dinsdag 1 april 2008

Suzanna Jansen – Het pauperparadijs: een familiegeschiedenis

April 2008 – waardering: 7,5 
                                            
Weer een vrouw die een familiegeschiedenis schrijft en daarmee een stukje vaderlandse geschiedenis tot leven doet komen via de feiten en verhalen over haar voorouders. Het lijkt erop dat dit genre, ook wel literaire non-fictie genoemd, steeds meer succes krijgt. Dat niet iedereen daar blij mee is, mag blijken uit de soms felle reacties van de kant van vakhistorici. Maar de gemiddelde lezer is er blij mee: ook dit boek blijkt een herkenbaar, prettig leesbaar verhaal, dat via de belevenissen van gewone mensen een verleden herschept, dat volgens de vakhistorici per definitie onkenbaar is. Wie zich voor deze discussie interesseert, kan het artikel Entreekaart tot het verleden van Jos Palm in TROUW (2 feb. 2008) lezen of recenter De kloof tussen de geschiedschrijvers van Paul van der Steen in TROUW (21 aug. 2010). Ook de VPRO besteedde hier al eerder aandacht aan: http://boeken.vpro.nl/artikelen/33427068/ Meer dan de feiten door Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk (febr. 2007).
                                                                                                                                            Suzanna Jansen is journaliste en heeft al heel wat artikelen op haar naam staan. Toen ze ontdekte dat een van haar voorouders van moederskant in een soort heropvoedingskamp in Veenhuizen had gezeten, wilde ze zich daar verder in te verdiepen om er een artikel over te schrijven. Al speurende stuitte ze echter op zoveel interessante feiten en verhalen, dat ze besloot er een boek van te maken. 

Vanaf Tobias Braxhoofden (geb. in 1795) volgt zij de belevenissen van haar voorouders in vrouwelijke lijn en vervlecht die op een kundige manier met de geschiedenis van goedbedoelde beschavingspogingen met teleurstellende resultaten en onbedoelde neveneffecten. Van de bedelaarskolonie Veenhuizen tot wonen-onder-toezicht in de arbeiderswijken van de twintigste eeuw en alles daartussen: haar voorouders maakten het allemaal mee, ontkomen aan het stempel dat dat met zich meebracht leek nauwelijks mogelijk. Alleen dankzij de sterke vrouwen in de familie bleek het uiteindelijk mogelijk daaraan te ontsnappen en was er tenslotte voor haar zelf de mogelijkheid meer dan een dubbeltje te zijn. Het motto van het boek luidt niet voor niets: Wij zijn niet dom, alleen maar arm. Dat is altijd door elkaar gehaald. (Orhan Pamuk in Sneeuw).

Haar schrijfstijl is beeldend en betrokken. Hoewel het verhaal nergens geromantiseerd wordt (behalve op de eerste bladzijden) en veel feitelijke informatie bevat, blijft het boeien en raken. Een m.i. hele legale manier om een stukje geschiedenis op een aantrekkelijke en daardoor aansprekende manier ter kennis van velen te brengen. De enige manier ook om het gevoerde beleid (waarover door vakhistorici al veel gezegd is) te plaatsen naast de dramatische gevolgen voor de machtlozen en onmondigen (waarover we zelden iets vernemen in de geschiedenisboekjes).
 
Wie zich verder wil verdiepen in deze materie vindt achterin het boek een uitgebreide literatuurlijst en kan terecht in het onlangs geopende Gevangenismuseum in Veenhuizen. Ook in Frederiksoord is een museum: De Koloniehof. Hier werden arme gezinnen in staat gesteld een nieuw bestaan op te bouwen als boer, onder toezicht van dezelfde Maatschappij van Weldadigheid. Hoewel ook hier niet alles vlekkeloos verliep, waren de omstandigheden en de mogelijkheid echt aan de armoede te ontsnappen groter dan in Veenhuizen. Voor wie op vakantie is in Drenthe zijn beide musea aanraders. Maar eerst dit boek lezen natuurlijk!

Amsterdam, Balans, 2008. Paperback, 5e dr., 255 p., lit. opg., ills.
© JannieTr, mei 2008.

donderdag 20 maart 2008

Bernlef – De pianoman

Maart 2008 – Waardering: 7,0. 
                                                
Hoewel ik moet bekennen, dat ik niet alle Boekenweekgeschenken die ik ooit kreeg nog datzelfde jaar gelezen heb, was ik er dit jaar zo benieuwd naar, dat het tijdens de Boekenweek gekochte boek geen voorrang kreeg. Ik reken Hersenschimmen nog altijd tot een van de allerontroerendste boeken die ik ooit las en ik hoopte dus stilletjes op net zo’n mooi verhaal,  al is dat niet helemaal eerlijk t.o. de schrijver.
Moet een schrijver het nog altijd als een eer beschouwen, als hij gevraagd wordt het Boekenweekgeschenk te schrijven? Ook als hij o.a. de PC Hooftprijs al ontvangen heeft? In een interview in Vara-Magazine zegt Bernlef daar zelf over: “Als je bij de eredivisie hoort, dan moet je een keer het Boekenweekgeschenk geschreven hebben. IJdel zijn we allemaal wel een beetje”. En al is hij wel gesteld op een zekere mate van anonimiteit, ziet hij het voordeel van de extra publiciteit ook wel in: “Om met Reve te spreken: je hebt ook een winkel”.

 
Welke criteria zou de CPNB aanleggen bij de keuze? Is het vooral de naam die telt? Meestal speelt het thema van de Boekenweek geen rol in het Boekenweekverhaal, dus die link is er niet. Moet de omvang beperkt zijn, het verhaal toegankelijk? Een Boekenweekgeschenk komt terecht bij allerlei soorten (potentiële) lezers. Misschien weegt men dat ook mee bij de CPNB?

 
Met deze inleiding wil ik maar zeggen, dat het moeilijk is onbevooroordeeld een Boekenweekgeschenk te lezen: vergelijkingen met ander werk zijn snel getrokken en dat is niet redelijk gezien de beperkingen die de auteur krijgt opgelegd bij het schrijven van het Boekenweekgeschenk. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor dat van 2008, maar ook voor alle reeds verschenen geschenken.
                                                         
En toch is De Pianoman me niet tegengevallen. Als uitgangspunt heeft Bernlef een krantenbericht uit 2005 gebruikt: in Engeland werd een verwarde man aangetroffen die lange tijd ongeïdentificeerd bleef, omdat hij niet sprak. Eenmaal opgenomen in een psychiatrische kliniek bleek hij aardig piano te kunnen spelen. Zijn verhaal met beeltenis gingen de hele wereld over in de hoop dat iemand hem zou herkennen. Uiteindelijk gebeurde dat ook en bleek hij wel te kunnen spreken.

 
De Pianoman van Bernlef is een boerenzoon uit Groningen die opgroeit in een taalarm milieu: tussen zijn ouders worden weinig woorden gewisseld en met het kleine kind wordt al helemaal niet gesproken, behalve soms in korte bevelen: Ga zitten, eet op. In het interview in Vara-Magazine zegt Bernlef daarover:” In de jaren 70 heb ik meegedaan aan een taalproject dat zich richtte op de taalachterstand bij kinderen uit asociale gezinnen, zoals die toen nog genoemd werden. Modale woorden als “bijna”, “misschien”, ‘een beetje” kenden ze niet. Thuis werd er alleen gesproken in bevelen: ‘Ga naar bed”, “haal een brood”. Met de ervaringen van toen heb ik nooit iets gedaan. Tot nu. De Pianoman is gebaseerd op dingen die ik in werkelijkheid heb geobserveerd, zoals veel van mijn werk.”  En zo heeft hij met behulp van deze ervaringen een eigen invulling gegeven aan het krantenbericht en zijn eigen Pianoman gecreëerd. Het is een ontroerend verhaal geworden over wat taalachterstand met een mens kan doen.

 
Ik houd van de stijl van Bernlef: voor een perfecte sfeertekening heeft hij weinig woorden nodig. In het korte bestek van het Boekenweekgeschenk maakt hij van Thomas Boender een geloofwaardige Pianoman. De andere figuren komen misschien iets minder uit de verf, maar ze zijn zeker niet allemaal vlak. Tussen de regels komen m.n. ook zijn ouders en de schooljuffrouw tot leven. Trouw aan de thema’s van zijn andere boeken heeft hij niet alleen een boekje geschreven dat een leuk geschenk is voor een grote groep lezers, maar dat ook een plekje verdiend tussen zijn andere boeken in de boekenkast. Ik zal het in de toekomst vast nog wel eens lezen.
                                                    
Den Haag, CPNB, 2008. Geb., 89 p., bibliogr.
Isbn: 978-90-596-5062-6
                                                             
© JannieTr, juli 2008.
Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/J._Bernlef

maandag 10 maart 2008

Renate Dorrestein – Laat me niet alleen

Maart 2008 – waardering: 7,0.
                                              
“Oud worden in de eenentwintigste eeuw: hoe gaan we dat doen? “ In het Boekenweekessay komt het thema van de Boekenweek 2008 aan bod: Van oude menschen…… de derde leeftijd en de letteren.
                                                                           
In 'Laat me niet alleen' inventariseert Renate Dorrestein wat de gevolgen zijn van het feit dat de babyboomers de jeugd altijd superieur hebben verklaard (en de ouderdom inferieur): de mensen die van harte meezongen met Koot & De Bie: ''Ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen staan alleen maar in de weg'' zijn aan de beurt om nu zelf tot de ouderen te gaan behoren. Hoe zullen ze die leeftijdsfase gaan invullen?
                                        
Voor het eerst in de geschiedenis zullen ouderen de grootste bevolkingsgroep van Nederland worden. Het betreft geen 'bejaarden oude stijl', maar mensen die opgroeiden in een tijdperk van protest, verzet en maatschappijhervorming. Tot op de rand van het graf zullen zij van het leven blijven genieten. Maar is dat de werkelijkheid, of is de wens hier de vader van de gedachte? Renate Dorrestein schreef een pleidooi tegen de jacht op de eeuwige jeugd en het zogenaamd leeftijdloos ouder worden. Iemand van zestig is geen zestien meer; de generaties moeten hun eigen rol en waarde terugkrijgen.
                                        
Waarom vertikken wij het om op de traditionele manier oud te worden? Die vraag staat centraal in dit Boekenweekessay. Als geen ander weet Renate Dorrestein feilloos de maatschappelijke tendensen te fileren. Te beginnen met het gedrag van de ouderen of de toekomstige ouderen zelf.
Haar essay toont de actualiteit: het onvermogen gracieus oud te worden. Maar het is geen larmoyant verhaal geworden. Daarvoor is Dorrestein te scherp, te humoristisch. Humor die onder meer uitdrukking vindt in de vorm van het essay: een zelfhelpboek: in zeven stappen oud worden. Hoe doe je dat? Met de nodige verwijzingen naar actuele websites (met een knipoog). Met vilein genoegen en met veel humor houdt Dorrestein ons meedogenloos een spiegel voor. Is er nog hoop?
Aanbevolen!
                 
Den Haag, CPNB, 2008. Paperback, 62 p., bibliogr.
© JannieTr, juli 2008.

zaterdag 1 maart 2008

Inez van Dullemen – Maria Sibylla: een ongebruikelijke passie

Maart 2008 – waardering: 7,0

Vele namen en titels passeerden de revue tijdens mijn opleiding. Ze zitten nog steeds in mijn hoofd. Toch zijn ze vaak ongelezen gebleven. Een van die auteurs was Inez van Dullemen. Misschien heeft dat ook te maken met het feit dat de boeken die na mijn schooltijd verschenen volgens critici beter waren: haar naam komt dan ook niet voor in Schets voor de Nederlandse letterkunde uit 1965, die wij op school hanteerden. Intussen zijn er tientallen boeken, novellen, reisverhalen en toneelbewerkingen van haar hand verschenen. En werd ze genomineerd voor o.a. de AKO-literatuurprijs (Het gevorkte beest) en de Libris Literatuurprijs (Het land van rood en zwart) en onderscheiden met prijzen als de Henriëtte Roland Holstprijs (Het land van rood en zwart) en de Anna Bijnsprijs voor haar gehele oeuvre. Het boek Vroeger is dood (over de neergang en dood van haar ouders) bracht haar bekendheid bij een breder publiek en werd in 1987 verfilmd.
De titel van haar debuut (1949) luidde: Ontmoeting met de ander. En dat is ook precies wat in haar werk centraal staat: De ontmoeting met de andere mens, zowel op cultureel als sociaal gebied. In dat kader passen ook de boeken die ze schreef over historische figuren in verre landen. Een daarvan is het boek over Maria Sibylla Merian (2001).
* * *   * * *
Over het leven van Maria Sibylla Merian (1647-1717) is niet veel bekend. Sommigen zullen haar kennen van haar prachtig geïllustreerde boeken over rupsen, vlinders en hun voedselplanten. (Zie de link bij de site over Merian op Wikipedia). Anderen zullen wellicht over haar gehoord hebben via de Labadisten, een religieuze groepering die als een soort commune leefde in een slot in Friesland (Wieuwerd). Inez van Dullemen heeft de bekende feiten uit het leven van Maria Sibylla Merian gebruikt en deze met behulp van haar fantasie aangevuld tot een aansprekend verhaal over een bijzondere vrouw, met vooruitstrevende ideeën en doortastend gedrag. Een voorname rol in het verhaal is toebedeeld aan de verzonnen Kwasiba, haar Afrikaanse slavin die zij mee terug neemt naar Amsterdam.
* * *   * * *

 
Het boek bestaat uit 3 delen:

 
I. Maria Sybilla, waarin we lezen over haar jeugd, haar belangstelling voor de natuur, m.n. de metamorfose van de rupsen tot vlinders, haar tekentalent, haar huwelijk, haar intrede in de commune van de Labadisten, haar uittreding daar en uiteindelijk haar beslissing naar Suriname te vertrekken (met haar jongste dochter) om daar vlinders e.d. te tekenen en de natuur te beschrijven en tenslotte haar zeereis er naar toe.

 
II. Kwasiba, waarin we lezen hoe deze Afrikaanse vrouw leefde in haar land van oorsprong. En in welke angsten men daar leefde in de tijd van de rooftochten door slavenhandelaren. Over hoe ze trouwt, zwanger wordt. En daarna overmeesterd en per schip getransporteerd wordt naar Suriname. Haar leven is hard en ze houdt dat slechts vol door de hoop eens haar in Suriname geboren zoontje terug te kunnen brengen naar het land van zijn vader. Maar het kind sterft en bij het begraven ervan ontmoeten Sibylla en Kwasiba elkaar. Sibylla koopt het meisje van haar eigenaar en betrekt haar en nog twee slaven bij haar werk.
Ze besluit de binnenlanden in te trekken, waar zich een nog nederzetting moet bevinden van de Labadisten (Providentia) en waar ze de Morpho Achilles hoopt te vinden: een bijzondere en grote vlinder. De tocht is zwaar en wat ze vindt is een verwaarloosde bende, die weinig meer van doen heeft met de religieuze gemeenschap in Friesland. Machtsmisbruik, corruptie en hypocrisie vieren hoogtij. Toch ziet ze zich genoodzaakt een plekje in de buurt van het verwaarloosde huis te gebruiken voor het voltooien van haar werkzaamheden.

 
III. De Morpho Achilles. Tijdens een van haar tochten door het oerwoud slaat het noodlot toe: ze ziet de Morpho Achilles, wil hem vangen, maar valt en wordt gebeten door een slang. Haar bediende, een indiaan, probeert het gif te verwijderen, maar kan niet voorkomen dat ze ernstig ziek wordt.
Medicijnmannen, magische handelingen, koortsvisioenen: wekenlang zweeft ze op het randje van de dood. Als ze hersteld is, gaat ze terug naar Paramaribo en later naar Amsterdam. Ze neemt Kwasiba mee, als haar dienstbode, die echter niet erg in dit koude land kan aarden. Sibylla twijfelt of ze haar niet terug moet sturen naar Suriname. Als Sibylla tenslotte overlijdt, blijft Kwasiba hulpeloos achter en slijt haar leven in een souterrain in Amsterdam.
* * *   * * *

 
Maria Sibylla en Kwasiba worden met veel inlevingsvermogen neergezet. De verhouding tussen de beide vrouwen komt niet helemaal uit de verf. Maar misschien heeft dat ook te maken met de beschreven periode. Het rechtvaardigheidsgevoel van Sibylla kan maar moeilijk overweg met de voor die tijd normale houding t.o.v. de slavernij. Maar zij staat daarin vrijwel alleen en het verhaal zou ongeloofwaardig worden als zij zich er in haar eentje totaal van distantieert of tegen verzet. Ze kiest voor enige menselijkheid, terwijl ze ook beseft de ander nooit echt goed te kunnen begrijpen. Kwasiba op haar beurt begrijpt ook Sibylla vaak niet. Misschien is dat eigenlijk ook wel logisch, hun achtergronden zijn heel verschillend en ze verstaan elkaar niet goed.

 
Sommige recensenten vonden het opvoeren van Kwasiba overbodig voor het verhaal. Maar het is typisch Van Dullemen om in een verhaal waarin het Suriname van de 17e eeuw een belangrijke rol speelt ook de werkelijke omstandigheden in die periode te willen tekenen. Via de gedachten en ervaringen van Kwasiba worden we met de neus op de feiten gedrukt: wat het betekende voor Afrikaanse mensen om uit hun cultuur gerukt te worden en ver van hun familie erger dan beesten behandeld te worden. 

 
De sfeerbeschrijvingen zijn uitstekend. De toestanden bij de Labadisten, de zeereis, de tocht door het oerwoud, de hallucinaties tijdens de ziekte, dat alles komt tot leven in een heldere stijl. De ik- en de zij-vorm worden terloops afgewisseld, waardoor je als lezer soms extra het verhaal wordt ingezogen. Nergens wordt de toon of het verhaal dramatisch, ondanks dat wat verteld wordt hier en daar redelijk heftig is. Maar juist daardoor ben je als lezer bereid deze gruwelijke feiten onder ogen te zien als een flinke smet op onze vaderlandse geschiedenis. En dat terwijl het eigenlijk over de vlinders en tekeningen van Maria Sibylle Merian lijkt te gaan….. Knap gedaan! 

 
Amsterdam, De Bezige Bij, 2002. Geb., 259 p., 2e dr.

 
© JannieTr, maart 2008.


Klik hier voor de Teleac uitzending over Maria Sibylla Merian, met een interview met Inez van Dullemen.

woensdag 20 februari 2008

Ida de Ridder – Fine: Levenslang met Elsschot

Februari 2008 – Waardering: 6,5.

Met interesse heb ik het boek gelezen dat de jongste dochter van Elsschot over haar moeder Fine schreef. (Al eerder schreef zij Willem Elsschot, mijn vader en Willem Elsschot en de piano.) Tal van foto’s, anekdotes en verwijzingen naar fragmenten of hoofdpersonen uit Elsschots werk illustreren het verhaal, dat toch hier en daar een ander licht werpt op de grote Vlaamse schrijver en zijn verhouding tot zijn vrouw en kinderen. Een biografie in de ware zin des woord is het niet geworden, maar misschien juist daardoor zo leesbaar. Een waarschuwing vooraf: enige kennis van het werk van Elsschot is bij het lezen eigenlijk wel vereist. Ook al gaat het boek over Fine, het is slechts interessant als een document over de vrouw van Elsschot.

Voor de samenvatting van het verhaal citeer ik uit de boekrecensie van Biblion en de tekst op de achterflap:

 
Biblion: Er stond Ida De Ridder een beperkt aantal bronnen ter beschikking: de herinneringen van haarzelf en haar broer Jan, enkele brieven van haar moeder en het 'trouwboekje'. Desondanks ontstond een eerlijk, soms ontroerend beeld van de ups en downs in het leven van haar moeder. Hij, nukkig, leefde buitenshuis, zij was zorgzaam en voerde in huis de absolute heerschappij. Op den duur groeiden zij naar elkaar toe. Weer blijkt hoe groot de invloed van het familieleven op Elsschots werk is geweest, zonder dat het autobiografisch werd. Beide ouders stierven binnen hetzelfde etmaal. Dit gaf haar de prachtige openingszin in de pen. Aan het slot van haar relaas schrijft zij met recht: 'Niets in dit boek is verzonnen'. De opgenomen foto's komen uit het privé-archief de schrijfster. Een verantwoording, een bibliografie, noten en een stamboom besluiten dit sympathieke boekje. Een integer geschreven hommage aan de vrouw achter de schrijver. 

 
Achterflap: Er is al veel geschreven over Willem Elsschot, maar zijn vrouw Fine was tot nu toe niet veel meer dan dat: de echtgenote van de beroemde schrijver. Met Fine wordt haar eindelijk de eer bewezen die haar toekomt. Dochter Ida schetst een geestig, eerlijk en ontroerend portret van haar moeder, onder meer aan de hand van enkele nooit eerder gepubliceerde brieven. Ida beschrijft de vroegste jeugd van Fine en diens zestig jaar durende relatie met Elsschot. Ze ziet in haar eigen kinderjaren de liefdevolle vader en altijd bezige, zorgende moeder, in haar meisjesjaren de norse vader en de bazige, vaak naargeestige moeder en na de oorlog een onafscheidelijk echtpaar, letterlijk tot in de dood. Het boek biedt ook weer een andere kijk op Elsschot, en op de figuren ronde de familiekring, van wie velen als personage optreden in zijn boeken.

 
Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007. Paperback, 159 p., ills., lit. opg.
© JannieTr, maart 2008.

zondag 10 februari 2008

Adriaan van Dis – Nathan Sid

Februari 2008 – Waardering: 7,0.

Via Bookcrossing kreeg ik dit aardige boekje toegestuurd. Binnenkort zal ik het weer op pad sturen. Maar eerst komt het hier even aan de beurt voor een korte beschrijving.
********
In 1978/79 schreef Adriaan van Dis in NRC Handelsblad een eerdere versie van de verhaaltjes die in Nathan Sid verzameld zijn. De eerste druk van dit boekje was niet voor de handel bestemd en verscheen in december 1983. De tweede druk, met tekeningen van Charlotte Mutsaers, in maart 1984.
********
In Nathan Sid komen tal van autobiografische elementen en thema’s aan bod die later in Indische duinen (1994) tot een doorlopend verhaal aaneen gesmeed worden (Sid=Dis). Een verschil is dat dit boekje slechts jeugdherinneringen bevat. En die jeugd ging niet over rozen. Nathan voelt zich een buitenbeentje in de familie: zijn vader, moeder en stiefzusjes zijn in Indië geboren of hebben er langere tijd gewoond. Ze hebben er de oorlog en het Jappenkamp meegemaakt. Hij werd in Nederland geboren, had geen geweldige gezondheid en werd hardhandig opgevoed door zijn vader en bijgelovige moeder. Ondanks dat daar alle reden toe zou kunnen zijn heeft hij daar geen klagelijk of sentimenteel boek over geschreven of zoals de achterflap zegt: Hij heeft zijn pen niet in tranen gedoopt, maar het leven van Nathan Sid met vrolijke bitterheid beschreven. Zo breekt hij met de traditie van klagelijke jeugdervaringen en schrijft zonder sentiment sprankelende verhalen over kinderkwel. Of zoals Renate Rubenstein schrijft: “Nathan Sid is een van de mooiste jeugdbeschrijvingen die ik ken. Prachtig, vlug geschreven in een toon die zowel lakoniek als elegisch is.”
*********
Het boekje is duidelijk bedoeld voor volwassenen, maar heeft een gerafineerde stijl die doet denken aan de manier van spreken van een kind . “Nathan was ziek. Het borrelde in zijn buik. Er kon geen hap meer in, geen wind meer uit. Zijn vel stond zo strak als een strandbal.” Dat maakt het mogelijk om als volwassenen mee te voelen met de grote en kleine drama’s van een kind.


Fragment: “Zijn moeder las hem voor uit Nils Holgersson. Nathan hield niet van die slome op die vogel. Hij hield alleen van Gulliver. Hij was sterk en groot en hij werd nooit gepest (……). Zo wilde Nathan zijn, mooi, zonder sproeten en galbulten.”
**********
Net als in het latere Indische duinen spreekt uit de verhaaltjes geen regelrechte rancune jegens zijn vader of moeder. De beschrijving van zijn gevoelens na het overlijden van zijn vader (hij is dan ongeveer 10) is daar een voorbeeld van: hij voelt zich opgelucht (“nooit meer slaag en veel meer knuffels”), maar hij probeert ook te begrijpen waarom zijn vader zich gedroeg zoals hij deed en hij vraagt zich af hoeveel hij qua karakter op hem lijkt.

 
Fragment: “Nathan had spijt van zijn halve-wees fantasieën. Nu hield hij echt van zijn vader, al was het maar omdat zijn zusters Pa Sid haatten. Ook zou hij hem voortaan verdedigen tegenover zijn vriendjes uit het duin, want die lachten hem vaak uit omdat hij ze als een sergeant toeblafte. Zou hij later ook zo worden? Hoe vaak had zijn moeder niet gezegd dat hij een aardje naar zijn vaartje had? Nathan was driftig en sloeg als Pa Sid alles kapot. Nathan was gulzig, kon zich nooit beheersen, wilde niet sparen en het duurste was hem niet goed genoeg. Nathan moest nu het goede voorbeeld geven. Maar hoe dan, zonder op zijn vader te lijken? Nathan wilde niet verder alleen op de wereld. Het liefst bleef hij klein en kroop hij voor altijd weg onder zijn moeders jurk, waar het was zoals achter zijn gesloten wimpers, een veilige wereld waarin hij niets fout kon doen.” 

 
Amsterdam, Meulenhoff, 1984. Paperback, 73 p., met ills. Van Ch. Mutsaers, 2e dr.
********
© JannieTr, maart 2008.

vrijdag 1 februari 2008

Adriaan van Dis – Indische duinen

Februari 2008 – waardering 7,5.

Samenvatting


Een gezin keert terug uit het oude Indië. Een Japans kamp ligt achter hen, maar Nederland biedt geen vrede. De repatrianten vestigen zich in een koloniehuis in de duinen; een zoon woont geboren: hij is de buitenstaander die in een sfeer van verzwegen leed wordt opgevoed. Zijn vader wil hem harden voor een volgende oorlog. Zesenveertig jaar later ontrafelt de zoon de geheimen en de leugens van zijn familie. (Achterflap)
 
Genre: grotendeels auto-biografische roman.
Thema’s: haat-liefdeverhouding tussen de vader en de zoon, de zoektocht naar de geheime (verzwegen of verdraaide) familiegeschiedenis. Ook spelen mee: familievetes, de overgevoeligheid voor het verschil in huidskleur, naweeën van de oorlog, zoals die beleefd werd in Indië, incestueuze  neigingen en contacten met de geest van gestorven familieleden.
Structuur: Het verhaal begint met een proloog, waarin we de aankomst van de zwangere moeder met haar drie dochters uit een eerder huwelijk en haar nieuwe partner in Nederland meemaken. Echt welkom voelen ze zich niet. Ze krijgen een deel van een huis in de duinen van Bergen toegewezen. De hoofdpersoon moet dan nog geboren worden. De rest van het boek begint met het sterfbed van de middelste zus en eindigt na de begrafenis van de oudste. Dat verhaal wordt chronologisch verteld. Er tussendoor komen de herinneringen van de hoofdpersoon als flash-backs aan hun periode in het huis in de duinen, waar meer repatrianten woonden (vandaar Indische duinen).
Vertelperspectief: De proloog en de epiloog worden verteld vanuit het perspectief van de moeder door een auctoriale verteller. In de epiloog kijkt ze terug op haar leven met de vader van de hoofdpersoon en begrijpt niet waarom de zoon zijn vader haat. De rest van het verhaal wordt in een ik-perspectief verteld door de zoon. Op de plaatsen waar hij achteraf probeert het leven van zijn vader te reconstrueren gebruikt hij het jij-perspectief. Hij was 11 jaar toen zijn vader overleed en hij is met vragen blijven zitten. Door het jij-perspectief te kiezen is het net alsof hij achteraf met zijn vader erover praat.
Taalgebruik en stijl: Af en toe komen Indische woorden en uitdrukkingen terug of verwijzingen naar de Indische manier van uitspreken (lijkt me geschikt om als luister-boek uitgegeven te worden…). De stijl is vooral nuchter en helder. Ondanks de beschrijving van soms best wel heftige gebeurtenissen (sterfbed, ruzies, mishandelingen, oorlog, jappenkamp, etc.) wordt het verhaal nergens op een dramatische of emotionele manier verwoord.

 
Tot slot: De ouders van Adriaan van Dis konden niet met elkaar trouwen (door onduidelijkheden over het al dan niet in leven zijn van de beide partners). Om problemen te voorkomen werd Adriaan voor het gemak Mulder genoemd (naar zijn vader). Deze naam komt o.a. terug in De Wandelaar. Later is hij zijn echte naam, de naam van zijn moeder, weer gaan gebruiken: Van Dis.
In dit grotendeels autobiografische verhaal probeert hij zijn getraumatiseerde vader (en moeder en zussen) te begrijpen. Geboren in Nederland, na de oorlog, wil hij hun verzwegen verhalen en leed horen en begrijpen. Hij voelt zich een buitenstaander. Maar ook een zoon van een vader, die hij haat en toch ook als slachtoffer kan zien. Die hij probeert te begrijpen om daarmee ook zichzelf beter te leren kennen.
Al besteedt hij er niet uitgebreid aandacht aan: het is goed om eens te lezen hoe de repatrianten hier ontvangen en behandeld zijn. Dat had op zijn zachts gezegd wat menselijker gekund….

 
Amsterdam, Meulenhoff, 1996 (18e dr., 1e dr. 1994). Paperback met stofomslag, 317 p.
© JannieTr, februari 2008.

Meer informatie over Adriaan van Dis: http://nl.wikipedia.org/wiki/Adriaan_van_Dis op Wikipedia
en zijn eigen site: http://www.adriaanvandis.nl/