC om stap voor stap verslag te doen van zijn pogingen bij Parijs te horen. Hij meent een kaart in zijn hoofd te hebben maar de stad heeft een ander plan met hem - zo vindt hij dikwijls wat hij niet zocht.

Verbazing is de leidraad en de schrijver geeft dat op aanstekelijke wijze door: de kennismaking met zijn buurt, de hittegolf - ervaren onder zijn zinkdak - het geflirt in de diepvrieswinkel boven de eenpersoonsmaaltijden, het wel en wee van de clochard onder zijn raam, maar ook zijn zoektocht naar de mummies die Napoleons leger mee uit Egypte nam, hoe het bed van een hoer in een museum belandde, voorvallen op straat, terrasconversaties…

Elk avontuur krijgt zijn letter, met een toon van ingehouden humor en weemoed. Van Dis wordt niet alleen door bewondering en verbazing gedreven. 'Parijs is een meervoud' schrijft hij en daarom verkent hij ook het lelijke en de schaduwkanten, zoals de ellende in de buitenwijken en het Parijs van de illegalen en de arme immigranten. En zo kan de lezer met Onder het zink niet alleen een ander Parijs ervaren, maar wordt hem ook een spiegel voorgehouden over leven in een veranderend Europa.
(Overgenomen van de site van Adriaan van Dis: http://www.adriaanvandis.nl/)

Parijs was het thema van de Boekenweek 2004. In dat kader schreef Van Dis dit boekje. Het bevat in rudimentaire vorm een aantal observaties en overwegingen die Van Dis later gebruikt heeft voor zijn roman De Wandelaar. Het is een leuk speurwerkje die proberen te herkennen, maar daarnaast is het boekje op zich ook het lezen waard.

“Verliefd op Parijs. Verliefd op een stad waarvan ik de kaart in mijn hoofd denk te hebben, maar die altijd een ander plan met me heeft, zodat ik aankom waar ik niet naar op weg was en vind wat ik niet zoek.”

© JannieTr, september 2007.

Amsterdam, CPNB, 2004 – Paperback, 64 p. ISBN: 9059650015

(Waardering: 7,0)

zaterdag 15 september 2007

Geert van der Kolk - Noordtij


Een wetenschappelijke expeditie naar de Noordpool in 1882

In mei van het jaar 1882 ligt in de haven van St. John’s (Newfoundland) het poolschip Gerrit de Veer aan de kade. Het zeilschip (dat ook op stoom kan varen) is oorspronkelijk gebouwd voor de robbenjacht. Het is berekend op het varen door het ijsrijke wateren van de Noordelijke IJszee. Maar deze zomer krijgt het schip een bijzondere taak: het zal gebruikt gaan worden voor een wetenschappelijke expeditie.

De bemanning bestaat uit een schipper, een stuurman, een machinist, een kok, twee matrozen, een stoker en een scheepsjongen. Sommigen komen van de koopvaardijvaart, anderen hebben al eens meegevaren met walvisvaarders. De Nederlandse poolexpeditie staat onder leiding van een geograaf en meteoroloog: Rutgers Matthes. Tot zijn team behoren verder: een natuurhistoricus, een cartograaf, een arts, een fotograaf, een kwartiermeester en een timmerman. 

De voorbereiding

1882 is uitgeroepen tot het Internationale Pooljaar. De Nederlandse expeditieleden zullen een kleine nederzetting bouwen op Ellesmere (een onherbergzaam gebied tussen Groenland en de Noordpool) en hier hun proeven doen, waarnemingen vastleggen en landkaarten tekenen van nog onbeschreven delen van het Noordpoolgebied. Het schip zal hen er heen brengen, met de nodige proviand, bouwmaterialen en brandstof en hen na een jaar weer ophalen. Het gebied is slechts een paar maanden per jaar bereikbaar door de extreme koude, de duisternis en de ijsgang. Het wachten is nog op een ijsmeester die het schip veilig tussen de ijsbergen door kan loodsen en de weg moet wijzen door de ijsvrije geulen. Alle ijsmeesters zijn echter al onderweg met de lucratieve walvisvaart en robbenjacht. Uiteindelijk wordt er toch nog iemand gevonden: een norse, halfbloed indiaan, die met tegenzin aanmonstert.

De expeditie kan beginnen. De Nederlandse expeditieleden zijn goed voorbereid en de bemanning van het schip heeft de benodigde ervaring voor deze gevaarlijke reis. Onderweg worden nog 3 eskimo’s met twee sleeën en aantal sledehonden aan boord genomen. Niets lijkt een voorspoedige tocht meer in de weg te kunnen staan. Maar dat zal heel anders uitpakken. 

De rampspoed 

Niet alleen het onverbiddelijke klimaat en de wildernis spelen hun parten: stormen op zee, ijsbergen, ijsberen, aanstromende kudden kariboes, verblindende sneeuwjachten, duisternis, kruiend ijs, dichtvriezende geulen. Stomme ongelukken en pech, ziektes waar onder deze omstandigheden geen remedies voor zijn en onderling onbegrip eisen ook hun tol. Wanneer de Gerrit de Veer uiteindelijk vast dreigt te vriezen in het pakijs ontstaan er conflicten tussen de leden van de expeditie en de zeelui en dan wordt duidelijk dat het grootste gevaar niet schuilt in de natuur, maar in hun eigen menselijke tekortkomingen en drijfveren. Als de poolnacht invalt, leiden wantrouwen, demoralisatie en tragische fouten tot een schokkende ontknoping. 

Uitgekiende structuur 

De gebruikte wisseling van vertelperspectief is functioneel. Een klein deel van het verhaal wordt ons verteld via de brieven die de scheepsdokter aan een vriend schrijft (maar die eigenlijk meer een dagboek zijn, omdat ze niet verstuurd kunnen worden). Het zijn de enige momenten waarop we iets vernemen over de twijfels, gedachten en gevoelens van een der opvarenden. In de rest van het boek krijgen we een vrijwel feitelijk verslag van de gebeurtenissen en de onderlinge gesprekken. De spanning die daar echter onder ligt, wordt op een bewonderenswaardige wijze voelbaar gemaakt en steeds verder opgebouwd. Je wordt gegrepen door het verhaal en er in meegezogen. De lezer leert de opvarenden niet beter kennen dan zij elkaar in het verhaal kennen.  Dat is echter geen tekortkoming: zo raak je vanzelf ongemerkt betrokken bij het onderlinge wantrouwen. De sfeerbeschrijvingen zijn beeldend: het is knap een wereld die de meesten van ons toch niet van dichtbij kennen zo levensecht op te roepen. Heel wat wetenswaardigheden passeren de revue, zonder de vaart uit het verhaal te halen.

Samengevat: Geert van der Kolk heeft feiten en fictie samengebracht in een spannend en ijzingwekkend verhaal over een expeditie naar de Noordpool met een huiveringwekkende afloop. Een schrijver om in de gaten te houden. Zijn roman Noordtij leent zich prima voor een kennismaking! 

Geert van der Kolk - Noordtij. Amsterdam, Nieuw-Amsterdam, 2005. Paperback, 304 p., krt. ISBN: 90-468-0030-X 

© Jannie Trouwborst, september 2007.

(Waardering: 8,0)

woensdag 1 augustus 2007

Tommy Wieringa - Joe Speedboot


 In het dorp Lomark, vlakbij de grens met Duitsland aan de zijarm van een rivier, neemt het leven al eeuwen zijn loop. Fransje Hermans is onder een cyclomaaier terecht gekomen toen hij lag te soezen in een korenveld en ligt in coma in het ziekenhuis. Hij hoort zijn ouders praten over Joe Speedboot, de jongen wiens vader met de verhuiswagen het huis van Christof Maandag is binnen gedenderd. Zijn vader is dood en Joe blijft met zijn zusje en moeder in Lomark wonen. Vanaf dan zal niets meer hetzelfde zijn in dit dorp waar de haan uit het dorpswapen de enige was die ooit iets bijzonders ondernam: in zijn eentje hield hij de Noormannen tegen terwijl de rest van het dorp zat te bidden in de kerk.

Als Fransje bijkomt, blijkt hij vrijwel volledig verlamd te zijn. Hij kan niet spreken en is spastisch. Alleen zijn rechterarm kan hij gebruiken. Daarmee kan hij zich verplaatsten in zijn rolstoel en woorden opschrijven. Samen met Joe Speedboot (zijn echte naam houdt hij angstvallig geheim), Christof Maandag (het zoontje van dé werkgever van Lomark: de asfaltfabriek) en Engel Eleveld (die Fransje op school altijd helpt bij het toiletbezoek) voltooit hij de middelbare school, wordt hij verliefd en tenslotte volwassen.

Bijzonder aan dit boek is het perspectief: het verhaal van Fransje en zijn “verlosser” Joe Speedboot wordt ons “verteld” door Fransje zelf. Uiteraard bevindt die zich in een beklagenswaardige toestand, maar we krijgen geen drama voorgeschoteld. Joe, “de man-van-de-Mogelijkheden” , betrekt hem bij alles wat hij onderneemt en dat is nogal wat: Joe maakt bommen, de vrienden bouwen een vliegtuig, Joe doet met een omgebouwde shovel mee aan de race Parijs-Dakar en hij stimuleert Fransje gebruik te maken van zijn mogelijkheden: ze trainen zijn arm net zolang tot hij mee kan doen aan de kampioenschappen armworstelen, onder de naam François-le-Bras.

De beschreven avonturen zijn spectaculair, de toon is licht, het taalgebruik bij tijd en wijle poëtisch, de metaforen fraai.

“Betlehem Asfalt is de kurk waarop Lomark drijft, zeggen ze, en elke familie staat haar eerstgeboren zoon af.”
“De zomer is overrijp nu.”
“ Op de punt van de krib zitten twee ruggen, met lange antennes vangen ze signalen uit het water op: Joe en Christof”. (Ze zitten te vissen)
“Wit is wit en zwart is zwart. Wij maken geen onderscheid hier.” (Over een kleurling wiens huidskleur  lichtbruin is).
“Dirk loopt een eind voor ons uit: zijn rug schaamt zich.”

Dat alles staat in dienst van een thema dat meestal zware leeskost met zich meebrengt: hoe verder te leven na een zo ingrijpend ongeluk op jonge leeftijd? Natuurlijk zijn er de beperkingen, de teleurstellingen, de pijn en de schaamte bij het afhankelijk zijn van anderen voor primaire zaken als toiletbezoek, maar door het gekozen perspectief word je er met je neus opgedrukt, dat iemand die spastisch, verlamd en sprakeloos in een rolstoel zit NIET automatisch ook zijn verstand kwijt is. Maar gewoon een mens is met menselijke behoeften en emoties èn met mogelijkheden. En die op meer terreinen dan gedacht/verwacht een “normaal” leven kan leiden. Ik denk dat deze ontwikkelingsroman meer betekent voor de emancipatie van de gehandicapte medemens dan melodramatische verhalen zouden kunnen.

Amsterdam, Bezige Bij, 2005. Paperback, 316 p. ISBN: 90-234-1433-0

© Jannie Trouwborst, augustus 2007.

N.B. Twee uitgebreidere recensies zijn te vinden op de Leestafel (zie: http://leestafel.info/tommy-wieringa).