donderdag 8 februari 2007

Hans Münstermann - Het gelukkige jaar 1940


Februari 2007 – Waardering: 6.

Vijf romans heeft Hans Münstermann geschreven met zijn alter-ego Andreas Klein in de hoofdrol. Voor de laatste (De Bekoring) kreeg hij in 2006 de AKO-literatuurprijs. Volgens zijn critici was de eerste (Het gelukkige jaar 1940) de meest geslaagde.

Het verhaal laat zich simpel samenvatten: Marianne Petersen, een 18-jarig meisje uit Arnhem trouwt op 10 mei 1940 (!) met de 30-jarige Joachim Klein, een Duitser. Ze krijgen 7 kinderen en scheiden kort na hun 25-jarig huwelijksfeest. Joachim sterft op zijn 60ste. Een familiefeest (de 40ste verjaardag van een van de broers) waarop iedereen, ook de 78-jarige moeder, aanwezig is, vormt het decor waartegen ons de geschiedenis van dit huwelijk wordt verteld.
Münstermann gebruikt hiervoor 3 verhaallijnen, die elkaar voortdurend afwisselen. Het perspectief ligt steeds bij Andreas, de middelste zoon. Hij vertelt over de huwelijksdag in 1940, verhaallijn 1), over de kennismaking en verloving van vader en moeder en het verloop van het huwelijk tijdens en na de oorlog (verhaallijn 2) en over de gebeurtenissen op het familiefeest (verhaallijn 3).

Uiteengerafeld ziet dat er zo uit: Andreas blijkt gefascineerd door het verleden. Van jongs af aan merkt hij dat er tussen zijn ouders geen liefde, warmte bestaat. Er mist iets in het gezin. Hij probeert uit te vinden of het ooit anders was en hoe het komt dat dat verdween. Ook vermoedt hij dat er geheimen zijn in de familie. Zijn moeder verzwijgt iets. In de eerste verhaallijn reconstrueert hij de trouwdag van zijn ouders. Vanaf het moment dat Marianne de avond voor de bruiloft naar bed gaat tot en met de huwelijksnacht. Hoewel toen nog niet geboren (uiteraard) doet hij of hij er bij was, praat met zijn moeder, vraagt haar van alles en voegt dat bij de feiten en antwoorden die hij van later kent. Doordat Joachim een Duitser is en precies op de trouwdag de oorlog uitbreekt, zijn er nogal wat verwikkelingen op deze dag. Toch concludeert Andreas, dat ze blij met elkaar en gelukkig zijn die dag. Al realiseert hij zich wel, dat Marianne ook trouwde om het huis uit te kunnen en Joachim omdat er op seksueel gebied nu eenmaal niets mogelijk was zonder huwelijk.

De tweede verhaallijn volgt het paar, vanaf de kennismaking tot na de scheiding, met veel  aandacht voor de oorlogsperiode. Hij komt tot de conclusie dat met name zijn vader gebroken uit deze periode is gekomen. Afgewezen door de Nederlanders (hoewel geneutraliseerd) probeert Joachim in Duitsland de kost te verdienen. Marianne komt over, maar vertrekt al weer snel naar het relatief veilige Nederland, als ze de bombardementen in Dortmund meemaakt. Soms komt Joachim even over. Er worden ondertussen 3 kinderen geboren. Maar als hij zich in Duitsland kritisch uitlaat over de Nazi’s wordt hij daar in een dwangarbeiderskamp gestopt. Hij mist zijn gezin enorm. Na de oorlog komt hij naar huis en wordt vervolgens in een Nederlands kamp opgesloten. Als hij eindelijk terug kan keren naar zijn gezin is hij een totaal gebroken, een ander mens, volgens Marianne. Ze doet haar best, maar kan niet meer van hem houden. En dan is er ook nog Oom Paulus, een broer van Joachim, die als majoor in het Duitse leger dient en tijdens de oorlog in het huis bij Marianne woont en aan het eind van de oorlog onder verdachte omstandigheden sterft.

De derde lijn is het feest, waarop Andreas iedereen, maar vooral zijn moeder en een tante, ondervraagt over het verleden. Aanvankelijk vinden zijn broers en zussen dat hij het feest verpest met zijn gezeur, maar gaandeweg raken ook zij geboeid en zijn ze benieuwd naar de antwoorden. Het is duidelijk dat er iets verzwegen wordt, maar wat? Is Andreas soms een zoon van Oom Paulus? En wat is er aan het eind van de oorlog met Oom Paulus gebeurd? Net als Andreas denkt, dat hij alles goed gereconstrueerd heeft, blijkt het toch weer allemaal anders te zijn:
“Dit zijn aantekeningen die altijd bijgewerkt moeten worden, elke dag, tot ik er niet meer ben. Steeds opnieuw overlezen en de wenkbrauwen fronsen. Nieuwe details, nieuw mededogen.” “De hele geschiedenis moest weer van voren af aan onder de loep genomen worden. Daar gingen we weer. Het was maar goed dat niemand wist waar ik nu weer mee bezig was. Ze zouden me in een inrichting stoppen. Daar zouden ze toe in staat zijn. En geef ze eens ongelijk”.
Tenslotte vertelt Marianne toch het geheim.

Welk thema wordt er in deze roman aangesneden? Je kunt het een oorlogsroman noemen. Niet het militaire gebeuren, maar de gevolgen voor de gewone mensen staan centraal. Vooral Joachim wordt het slachtoffer van het feit, dat hij op deze bijzondere dag met een Nederlands meisje trouwt. Marianne lijkt er beter vanaf te komen. Maar er is ook wat voor te zeggen om het een psychologische roman te noemen. Al leren we het ouderpaar, waar het verhaal in feite over gaat, minder goed kennen dan hun zoon Andreas. Het doordrammerige fanatisme waarmee hij het verleden probeert te reconstrueren dient een hoger doel: hij is op zoek naar de reden van zijn moeizame omgang met anderen, zijn wantrouwen en de moeite die hij heeft zich aan anderen te binden. Hij heeft duidelijk veel emotionele problemen met het verleden van zijn familie.

De 3 verweven verhaallijnen, de gedreven zoon die zgn. aanwezig is op de trouwdag van zijn toekomstige ouders, de interne monologen, vragen, antwoorden, maken het boek tot een apart geheel. Het zal wel literair verantwoord zijn. Maar ik vond het niet prettig lezen. De verhaallijnen gaan plompverloren in elkaar over. Als je de volgende zin even niet begrijpt, dan blijkt de schrijver alweer overgestapt te zijn op een andere verhaallijn. Teveel monologen en vragen vertragen het verhaal, halen de spanning eruit. Aan het einde van het boek wordt het geheim (dat Andreas na diepgaand speurwerk ontdekt heeft) op een nogal terloopse wijze prijsgegeven. Maar over de karakters en de onderlinge verhouding tussen de twee mensen die trouwden op 10 mei 1940 weten we dan nog steeds niet veel. Van Andreas Klein des te meer. Daar hoef ik De Bekoring dus niet meer voor te lezen. 
Gelukkig maar, want dat boek kreeg weliswaar de AKO  literatuurprijs , maar stond ook op de shortlist 2006 van de Gouden Doerian (de prijs voor de slechtste Nederlandse literaire roman)……

© Jannie Trouwborst, februari 2007.

Paperback | 254 Pagina's | L.J. Veen | 2000
ISBN10: 9020457586 | ISBN13: 9789020457582

donderdag 1 februari 2007

Jan Siebelink – Knielen op een bed violen



Februari 2007 / Waardering 8,5.

Bestsellers roepen bij mij meestal argwaan op en dit boek is er beslist één: sinds het verschijnen  in januari 2005 zijn er inmiddels al bijna een half miljoen exemplaren van verkocht. Het ontving de AKO-literatuurprijs en het bleek vrijwel onmogelijk een negatieve recensie te vinden. De meningen van lezers stonden echter lijnrecht tegenover elkaar: of men was diep geroerd en enthousiast of men vond het helemaal niks of veroordeelde het. Een middenweg leek niet mogelijk. Dat alles intrigeerde me genoeg om het zelf te willen lezen. En daar heb ik geen spijt van.
Slechts in één (verder lovende) recensie vond ik een brokje kritiek: de stof in dit boek is al meerdere malen aan de orde geweest in de andere boeken van Siebelink, de setting en de anekdotes ook. Maar zelfs daar werd gesteld, dat het dit keer in een volmaakt verhaal gegoten was. Dat kan ook haast niet anders, want de roman is vrijwel geheel autobiografisch (zoals hij in interviews vertelde): een monument voor zijn vader (en moeder). Zelf schrijft hij daarover: “Ik ben altijd bang geweest het complete verhaal te vertellen: het geleidelijke, maar onstuitbare afglijden van een zachtaardige, maar in zijn jeugd verwonde man – vluchtend in het zwartste calvinisme – en het verdriet dat hij in zijn naaste omgeving veroorzaakt. Het is ook het verhaal van een grote liefde. Een man en een vrouw: de een wil overleven in het hiernamaals, de ander in het nu.”

Hans Sievez noemt Siebelink zijn vader in dit boek. Hij groeit op in Lathum als enig kind van een hardvochtige, gefrustreerde vader en een lieve, jong gestorven moeder. Het dromerige jongetje houdt van de natuur en zwerft graag, samen met zijn konijn, door het veengebied. Hans’ vader hangt een zwaar geloof aan. Na de dood van zijn moeder wordt de toestand thuis steeds uitzichtlozer en nadat zijn vader zijn konijn heeft gedood en verkocht, besluit hij weg te lopen. Hij is dan 17 jaar. Hij vindt een werkplek op een kwekerij in de buurt van Den Haag en krijgt er een opleiding. Ondertussen woont hij bij een hospita. Hier maakt hij opnieuw kennis met het zware geloof via een collega: Jozef Mieras. Jozef dringt zich op. Niemand van de collega’s ziet deze zalvende broeder zitten en ook Hans krijgt het zo benauwd van hem, dat hij hem uiteindelijk in elkaar slaat. Maar zelfs dat doet Jozef niet afdruipen. Als Hans (ondanks de nodige tegenwerking van zijn hospita, die hem niet kwijt wil) genoeg gespaard heeft en zijn vader is overleden, keert hij terug en trouwt met Margje (Siebelinks moeder), zijn vroegere schoolvriendinnetje. Ook zij heeft gespaard, als dienstbode, en samen kopen ze een vervallen kwekerij (met een hoge hypotheek). Vol van liefde voor elkaar en vol goede moed beginnen ze aan hun leven samen en al snel krijgen ze een zoon: Ruben (Jan Siebelink). Alles lijkt op een zonnige toekomst te wijzen, totdat op een dag Jozef Mieras op de kwekerij verschijnt…….

Geen enkele samenvatting kan recht doen aan de zich daarna langzaam opbouwende spanning, aan het wurgende verloop van de gebeurtenissen, aan de steeds meer benauwende sfeer van het verhaal. Siebelink bereikt dat door het perspectief steeds bij de vader te laten liggen: zo wil hij proberen zich in deze man te verplaatsen en hem te begrijpen. Af en toe wordt het hem teveel en wisselt hij van perspectief en stelt hem dan regelrecht zijn vragen: Had je toen niet….., waarom ging je niet…., voelde je niet dat….. Het relaas wordt er alleen maar aangrijpender door. De liefde en trouw van de moeder, de steun van Ruben, de wanhoop en het zich afzetten van de tweede zoon (Tom) en de steeds verder groeiende waan van de vader onder invloed van deze zwarte orthodoxe broeders: als lezer word je heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Maar zelfs op het sterfbed heerst het onmenselijke geloof. Nergens schopt Siebelink aan tegen dit geloof: hij registreert slechts wat er plaats vond, hoe zijn vader langzaam door deze waanwereld werd verteerd. Maar deze registratie geeft ons een heel duidelijk beeld van het leed dat dit extreme geloof teweeg kan brengen.

Helemaal voor in het boek staat een motto: … en had de liefde niet…. 1 Cor. 13. Zelf zegt hij daarover:
“Het is een duistere liefdesroman. Als je het boek goed leest, begrijp je dat zijn vrouw zich volledig voor hem opoffert en hem als een soort heilige altijd trouw blijft. Ook hij heeft, zo vlak voor het einde van het boek, als hij op zijn sterfbed ligt en haar voelt naderen en zijn gezicht afwendt, herinneringen. Dat is de herinnering aan hun eerste tijd, die zo mooi en puur en authentiek was. Maar ja, Hans is op weg naar die andere liefde, naar de goddelijke liefde. Toch houdt hij nog van haar. Zij worden uit elkaar gedreven. Ze waren de volstrekte radeloze eenzaamheid nabij. Daar ging het mij om. Die man ondervond in zijn geloof weinig liefde en genegenheid van zijn broeders en ook niet van God of van boven. Beiden zijn totaal eenzaam. Zie hier de essentie van mijn boek.”

Willem Vogel schreef in het Haarlems Dagblad: “Een monument voor zijn vader wilde hij neerzetten. Nadat het is onthuld, blijkt het een ontroerend en hartverscheurend monument voor zijn moeder te zijn. Het verdient veel bloemen.” Thomas van den Bergh  schreef in Elsevier: “Wie bij het lezen van dit boek geen brok in zijn keel krijgt, is geen mens.” Daar heb ik eigenlijk niets meer aan toe te voegen.

© JannieTr – februari 2007.

Paperback | 445 Pagina's | De Bezige Bij | 2005
ISBN10: 9023416651 | ISBN13: 9789023416654

dinsdag 23 januari 2007

Judith Koelemeijer - Het zwijgen van Maria Zachea

Oral history: de vertelde, overgeleverde geschiedenis. Zo wordt het verslag van de interviews die Judith Koelemeijer haar vader en zijn broers en zussen afnam, ook wel genoemd. Toch vond ik het boek in de bibliotheek bij de romans. Het is ook niet echt een geschiedenisboek en het leest als een roman. De gebruikte structuur verdient zonder meer bewondering. Een geslaagd debuut, dat beloond is met Het Gouden Ezelsoor en de NS Publieksprijs.

Eigenlijk kende Judith Koelemeijer haar Oma, Maria Zachea Koelemeijer, niet zo goed. Na een zwaar leven, waarin ze 13 kinderen kreeg, leek ze niet veel belangstelling meer te hebben voor haar 29 kleinkinderen: zij had haar taak volbracht. Kort nadat ze weduwe werd, kreeg ze een hersenbloeding en als ze daarna uit het ziekenhuis komt, wordt ze steeds zwijgzamer, om tenslotte helemaal niet meer te spreken. Overdag wordt ze verzorgd door verpleegsters en ’s avonds en ‘s nachts zorgen de 12 overgebleven kinderen om beurten voor haar, tot ze na 8 jaar overlijdt. De kinderen gingen al jaren hun eigen weg, maar nu brengt hun zieke moeder ze voorlopig weer samen.


Deze zwijgende, oude vrouw intrigeert Judith, net als de zwijgzaamheid binnen haar familie. Ze besluit te proberen de familiegeschiedenis te reconstrueren. Tijdens de vraaggesprekken met haar ooms en tantes ontdekt ze dat ze zich allemaal andere zaken herinneren, of aan dezelfde gebeurtenissen andere herinneringen hebben. Dat ze allemaal een andersoortige band met hun moeder (en vader) hadden en dat ze eigenlijk ook niet veel wisten van elkaar. Al deze interviews zijn door Judith Koelemeijer bewerkt tot één geheel: een goedlopend, bijna spannend verhaal.

De structuur en de stijl die ze daarvoor gekozen heeft, maakt dat het lijkt of je een roman leest. Het verhaal is ingedeeld in 12 hoofdstukken, die steeds de naam dragen van één van de kinderen en die verteld worden vanuit het perspectief van dit kind. Te beginnen bij de oudste en met als laatste de jongste. Elk kind vertelt over zijn of haar jeugd en dromen, de verhouding met ouders en broers en zussen, de start van zijn of haar volwassen leven. Daarnaast vertellen ze over hun aandeel in de verzorging van hun oude moeder, waarbij opvalt dat ook hun veronderstellingen over de reden van haar zwijgen nogal verschillen.

Judith Koelemeijer heeft er voor gekozen elk interview selectief uit te werken. En wel op zo’n manier, dat de chronologie van de familiegeschiedenis bewaard blijft. Net als die van het ziektebed en het lijden van haar grootmoeder. En van de maatschappelijke ontwikkelingen tussen de geboorte van de oudste (geb. in 1934) en het volwassen worden van de jongste (geb. in 1953). De verhaallijnen lopen parallel. In het levensverhaal van elk kind leren we een stukje kennen van de familiegeschiedenis en nemen we daarnaast kennis van de voortschrijdende behoeftigheid van de zieke, zwijgende moeder. En lezen we hoe de maatschappij langzaam verandert, in een kleine geschiedenis van de twintigste eeuw.

Het mysterie van het zwijgen blijft overeind. Elk kind geeft een eigen interpretatie van het zwijgen van de moeder: Moe is gewoon dement door de hersenbloeding, ze kan niet meer praten. Of: Moe is boos, dat we haar naar huis gehaald hebben, dat wilde ze helemaal niet. Of: Moe wil met rust gelaten worden en sterven. Of: Moe kan niet sterven, want ze weet, dat de familie dan uit elkaar valt. Toch moeten deze kinderen tot een gezamenlijk besluit komen, als het lijden van hun moeder tenslotte ondragelijk lijkt te worden.

Maar misschien verwijst de titel ook wel naar het leven van Maria Zachea vòòr de fatale hersenbloeding: een moedige, hard werkende, zorgende vrouw, die weinig sprak, nooit klaagde, altijd probeerde te bemiddelen, te sussen en zichzelf wegcijferde. Zodat we aan het eind van het boek nog steeds niet weten wie Maria Zachea eigenlijk was.

©Jannie Trouwborst, januari 2007

Paperback | 256 Pagina's | Uitgeverij Plataan | 2005
ISBN10: 9058072819 | ISBN13: 9789058072818
Waardering: 8,0


zondag 31 december 2006

Hella Haasse - Heren van de thee


Korte inhoud :

Hella Haasse (die haar jeugd doorbracht in Indië) is zich terdege bewust van het onvermogen van de mens zich in twee culturen thuis te voelen. In deze roman beschrijft zij de lotgevallen van een familie van theeplanters in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Zij heeft voor dit boek (net als in eerdere gevallen) gebruik gemaakt van brieven en documenten. Op knappe wijze heeft ze op dit archiefmateriaal een roman gebouwd die staat als een huis. Waar het materiaal leemten bevat, vult ze die met haar verbeelding. Ze beschrijft de gevoelens, de strijd, de verwachtingen, de dromen, de twijfels en de teleurstellingen van de Nederlanders die toen in Indië een bestaan trachtten op te bouwen.

Verhaalanalyse:

- Opbouw:
Het boek is ingedeeld in 6 delen, die weer onderverdeeld zijn in (meest titelloze) hoofdstukken. De titels van de delen zijn:
Gamboeng, de eerste dag 1 januari 1873
Taferelen van voorbereiding 1869-1873
De ontginning 1873-1876
Het paar 1876-1879
Het gezin 1879-1907
Gamboeng de laatste dag 1 februari 1918
Tenslotte staat er nog een verantwoording in (over de gebruikte documenten en de relatie tot het fictieve deel), een woordenlijst en enkele kaarten met plattegronden van de besproken omgeving, o.a. de theeondernemingen in de Preanger.



- Tijd:
Uit de titels van de delen is de vertelde tijd te reconstrueren. Er wordt begonnen met een korte vooruitblik. Dan volgt de periode direct daarvoor: o.a. de studietijd van Rudolf Kerkhoven in Delft, de reis naar Indië en de leertijd bij een familielid. Vervolgens een deel over de ontginning van de nieuwe plantage, een deel over de vrijage en het huwelijk met Jenny Roosegaarde van Bisschop, een deel over de periode waarin de 5 kinderen geboren worden (+ 1 dood zusje en een miskraam), de plantage moeizaam opgebouwd, de familieverwikkelingen, de politieke strijd en historische feiten als de uitbarsting van de Krakatau. Het uit elkaar groeien van de echtelieden, de zelfstandigheid van de kinderen, de depressies van Jenny en tenslotte haar zelfmoord. In het laatste deel vertrekt Rudolf van Gamboeng om samen met zijn dochter in Bandoeng te gaan wonen en de plantage over te laten aan een van zijn zoons. Met het verzoek op Gamboeng begraven te mogen worden, naast zijn vrouw en hun dochtertje.

- Plaats en ruimte:
Het grootste deel van de roman speelt in Indië op Gamboeng (het meeste) of een van de andere theeplantages of plekken in de Preanger (zuid-Java). Stukken spelen ook in Nederland: tijdens de studietijd, het verlof of het wegbrengen van kinderen om er te studeren. De natuur om het huis wordt uitgebreid en beeldend beschreven. Ook is er aandacht voor het leven van de inlanders die werken en wonen bij en op de plantage.

- Perspectief en verteller:
Er is sprake van een auctoriale verteller. Deze vertelt vooral vanuit Rudolf: hij….. Van Jenny weten we het een en ander via haar brieven, dagboek en soms ook via de auctoriale verteller: zij….. Ook Rudolfs brieven worden geciteerd, net als die van bv. zijn zwagers. Af en toe is er echter sprake van een personale verteller.

- Personages:
Round-characters: Rudolf en Jenny zijn zeker te beschouwen als round-characters. We leren ze goed kennen en er vond een duidelijke ontwikkeling plaats. Sommige van hun relaties: zusters, ouders, ooms etc. leren we ook iets beter kennen, maar niet zo volledig. Daarnaast zijn er tal van
 flat-characters: andere familieleden, werkvolk, hospita’s etc. Er zijn geen typetjes.

- Verhaallijnen:
De hoofdlijn wordt gevormd door de ontwikkeling van de plantage Gamboeng. Met een uitstapje naar de studietijd van Rudolf en de voorbereidingen voor de ontginning. Tegelijkertijd volgen we de ontwikkeling van Rudolf zelf, die van Jenny en enkele van hun kinderen (in mindere mate) en hun onderlinge relatie en die met de rest van de familie. Dan is er de lijn van de politieke ontwikkelingen in Indië en de industriële ontwikkelingen (machines, fabrieken, wegen, treinlijnen). En ook nog de economische. Alles gaat mooi parallel op en is dooreen geweven.

- Thema:
De historische ontwikkeling van de theecultuur (en de kinacultuur) in het Indië van de negentiende eeuw en de rol die Nederlanders daarbij gespeeld hebben. En een beschrijving van de historische ontwikkeling van Indië zelf en haar bevolking. Daarnaast het psychologische verhaal van de ontwikkeling van een relatie van twee totaal verschillende mensen, die het goed met elkaar voor hebben, maar elkaar niet echt begrijpen.

- Motieven:
Niet opgevallen.

- Titel:
Heren van de thee slaat op de verschillende eigenaren/pachters van de enorme theeplantages in Indië. In dit boek 3 generaties.

- Motto’s:
Het boek is opgedragen aan Hella’s broer: Wim Haasse.

Voorts staan er twee citaten in:

1. Je zegt: die brieven zijn niet van belang. Misschien niet. Maar het is toch ook een feit, dat het nageslacht dikwijls het meeste heeft aan de “sightlights”, die een veel klaarder beeld geven van de toen heersende toestanden, en vooral van de toen gangbare opvattingen, dan bijvoorbeeld een serie cijfers. De zaken zijn dood, en kunnen niet herrijzen, maar de personen kunnen voor ons weer leven als we vernemen wat ze dachten en voelden. (Bertha de Rijck van der Gracht-Kerkhoven aan haar broer Karel Kerkhoven, 1959).

2. Un ouvrage de fiction mélange à sa guise le vrai et le faux, le vécu retranscrit, l’imaginaire, la bibliographie (Philippe Labro) (Een fictief werk combineert naar verkiezing de waarheid en de leugen, de herschreven ervaring, het denkbeeldige en de biografie).

- Genre:
Het is zowel een historische, als een psychologische roman geworden. Daarnaast deels een sociale roman (over de verhouding tussen de landheren en het inlandse volk).

- Stijl- en stijlfiguren:
De stijl is duidelijk en eenvoudig. De natuurbeschrijvingen zeer beeldend. De gebruikte taal is doorweven met Indische woorden en Soendaans. Achterin staat een woordenlijst. Ook de geciteerde brieven zijn goed leesbaar. Iets van de formele stijl uit de negentiende eeuw klinkt er nog wel in door, maar ze zijn wel wat aangepast om prettig leesbaar te zijn.

- Verhouding schrijver tot de thematiek van het boek:
Hella Haasse heeft een groot deel van haar jeugd doorgebracht in Ned. Indië en is daar erg door beïnvloed. Haar debuut: Oeroeg (1948) speelt ook in Indië. In die novelle romantiseerde ze het leven op Java nog. In Sleuteloog (2002) geeft ze zich opnieuw rekenschap van haar verhouding met het Indië van toen en het Indonesië van nu. In dit boek vertelt zij zich een ontheemd mens te voelen. “Dat ik nergens ooit helemaal thuishoor, heb ik aanvaard als mijn natuurlijke staat van zijn”.

Wegener, Paperview, 2006. Geb. met stofomsl., 1e dr. in de serie: Kopstukken nr. 1, 343 p., (oorspr. uitg. 1992). Gekocht bij Matildasboek (5,95).

Verschillende prijzen ontvangen voor haar gehele oeuvre en voor dit boek de Nederlandse Publieksprijs van 1993.

Gelezen: december 2006.

© JannieTr, december 2006.

(Deze bespreking komt van mijn oude blog en heeft een afwijkend format)