woensdag 2 november 2016

Wil Schackmann - Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid


"Maar als u voor de blauwe wandelroute kiest, komt u ook langs de koloniehuisjes in Wilhelminaoord, de begraafplaats, het koloniekerkje en het schooltje" legt de vrijwilligster van het Museum De Koloniehof in Frederiksoord (Drenthe) ons uit.

We zijn op vakantie in de buurt en bezoeken het museum om ons nader te verdiepen in het unieke verhaal van de Maatschappij van Weldadigheid, opgericht om de schrijnende armoede aan het begin van de negentiende eeuw te bestrijden.  Een ambitieus plan van nieuw te stichten landbouwkoloniën moest de stedelijke paupers perspectief bieden op een beter bestaan. Het kleinschalige museum geeft via een permanente expositie een overzicht van het ontstaan van de Maatschappij, het kolonistenleven en de toekomstplannen met betrekking tot behoud van uniek cultureel erfgoed. In de parkachtige tuin er omheen bezoeken we een schooltje, de voorbeeldakkertjes met gewassen van toen en een nagebouwd koloniehuisje. Maar als we de wandelroute van 8 km volgen, ontdekken we pas hoeveel uitstekend onderhouden monumenten er bewaard gebleven zijn. Het lijkt wel een openluchtmuseum. We zien veel schildjes van Monumentenzorg en informatiebordjes, maar de meeste huisjes zijn particulier bezit en niet te bezichtigen. In het kerkje van Wilhelminaoord kun je je bruiloft vieren en in het schooltje van Boschoord woont een kunstenaar.

Unesco Werelderfgoed

Wie eenmaal de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid  kent en ziet dat er nog zoveel tastbaar en goed onderhoudende erfgoed is overgebleven kan begrijpen dat het in 2011 werd opgenomen op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Unesco. Naast de koloniedorpen gaat het daarbij om de strafinrichtingen van Ommerschans en Veenhuizen en de vestigingen in de "Zuidelijke Nederlanden", want ook daar staan nog monumenten van een  koloniedorp (Wortel) en een strafinrichting (Merksplas). Het zou mooi zijn om in het jubileumjaar 2018, als de Maatschappij 200 jaar bestaat, de definitieve status te bereiken.

Maatschappij van Weldadigheid 

In 1818 verkeert ons land in grote armoede. Met name in de steden leeft zo’n 50% van de mensen onder de armoedegrens. Ze bedelen, stelen en leggen hun kinderen te vondeling. Generaal Johannes van den Bosch, een vooruitstrevend en sociaal bewogen legerofficier, ontwikkelt het plan om armenkoloniën te stichten op de woeste, Drentse zandgronden. Hij krijgt carte blanche van Koning Willem I. Deze koloniën moeten voorzien in huisvesting, werk, zorg en scholing. Elk gezin dat neerstrijkt, kan rekenen op een woning met een stuk grond dat bewerkt moet worden. Het bouwen van de woningen, het ontginnen van de grond en het aanleggen van een wegen- en afwateringsstelsel gaan snel. De hand van de legerofficier is herkenbaar in het landschap: rechte paden en lanen, doorsneden door afwateringskanaaltjes, huisjes op vaste afstanden van elkaar en facilitaire gebouwen op cruciale punten in de kolonie. Er ontstaat een duurzame zelfvoorzienende gemeenschap, die haar bewoners de gelegenheid biedt zich te ontworstelen aan de stadse armoede en die een ziekenfonds (1827) en leerplicht (1819) introduceert.

Tot zover klinkt het goed, maar dat een samenleving toch minder maakbaar is dan gedacht, moeten Johannes van den Bosch en zijn opvolgers in de daarop volgende vijftig jaar ontdekken. Grote schulden geven de genadeklap. Toch bestaat de Maatschappij nog steeds, zij het in een andere vorm. De staat neemt in 1859 de gestichten in Ommerschans en Veenhuizen over. De vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord blijven van de Maatschappij. De kleine landjes worden samengevoegd tot enkele grote bedrijven en in 1869 maakt de Maatschappij voor het eerst winst op de landbouw. Het sociale gezicht blijft bestaan: een landbouw-, tuinbouw- en bosbouwschool, een geneeskundige dienst en vanaf 1893 een eigen complex voor bejaarde kolonisten (ook dit monument is er nog). Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw worden de laatste arbeiderskolonisten gewone huurders van de Maatschappij. Beheer van de landelijke bezittingen, bosbouw en natuurbeheer en sociale hulpverlening blijven speerpunten. 

Drieluik 

Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).

Zijn werkwijze is voor alle drie de boeken gelijk. Om het prettig leesbaar te houden zijn er geen voetnoten en verwijzingen opgenomen. Ze staan wel vermeld op een bij het boek behorende internetsite. De geschiedenis van de betreffende kolonie is in tijdvakken verdeeld die op elkaar aansluiten. Binnen het tijdvak krijgen zowel de belangrijkste, feitelijke gebeurtenissen een plek, als de gevolgen voor de betrokken kolonisten, bedelaars of wezen. Door daar persoonlijke verhalen bij te gebruiken is het niet moeilijk om je in te leven in de levensomstandigheden van de bewoners van de instellingen. Echt partij kiezen doet hij niet. Hij benadrukt in alle drie de boeken dat we het verhaal moeten begrijpen in de context van de beschreven periode. Dat ondanks alles wat fout ging of beter gekund had, we geen vergelijking mogen maken met de omstandigheden van nu. Velen buiten de gestichten in de verpauperde steden hadden een slechter bestaan. Zijn laatste boek besluit hij met de woorden:

"Kortom, als ik het geheel overzie denk ik niet in de eerste plaats "Wat erg was het daar", maar denk ik vooral "Wat ben ik gelukkig dat ik niet toen leefde".
  
Een andere constante heeft betrekking op de houding van de bestuurders van de Maatschappij: voor kritiek staat men niet open. Misstanden zijn altijd aan anderen of de omstandigheden te wijten. Pas als het niet anders kan door het risico op negatieve publiciteit is men bereid iets te onderzoeken of te veranderen. Maar wel stilzwijgend, om niet toe te hoeven geven dat de kritiek terecht was.

De Proefkolonie

De Proefkolonie begint met een uitleg van de manier waarop Johannes van de Bosch zijn ambitieuze plan in de steigers zet en aan zijn beginkapitaal komt. Zijn goede verstandhouding met Koning Willem I speelt daarbij een grote rol en zal dat in de toekomst blijven doen. Hij heeft alles van tevoren goed doordacht en ingewikkelde berekeningen uitgevoerd. Zijn charismatische persoonlijkheid en dadendrang doen de rest. In januari 1818 wordt de Maatschappij opgericht en in oktober van datzelfde jaar komen de eerste kolonisten aan op wat dan nog de proefkolonie heet. En dat die naam goed gekozen is, zal in de daarop volgende vijf jaar blijken. In 52 huisjes zijn even zo vele gezinnen de proefkonijnen van de onderneming. Van den Bosch moet ondervinden dat zijn berekeningen weliswaar zorgvuldig waren, maar op verkeerde uitgangspunten stoelden. Hij hield te weinig rekening met tegenslagen, onwillige of onbekwame kolonisten, minder opbrengsten o.a. door een te kleine lap grond per inwoner, gebrek aan mest en zelfs de beperkte kennis van landbouw op arme gronden bij het management van de onderneming.

De reglementen moeten steeds verder aangescherpt worden om iedereen in het gareel te houden en de zgn. vrije kolonisten ondervinden een steeds grotere beperking van hun vrijheid. Weg kunnen ze niet: de inrichting van het huisje, de koloniekleding en de pacht van de grond hebben ze als lening ontvangen en moeten ze eerst terugverdienen. Van den Bosch acht een strafinrichting  nodig. Van de Koning krijgt hij de Ommerschans  toegewezen.

Alles draait om inkomsten om de boel draaiende te houden. Hij blijft geloven in een uiteindelijk positieve uitkomst, gaat gewoon door met het opzetten van nieuwe koloniën in de omgeving (50 woningen in 1819, 100 in 1820, 100 in 1821) en regelt via de koning een contract voor de opvang van bedelaars en landlopers in Ommerschans (1822). In 1823 wordt Veenhuizen 1 opgeleverd voor de opvang van wezen en in 1824 nog twee gestichten met dat doel. Ook daarin speelde de koning een grote rol, zoals uitgebreider beschreven wordt in De Kinderkolonie.

De bedelaarskolonie

Bij de strafkolonie Ommerschans (1819) bouwt de Maatschappij een bedelaarsgesticht(1822) in de vorm van een kazerne van 120 bij 120 meter. Deze biedt aanvankelijk plaats aan 1000 personen waarbij mannen en vrouwen (al dan niet gehuwd) strikt gescheiden wonen. De paupers kunnen er door hard te werken hun vrijheid terugverdienen. Ze ontginnen het land, dat vervolgens aan succesvolle kolonisten uit de vrije koloniën in pacht wordt gegeven. Naast ontginningswerkzaamheden is er fabrieksarbeid te verrichten. De Ommerschans telt onder meer een spinnerij, kleermakerij, schoenmakerij, touwslagerij en manden- en klompenmakerij. Bosch hoopt er geld aan over te houden.

Maar ook hier heeft hij zich op verkeken. De opvang kost veel meer dan gedacht: het contractbedrag is niet voldoende voor de verzorging en de werkzaamheden brengen veel minder op dan waarop hij rekent. Het regiem is streng: "Wie niet werkt zal niet eten". Maar met minimale rantsoenen en slechte medische voorzieningen houdt niemand het loodzware werk lang vol. Het sterftecijfer ligt hoog. Maar ook de lokale overheden en tuchthuizen valt wel wat te verwijten: ze sturen massaal invalide en arbeidsongeschikte bewoners. Vanaf 1827 geldt Ommerschans ook als verpleeginstelling. Voor vrijgelaten bewoners is er intussen weinig perspectief op werk en inkomen, zodat ze na verloop van tijd weer terugkeren. Pas vanaf 1843 is er een gerechtelijke veroordeling nodig voor verwijzing naar de bedelaarskolonie. Tot die tijd is het  mogelijk dat men ten onrechte als bedelaar in de strafkolonie belandt. In 1859 neemt de staat de strafinrichting over en in 1890 wordt hij definitief ontmanteld. Het kerkhof en het kolonistenkerkje zijn het enige wat nog rest van de Ommerschans.

De kinderkolonie

Ook de 3 gestichten in Veenhuizen neemt de Staat in 1859 over. De schulden bedragen op dat moment al meer dan drie en een half miljoen gulden. In onze tijd zou een en ander ongetwijfeld tot een Parlementaire enquête geleid hebben. In deze nog prille democratie kunnen Koning Willem I en Van den Bosch zonder inmenging en medeweten van de Staten Generaal van alles onderling regelen. Steeds opnieuw zijn er tekorten, steeds opnieuw ziet Van den Bosch mogelijkheden en steeds gaan die gepaard met uitbreiding van de opvang, maar steeds opnieuw moet er uiteindelijk toch geld bij.
  
Zo ontstaat ook de kinderkolonie in 1824. Via door de koning uitgevaardigde wetten moeten alle wezen, vondelingen en verlaten kinderen "opgezonden" worden naar Veenhuizen. Plaatselijke weeshuizen krijgen  geen subsidie meer voor de opvang. Grootschalige opvang zal goedkoper zijn en de kinderen kunnen met werken geld inbrengen en een vak leren. Dat is althans de insteek. Er is erg veel verzet, van weeshuizen, maar ook van familieleden en plaatsgenoten, om de kinderen naar zo'n grootschalige opvang in zo'n barre omgeving te sturen. Het lukt niet om de benodigde 4000 kinderen voor de drie gestichten te verwerven.  Veenhuizen 2 verandert al snel in een bedelaarsopvang, Veenhuizen 3 draait enige tijd, maar er mankeert van alles aan het gebouw, teveel kinderen sterven. De overblijvers komen tenslotte terecht in Veenhuizen 1, bij de eerder geplaatste wezen, daar is inmiddels genoeg plek.

Opnieuw vallen de financiële resultaten tegen.  Niet alle kinderen kunnen werken, eten en kleding kosten te veel, er wordt onbarmhartig op bezuinigd. De kritiek neemt toe, de controle van buitenaf ook. Er zijn onbegrepen, ernstige medische problemen. Opnieuw moet er geld bij, veel geld. Maar dan heeft de Staten Generaal inmiddels genoeg macht om een regeringsvertegenwoordiger in het bestuur van de Maatschappij te kunnen plaatsen en controles uit te laten voeren op de financiële toestand. De schrik is groot. De staat neemt de gestichten over,  voor de resterende wezen (dat zijn er niet zo veel meer) zoekt men een nieuwe plek: terug naar het weeshuis van vroeger, kleinschalige opvang in de gezinnen van vrije kolonisten of naar verpleeginrichtingen.

Nazaten

Het lijkt er op dat Wil Schackmann daarmee alles verteld heeft wat er te vertellen valt over de Maatschappij Van Weldadigheid. Maar wij keren na de wandeling toch nog even terug naar het museum om in de zaal van de wisselexposities enkele van de 16 videoportretten te bekijken waarin inwoners vanuit heel verschillende invalshoeken het kolonieverhaal vertellen. Een project dat gerealiseerd moest worden voor het te laat was… Want veel van de geïnterviewden zijn ver boven de zeventig, soms al een eind in de tachtig. Zij weten nog hoe het was, hoe het voelde om te werken en te wonen in de koloniën in Frederiksoord en Wilhelminaoord: vaak gaat hun familiegeschiedenis terug tot de oprichtingstijd van de Maatschappij van Weldadigheid. Verschillende emoties klinken door in de filmpjes: ontzag, waardering, kritiek, weemoed… Maar bovenal spreekt er betrokkenheid uit de beelden. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder andere de zo specifieke kolonietaal, ‘bestedelingen’ (ofwel wezen uit de grote steden die hier bij gezinnen geplaatst werden om verzekerd te zijn van een behoorlijke opvoeding en een betere toekomst). Er komen pachters aan het woord, de koloniedokter, de directeur, een boswachter met een 40-jarige staat van dienst en er is aandacht voor het ontstaan en het reilen en zeilen van twee koloniewinkels.

Mooi om ons bezoek mee af te sluiten, want het was niet allemaal kommer en kwel, zeker niet in de latere periode. Natuurlijk ging er veel mis en ook is de kritiek vaak: wat Van den Bosch deed was een druppel op een gloeiende plaat. Maar het was wel de aanzet tot onze huidige verzorgingsstaat en voor wie het geluk had tot kolonist uitverkoren te worden waren er kansen die vele anderen nooit kregen.

Meer dan 800.000 Nederlanders hebben hun wortels in de koloniën van Weldadigheid, waaronder bekende Nederlanders als Jeltje van Nieuwenhoven, Philip Freriks, Henny van der Most en Alexander Pechtold. Wie het leuk vindt uit te zoeken of, en zo ja, hoe hij/zij verbonden is met de koloniale historie kan de gedigitaliseerde gegevens inzien in het museum. Deze openbare informatie staat ook online bij www.drenlias.nl.

Jannie Trouwborst, oktober 2016.

Ik lees Nederlands 38, 39,40/35.

Deze reportage/recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles en deels op Leestafel.

woensdag 26 oktober 2016

Lidewijde Paris - Hoe lees ik?

Kort na "Olijven moet je leren lezen" (over moderne poëzie lezen) van Ellen Deckwitz (KLIK HIER) verscheen Hoe lees ik? van Lidewijde Paris (over het lezen van moderne literatuur). Aanvankelijk twijfelde ik of ik het aan zou moeten schaffen. Ik heb al behoorlijk wat studieboeken op dat gebied. In de poëzie is veel veranderd de laatste 20 jaar. Het was dus niet meer dan logisch dat ik zou proberen mij de veranderende inzichten eigen te maken. Met proza leek dat minder noodzakelijk. Maar ik ben toch blij dat ik me door de enthousiaste verhalen van anderen heb laten overtuigen dat ook dit boek tot de standaarduitrusting van een enthousiaste en gemotiveerde lezer behoort. Naast het opfrissen van oude kennis leerde ik nieuwe begrippen kennen en zag ik prachtige voorbeelden voorbij komen. Het is me nog niet eerder gebeurd dat ik een studieboek maar moeilijk weg kon leggen: een aantrekkelijk citaat of kort verhaal lezen en tegelijkertijd bezig zijn met speuren naar de aangekaarte termen. Wat een fantastisch boek om te lezen!

Had ik dat maar eerder gehad! Hoezo? Een aantal jaren geleden heb ik voor een 55+ welzijnsorganisatie een cursus gegeven in: Hoe kun je met je leesclub meer uit een boek halen? Eigenlijk ging het om hetzelfde principe. Ik gebruikte daarbij voor de cursisten het boek Lezen en leesclubs van Inge Drewes en schreef het grootste deel van het lesmateriaal zelf. Dat was erg veel werk en ook het zoeken van bijpassende titels viel niet mee. Een jaar lang kwam alles stapje voor stapje aan bod. In elk volgend te lezen boek moest er meer benoemd worden: thema en motieven, perspectief en verteller, enz. Tot men aan het eind van de cursus het hele boek kon analyseren. Met daarbij de raad dat voortaan toch maar niet al te rigoureus te doen en zo een boek kapot te analyseren, maar vooral te letten op wat in dat speciale boek  opviel en het bijzonder maakte. In het daarop volgende jaar besprak elk van de leden zelfstandig een boek, rekening houdend met het geleerde.

Deze cursisten wisten waar ze aan begonnen. En de meesten vonden het heerlijk om zo meer houvast te hebben bij het bespreken van een tekst. Sommigen zaten al in een leesclub en hebben hun kennis daar verder verspreid. Met enkele andere cursisten hebben we een eigen leesclubje opgericht. Na vier jaar ben ik er mee gestopt. Ik vond het dankbaar, maar te intensief werk, ik bleef voor hen toch "de juffrouw". En ik wilde graag zelf weer aan lezen toekomen.

Dat ik destijds aan het lesgeven begonnen ben, is voortgekomen uit de teleurstelling die ikzelf ondervond toen ik om mensen te leren kennen in een voor mij nieuwe omgeving, me aanmeldde bij een regionale leesclub die Nederlandse literatuur besprak. Met stijgende verbazing moest ik constateren dat het vooral om het thema van het boek ging. Morele en politieke standpunten of gewoon persoonlijke verhalen of ideeën daarover kwamen uitgebreid aan bod. Als ik aan de beurt was om een boek te bespreken probeerde ik wel iets over het "onbetrouwbare perspectief" of het "gebruik van metaforen" te zeggen, maar dat werd én niet begrepen én niet gewaardeerd. Men las boeken om over de inhoud te discussiëren. Niets mis mee natuurlijk, als iedereen zich daar wel bij voelt. Maar voor mij was dat niet genoeg. Als de persoonlijke klik er dan ook nog eens niet is, dan is het snel over.

Als ik nu het succes zie van "Hoe lees ik?" ben ik dolgelukkig. Ik gun het mensen zó meer van literatuur te kunnen genieten, zo ingewikkeld is het niet, dat toont Lidewijde Paris wel aan. Maar mijn poëtica (zoals L.P. zegt) houdt in dat een boek pas goed is, als het ook zonder speciale kennis (literaire termen, context, diepere lagen, ect.) fijn is om te lezen. 

Want lezen moet in de eerste plaats plezierig zijn. Soms lees ik een boek daarom ook tweemaal: één keer om van het verhaal te genieten en één keer om te proberen te ontdekken hoe een schrijver het opgebouwd heeft en wat hij er allemaal in gestopt heeft. Voor mij is dat tweemaal genieten, maar als een ander genoeg heeft aan de eerste keer, dan is dat uiteraard ook goed.

Dus Lidewijde Paris: Dank je wel! Ik weet zeker dat je veel lezers op een nieuw en verslavend spoor hebt gezet. En mij weer wakker geschud. Want als je lang geen klankbord hebt gehad, dan word je gemakzuchtig.....

Lidewijde Paris - Hoe lees ik? Amsterdam,, Nieuw Amsterdam, 2016. Pb., 286 pg., met lit. opg. ISBN:978-90-468-2108-4.

© JannieTr, oktober 2016.

Ik lees Nederlands 37/35.

woensdag 12 oktober 2016

Kinderboeken herlezen

Het is Kinderboekenweek en daarom staat vandaag de boekenvraag van Hendrik-Jan in het teken daarvan. Vraag 41 van de #50books serie luidt: Lees je nog weleens kinderboeken? En waarom wel of niet? (KLIK HIER).

Als Oma lees ik al jaren kinderboeken voor, mijn oudste kleindochter is inmiddels 16 en de jongste 5. Soms zijn dat voor mij nog onbekende boeken, soms boeken die ik ooit hun ouders voorlas. Maar als ik terug moet naar de boeken die ik als kind las, dan moet ik even diep graven. En hoewel ik mijn kinderboeken al lang niet meer herlezen heb, gaat het nu toch wel kriebelen. Het is niet de eerste keer dat Hendrik-Jan met zijn vragen iets in gang zet!

Laat ik eerste een oud kinderboek noemen dat ik nog lezen móet: Afke's tiental van Nienke van Hichtum. Ik heb het jaren geleden van mijn grootmoeder (1892-1975) gekregen. Het was voor haar een dierbaar boek, omdat, zoals ze zei, de omstandigheden die er in beschreven werden heel dicht bij haar eigen kinderleven kwamen. Bovendien was de schrijfster (Sjoukje Bokma de Boer, pseudoniem Nienke van Hichtum) de vrouw van Pieter Jelles Troelstra, mijn oma's grote held.

De kinderboeken die ik las als ik bij deze oma logeerde, zal ik niet snel vergeten, maar ook niet nog eens lezen: ik vond ze te naar, eng, vreemd. Voor wie dat nog wat zegt: De negerhut van oom Tom, Gullivers reizen, Alleen op de wereld. Misschien was ik te jong toen, ze maakten me verdrietig en bang. Wat ik wel waarderen kon waren de twee boekjes van Piggelmee. Bulletje en Boonestaak had ze ook, maar daar snapte ik niets van.

Maar dan de herinneringen aan mijn eigen boeken, die ik nog wel in de kast heb staan, maar waarvan ik me niet meer kan herinneren wanneer ik ze voor het laatst las. Waar ze over gaan en waarom ik ze destijds mooi vond, weet ik nog wel. Hoog tijd om ze dus maar weer eens open te slaan. Goede vraag dus weer van Hendrik-Jan!

Ik ben benieuwd of er lezers van dit blog zijn, die ze ook kennen. Hier komen ze:
- Kinderen van de grote fjeld - Laura Fitinghoff
- De wonderketting - Margreet Bruijn
- Spoorwegkinderen - Edith Nesbit
- Saskia en Jeroen (serie) - Jaap ter Haar
- Het Winterboek van Paulus de Boskabouter - Jean Dulieu

© JannieTr, oktober 2016.

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

maandag 10 oktober 2016

Koloniën van Weldadigheid - Vrij in de kolonie (dubbelboek)


In 1818 richt de sociaal bewogen generaal  Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.
De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging.
De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord. In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco, om waarschijnlijk in het jubileumjaar 2018 de definitieve status te bereiken. 

Dubbelboek

Wil Schackmann (1951, journalist en auteur van romans, scenario's en non-fictie) mag gerust beschouwd worden als een deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij heeft de afgelopen jaren het archief van de Maatschappij van Weldadigheid (bij het Drents Archief) grondig bestudeerd en aan de hand daarvan o.a. drie forse en degelijke boeken geschreven: De proefkolonie (2006), De bedelaarskolonie (2013) en De kinderkolonie (2016).

In september 2016 is daar een minder omvangrijk dubbelboek aan toegevoegd: een beknopt maar helder overzicht van de geschiedenis van de Koloniën van Weldadigheid en, als je het boek omdraait, een kinderverhaal dat diezelfde geschiedenis nog eens op een ander niveau vertelt. Het is aantrekkelijk uitgevoerd: gebonden in een harde kaft, gedrukt op stevig papier en het heeft een behoorlijk formaat: 24 x 27 cm. Elk boekdeel omvat 48 pagina's. Voor de tekst van Schackmann (met veel informatie) is een beduidend kleiner lettertype gekozen dan voor het kinderverhaal (gemakkelijker om zelf te lezen). 

Koloniën van Weldadigheid door Wil Schackmann is rijk geïllustreerd door middel van kopieën van kaarten, tekeningen, documenten en portretten. Het lezen van deze samenvatting is een aantrekkelijke manier om kennis te maken met de intrigerende geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid en hetgeen zij heeft voortgebracht. Door voorbeelden en anekdotes in de tekst te verwerken, geeft hij tevens een gezicht aan de eenvoudige mensen die deel uitmaken van deze geschiedenis. Achterin dit gedeelte is een literatuurlijst toegevoegd voor wie er meer over wil lezen. Ook als hulpmiddel bij het maken van een werkstuk of voorbereiding op een spreekbeurt kan het goede diensten bewijzen. 

Kleurrijke aquarellen vormen de illustraties bij het kinderverhaal Vrij in de kolonie. Ze zijn gemaakt door Rob Hopstaken en vullen de tekst goed aan. Het verhaal is geschreven door Daniëlle Schothorst. Zij heeft de historische gegevens omgezet in een fictief, maar realistisch verhaal over ‘Hans’ en zijn ‘grote broer Dirk’, die met hun gezin opgezonden worden naar Willemsoord, een van de koloniedorpen. De beide broers ondergaan het regiem met heel verschillende gevoelens. Het verhaal is geschikt voor kinderen vanaf ca. 8 jaar. 

Koloniën van Weldadigheid - Wil Schackmann / Vrij in de kolonie - Daniëlle Schothorst en Rob Hopstaken. Frederiksoord, Stichting Weldadig Oord, 2016. Geb. 2x 48 pg., ills. in kleur en zwart/wit., krt. Met lit. opg. 

Het boek kan via http://www.weldadigoord.nl/kolonieroman besteld worden of via de gewone boekhandel onder vermelding van  ISBN: 978-90-825423-0-1 en uitgever Stichting Weldadig Oord.


© JannieTr, oktober 2016.

Ik lees Nederlands 36/35.

zaterdag 8 oktober 2016

Wim Daniëls - De tambour-maître

Wim Daniëls (1954) is schrijver, taalkundige en acteur. Wim Daniëls werkte enkele jaren als leraar Nederlands en Duits in het middelbaar onderwijs. Vervolgens was hij vijf jaar als tekstwetenschapper verbonden aan de Open Universiteit. Sinds 1994 is hij fulltime schrijver en taaladviseur. Hij geeft ook veel lezingen en voordrachten. Vijf jaar lang was hij columnist bij het tv-programma Spijkers met koppen en trad als taalkundige regelmatig op bij de talkshow van Pauw en Witteman. Hij heeft inmiddels een enorme lijst publicaties op zijn naam staan, zowel fictie als wetenschappelijke uitgaven. De tambour-maître is een in 2016 verschenen verhalenbundel. "Hartverscheurend, hilarisch en ontroerend", staat er achterop het boek als kwalificatie van de verhalen in de bundel. Misschien klopt dat wel, maar ik heb er toch wat kanttekeningen bij.

In de bundel staan veertien korte verhalen. Ze gaan over heel uiteen lopende onderwerpen en personen. En ze zijn heel verschillend uitgewerkt en roepen daarmee ook heel verschillende emoties op. Drie ervan zijn eerder elders verschenen.
Het verhaal dat het meest ontroert is ongetwijfeld het openingsverhaal, met dezelfde titel als de bundel. De fanfare marcheert door het dorp en naast de echte tambour-maître loopt een jongen heel erg zijn best te doen. De lezer wordt meegenomen in zijn gedachtestroom. Heel knap hoe Daniëls de spanning opbouwt: wie is die jongen, er is iets met hem, maar wat? Langzamerhand gaat er iets dagen. De clou verklappen zou jammer zijn, maar dat het verhaal ontroerend is, staat als een paal boven water. Hartverwarmend ook, maar dat staat niet tussen de kwalificaties.

Daarmee hebben we meteen het mooiste verhaal gehad. Ramses is ontroerend en hartverscheurend tegelijk. Net als Lilian. Ook in deze beide verhalen ligt het perspectief bij de hoofdpersonen: twee jonge mensen die met tienerproblemen worstelen, maar die zo levensecht beschreven worden dat je als lezer niet anders kan dan meeleven. (Deze twee verhalen zijn eerder elders verschenen).

Vooral hartverscheurend is Twee liter melk. Het is het verhaal van een zoon die achteraf begrijpt dat zijn vader jarenlang willens en wetens vergiftigd is door de werkomstandigheden in de fabriek waar hij werkte. Hij voelt zich schuldig dat hij daar niet eerder werk van gemaakt heeft en probeert na de dood van zijn vader bewijzen te verzamelen dat het werk zijn vaders gezondheid ernstig schaadde, dat de directeuren dat wisten en hem afscheepten met twee liter melk per dag. Alles heeft hij er voor over, zelfs zijn huwelijk strandt erdoor. Maar wat de rechtszaak hem uiteindelijk oplevert?
Maar ook De bandenplakker raakt je diep en zet je aan het denken over verborgen eenzaamheid. Mooi verhaal!

Blijft over hilarisch. En daar zit voor mij het probleem. Humor is er in vele gradaties en voor mij geldt dat hilarisch daarbij de overtreffende trap is. Ik houd van subtiele humor, woordgrapjes, dubbelzinnigheden en misschien een enkele goede mop. Maar hilarisch? Dat associeer ik met extreme uitingen en geforceerde lolligheid. En dat is niets voor mij. Het kan heel goed zijn dat andere lezers zich een ongeluk lachen om Schurende koeien, Het zwemlid en Flebile ludibrium. Bij mij kon er nog geen glimlach af. 

De overige verhalen zijn onderhoudend en maken het geheel tot een aardige bundel. Door de ontroerende en hartverscheurende verhalen was hij voor mij zeker de moeite van het lezen waard en wie ook nog van hilarische vertellingen houdt, kan helemaal zijn lol op!

Wim Daniëls - De tambour-maître. Amsterdam, Thomas Rap, 2016. Pb., 240 pg., isbn: 9789400407916.

© JannieTr, oktober 2016

Ik lees Nederlands 35/35.

woensdag 5 oktober 2016

Boeken waar ik naar uitkijk

Dit keer wil Hendrik-Jan niets weten over leesgewoonten of gelezen boeken, maar juist over wat nog komen gaat: Naar welk boek kijk jij reikhalzend uit? (Vraag 40, KLIK HIER). Daarop zou ik een kort antwoord kunnen geven: het enige boek dat daarvoor in aanmerking komt, is een nieuwe roman van Gerbrand Bakker. Het ziet er echter naar uit, dat we daar nog wel even op zullen moeten wachten. Als het er ooit nog van komt... Voorlopig zal ik tevreden moeten zijn met de bijdragen op zijn weblog en in de Groene. Daar zitten echt pareltjes tussen!

Maar wat de rest betreft? Ik verdiep me niet zo in wat er in een nieuw seizoen aan zit te komen. Ik laat het vaak maar een beetje op me af komen. Campert houd ik wel goed in de gaten, vooral wat betreft zijn dichtbundels. Maar omdat veel van mijn lievelingsauteurs bij Cossee zitten, wil ik daar de aankondigingen nog wel eens van doornemen. Afscheidstournee van Vrouwkje Tuinman is inmiddels al verschenen en Het vogelhuis van Eva Meijer ook. De eerste heb ik al besproken, de laatste komt over een poosje. Binnenkort komt er een verhalenbundel uit van een debutante: Post voor Rus Ordelman van Bette Adriaanse. Ik las een voorstukje, dat lijkt me wel wat. In november verschijnt een nieuwe roman van Jan van Mersbergen: De ruiter. Ik heb nog geen slecht boek van hem gelezen, dus ik verwacht er veel van.

Voor januari heb ik mijn oog laten vallen op Lia Tilon - Archivaris van de wereld. Uit de catalogus van Cossee:  
Lia Tilon (Broek in Waterland, 1965) is communicatietrainer en schrijfdocent. Ze verbleef in het Parijse instituut Néerlandais om onderzoek te doen naar leven en werk van Albert Kahn, nadat ze de bbc-documentaire De man die de wereld wilde fotograferen zag. Ze kreeg het dagboek van zijn chauffeur in handen en vond daarin, gecombineerd met de immense nalatenschap aan foto’s van Kahn, de ideale materie om een roman op te baseren: Archivaris van de wereld.
 "In 1907 drukt de Franse bankier Albert Kahn zijn jonge chauffeur Dutertre een hypermoderne camera in handen en draagt hem op te leren fotograferen. Kahn vertrouwt hem zijn ideaal toe: alle volkeren van de wereld in kleur te laten vastleggen, om zo zijn ‘archief van de planeet’ te creëren. Hij is ervan overtuigd dat zijn foto’s vooroordelen en angst voor vreemdelingen zullen wegnemen, en mensen vertrouwd zullen maken met de ander. Uiteindelijk zal zijn archief vrede brengen op aarde."

Juist het perspectief van zijn chauffeur in dit verhaal intrigeert me. Ik ben heel benieuwd. 

Literaire non-fictie trekt me momenteel het meest. Zodra ik me verveel (er liggen nl. nog genoeg boeken te wachten) zal ik eens bij de andere uitgeverijen gaan neuzen of er nog iets interessants tussen zit. Maar nu even niet....

 © JannieTr, oktober 2016

De leesvraag #50books (KLIK HIER) is een initiatief van Peter in 2013. Martha nam het in 2014 over en in 2015 ging Peter zelf weer verder. Vanaf 2016 doet Hendrik-Jan dat. Vanaf "2016: vraag 2" probeer ik elke week mee te doen.

zaterdag 1 oktober 2016

Vrouwkje Tuinman - Afscheidstournee

Nicoló Paganini 

Over de Italiaanse vioolvirtuoos en componist Nicoló Paganini (1782-1840) zijn meer fabels dan feiten bekend. Zelfs over de juiste spelling van zijn naam en zijn geboortejaar bestaan twijfels. Wat we zeker weten is dat hij op elfjarige leeftijd voor het eerst op het podium staat als violist. Vanaf 1797 reist hij door Europa en treedt hij op in onder andere Wenen en Parijs. Zijn bekendheid groeit en in 1831 gaat hij voor het eerst op tournee in Engeland. Op 57-jarige leeftijd overlijdt hij in Nice.

Maar fabels zijn er des te meer. Door zijn wonderlijke uiterlijk, zijn verbluffende viooltechniek, zijn mysterieuze levenswandel en zijn effectvol optreden vermoeden veel van zijn tijdgenoten dat hij een verdrag met de duivel heeft gesloten. Paganini versterkt de legendevorming rond zijn persoon door 's nachts op kerkhoven voor de doden te spelen. Ook heeft hij de gewoonte om voor een concert zijn gezicht wit te schminken om zo nog meer tot de verbeelding te spreken als lijdend kunstenaar.

Hij laat één zoon achter, Achille, die niet alleen zijn vermogen erft, maar ook opgescheept wordt met het stoffelijk overschot van zijn vader. De Kerk wenst hem niet in gewijde grond te begraven. De fabels en mythes die zijn vader deels cultiveerde, keerden zich uiteindelijk tegen hem. Het duurt tientallen jaren voor hij zijn graftombe in gewijde grond krijgt. 

Vrouwkje Tuinman 

Vrouwkje Tuinman (’s-Hertogenbosch, 1974) schrijft gedichten, romans, artikelen, columns en recensies. Ze werd genomineerd voor onder andere de Debutantenprijs en de Selexyz Debuutprijs, en ontving de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre. In 2014 verscheen haar vijfde dichtbundel, Sanatorium. Eerder publiceerde ze de romans Grote acht (2005) en Buurvrouw (2008). Haar vorige roman, De rouwclub (2013), werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. 

In 2014 maakte Tuinman een reis langs de meeste plaatsen waar het overleden lichaam van Nicoló Paganini heeft verbleven. Een verslag hiervan is gepubliceerd in Hollands Maandblad en ligt aan de basis van dit boek. Na een bezoek aan het praalgraf waar Nicoló ruim 56 jaar na zijn dood zijn laatste rustplaats vond, bezoekt ze de intieme begraafplaats waar Achille, zijn vrouw en enkele van zijn zoons in eenvoudige nisjes begraven liggen. Het contrast met de lange, dure en emotioneel uitputtende reis die Paganini's lijk maakte kan niet groter zijn. En daarom besluit ze: “niet de dode maestro, maar zijn zoon moet mijn hoofdpersoon worden”. Ze zal proberen een echt mens van hem te maken. “Voor de meeste grote gebeurtenissen in dit boek zijn genoeg bronnen om aan te nemen dat ze daadwerkelijk voorgevallen zijn. De tijdvakken ertussenin heb ik met mijn fantasie aangekleed. In mijn poging een echt mens van hem te maken, heb ik hem soms liefhebberijen, meningen en emoties toegedicht waarvan we nooit zullen weten of hij ze ook had. Achilles tragiek is dat hij nooit de status van “zoon van” is ontstegen.” 

Achilles, de zoon van 

Als het verhaal begint, woont Achilles met zijn vrouw en 3 zoontjes op het landgoed dat zijn vader ooit als belegging kocht, maar vervolgens verwaarloosde. Het is huis is opgeknapt en het landgoed floreert. Achilles’ vader is intussen 13 jaar dood en ligt bij hen in de tuin. Het verhaal springt aanvankelijk gedoseerd heen en weer tussen de gebeurtenissen in zijn jeugd en het heden.

Achilles moeder heeft afstand van hem gedaan toen hij 2 jaar oud was. Zijn vader heeft hem altijd goed verzorgd, maar moest hem wel meenemen op zijn reizen langs de concertpodia. Er was een sterke verbondenheid tussen hen. Als ze in Nice zijn wordt zijn vader, die al enige tijd sukkelde met zijn gezondheid, zo ziek dat hij uiteindelijk zal sterven. Hij weigert een priester aan zijn bed voor de gebruikelijke laatste heilige sacramenten. Het zal een extra reden zijn voor de Kerk om een kerkelijke begrafenis te weigeren.

Achilles is pas 14 jaar. Hij wordt opgevangen door vrienden van zijn vader die voor eerherstel gaan ijveren. Maar niets mag baten. Het lichaam van zijn vader wordt zolang ergens opgeslagen en verschillende malen verplaatst. Maar als Achilles trouwt, neemt hij de kist mee naar zijn nieuwe woonplaats. Achilles blijft vechten voor een graftombe op de plek die zijn vader wenste, maar hij ontvangt steeds weer afwijzende reacties. Zijn vrouw en later ook zijn zoons steunen hem in zijn pogingen en nemen als hij ouder wordt die taak over. En zij zorgen uiteindelijk voor een oplossing. 

Handicaps 

Hoewel het gevecht voor de graftombe in gewijde grond de rode draad van het verhaal vormt, ligt het zwaartepunt elders. Het gezinsleven van Achilles vormt de kern van deze roman. Samen met zijn empathische en intelligente vrouw Paolina en de zich in de loop der tijd uitbreidende kinderschare vormen ze een hecht en harmonieus gezin. Tuinman schetst een familie die gekenmerkt wordt door liefde, begrip en verbondenheid: een teder verhaal over elkaar steunen, de twijfels bij het opvoeden, de taak van ouders, de eigenheid van elk kind. Maar ook over de littekens en handicaps die Achilles overgehouden heeft aan zijn vrije en blije jeugd. Als je altijd “de zoon van” bent geweest, hoe kun je dan ooit jezelf worden? Dat heeft zijn vader hem nooit geleerd.

Zijn moeder verschijnt weer op het toneel met haar nieuwe man, om van hem te profiteren. Hij houdt afstand, maar laat haar niet geheel in de steek. Hij blijkt via haar een stiefzusje te hebben, dat hij steunt als ze nog jong is (en ook niet veel aan hun moeder heeft) en zij zal op haar beurt van groot belang voor hem zijn als zijn vrouw overlijdt.

Het is onmogelijk deze rijke roman recht te doen door een korte samenvatting. Daarvoor zijn de onderlinge gesprekken te diepgravend, de relaties te intens, de verbondenheid binnen de familie te groot. Tuinman is er zonder meer in geslaagd een echt mens van Achilles te maken, zó echt dat je al lezend soms vergeet dat het gaat over “de zoon van”.
 
Vrouwkje Tuinman – Afscheidstournee. Paperback, 224 pg., met lit. opg. ISBN: 9789059366824 

JannieTr,  september 2016.

Ik lees Nederlands  34/35

N.B. Vrouwkje Tuinman is ook dichter. Eén van haar gedichten is op muziek gezet en kun je hier bekijken en beluisteren: heel mooi! KLIK HIER VOOR HET FILMPJE 

Deze recensie verscheen eerder op De Leesclub van Alles (KLIK HIER).