zondag 1 juni 2008

Kristien Hemmerechts – Ann


Achterflap samenvatting:
Op een dag krijgt Kristien Hemmerechts een e-mail van een haar volslagen onbekende vrouw, Ann. Ann stelt Kristien de vraag die ze al dikwijls kreeg: wil je mijn verhaal opschrijven? Voor één keer gaat de schrijfster in op het verzoek. Ann lijdt al jaren aan anorexia, die ongeneeslijk lijkt, en wil een einde aan haar leven maken. Ze torst een incestverleden: een wond waaraan haar familie desnoods geloof wil hechten, maar waarnaar ze niet lijkt te handelen. En dus blijft Ann met haar uitgemergelde lichaam roepen: geloof me.
Kristien Hemmerechts spreekt met Ann, haar broers en haar moeder en nadien ook met (soms onwillige) therapeuten. Ze doet in dagboekvorm verslag van de confrontatie met een onoplosbare familiegeschiedenis en een halsstarrig ziektepatroon. Ze stelt het voortdurend falen vast van de medische en psychologische begeleiding die Ann kreeg. Ze bewondert Anns moed om ondanks alles te blijven vechten.
Kristien Hemmerechts heeft Anns verhaal opgetekend met al het inlevingsvermogen en de absolute eerlijkheid die daarvoor nodig zijn. Ze gaat op zoek naar de maatschappelijke oorzaken van anorexia, betrekt Anns verhaal op zichzelf en worstelt met de eeuwige vraag: in hoeverre is het mogelijk een ander echt te kennen?
 
Een aantal maanden geleden las ik van Kristien Hemmerechts het boek Donderdagmiddag halfvier (KLIK HIER). Daarin haalde ik een passage aan uit Wikipedia die ook voor dit boek relevant is:
 
Constante in haar fictiewerk is het thema van het menselijk onvermogen: door verlies en gebrekkige communicatie zijn haar personages vaak niet in staat greep op hun leven te krijgen en blijvende, bevredigende relaties aan te gaan. Ze blijven vaak met hun hoofd in het verleden hangen en worden geteisterd door gevoelens van vervreemding, eenzaamheid en schuld.
Haar stijl en techniek kenmerken zich door een tamelijk afstandelijke registratie van gebeurtenissen en gedachtes; rechtstreeks ingrijpen in een verhaalgebeurtenis doet zij nauwelijks, zij toont - zonder te moraliseren - personages en gebeurtenissen die vastlopen. Vaak vertrekken haar romans vanuit een eenvoudig en herkenbaar gegeven (een sterfgeval, een scheiding), waar vervolgens verschillende verhaallijnen en personages omheen opgezet worden die een complex netwerk opleveren, dat niet alleen voor de personages maar soms ook voor de lezer verlammend werkt. (Bron: Wikipedia)

Dit boek is geen roman en vraagt om een volledig andere benadering bij de poging er een leesverslag/persoonlijke beoordeling over te maken. Dat literaire non-fictie een steeds belangrijker plaats in gaat nemen in de Nederlandse letteren mag duidelijk zijn. Vaak gaat het daarbij om het beschrijven van “historische” of maatschappelijke gebeurtenissen aan de hand van een individuele en/of familiegeschiedenis (Suzanne Jansen – Het pauperparadijs (Veenhuizen) of Frank Westerman – De Graanrepubliek (via Mansholt de landbouwcrisis en de sociale geschiedenis van Oost-Groningen, etc.)).

Toch zou ik dit boek niet onder die categorie willen laten vallen. Het is een individueel verhaal, zowel over Ann als over de manier waarop Kristien er mee om gaat. En dat blijft het ook: algemene conclusies kunnen er niet uit getrokken worden, of je zou wel erg cynisch moeten zijn: “de” medische stand faalt bv. De geschiedenis van elke anorexia-patient is daarvoor ook te verschillend. De gevolgen van incest kunnen verschrikkelijk zijn, maar ook die verschillen van persoon tot persoon. Waarom genezen sommigen wel en anderen nooit? Wat dat betreft roept het boek meer vragen op, dan dat het algemeen geldige antwoorden geeft. Dat hoeft ook niet, dat maakt het ook geen slecht boek. Het betekent voor mij wel dat ik het niet onder de noemer van literaire non-fictie zou willen scharen.

Maar een roman (fictie) is het ook niet. Het verhaal is de harde werkelijkheid. En daarom kan het ook niet als een roman beoordeeld worden. Daarin zou je je bv. afvragen: hoe geloofwaardig zijn de karakters en hun wisselwerking? Dat is een vraag die eigenlijk not-done is in dit geval. Kristien Hemmerechts had geen keus: ze moest het verhaal van Ann wel geloven om er een boek over te kunnen schrijven. Ze heeft haar twijfels, gunt het de “anderen” om hun kant van het verhaal te vertellen, maar ze moet wel in Ann’s verhaal blijven geloven om niet alleen het boek tot een goed einde te kunnen brengen, maar ook om deze vrouw (die haar zeer aan het hart gaat) niet te laten vallen.

Nu ben ik er nooit een voorstander van geweest om boeken te beoordelen door ze in een bepaalde categorie te plaatsen. Maar ook voor boeken die “nergens” onder lijken te vallen moet het mogelijk zijn weer te geven waarom het boek wel of niet aanspreekt. Ingewikkeld, maar ik zal een poging doen.

Mij heeft in de eerste plaats teleurgesteld, dat de verwachting, zoals ik die hierboven beschreef (algemeen geldige conclusies te kunnen trekken, inzicht in het fenomeen te krijgen etc), niet waargemaakt werd. Wel heb ik de overtuiging gekregen, dat dat ook niet mogelijk was. Daarnaast lijkt het me voor critici erg moeilijk vragen te stellen over de geloofwaardigheid van het verhaal. Het is alsof je daarmee iemand over de rand van de afgrond duwt, waar ze al op balanceert. En toch kwamen die vragen wel steeds bij mij boven. Ann gijzelt haar familie via haar anorexia met een verhaal dat ze niet meer kunnen controleren (vader is dood), dat ze moeilijk kunnen geloven (niemand heeft er ooit iets van gemerkt), dat ze gedwongen worden te accepteren (anders wordt ze nooit beter of pleegt ze meteen zelfmoord) en dat hun met een enorm schuldgevoel opzadelt (als ze erkennen dat ze haar er alleen mee hebben laten worstelen).
 
Kristien Hemmerechts draagt zoveel dagboekfragmenten aan, van Ann en van haarzelf, emails tussen hen beiden en naar en van anderen, sms-jes, interviews met familieleden en therapeuten. Omdat ook niet alles helemaal chronologisch gebracht wordt, wordt het allemaal op den duur wat verwarrend. Soms vraag je je af: wil Ann wel beter worden? Of: Straft zij vooral haar familie met haar ziekte? Sommige incestslachtoffers ontwikkelen schizofrenie. Met behulp van medicijnen kunnen die weer redelijk functioneren. Zou dat bij deze vorm van anorexia ook al geprobeerd zijn? Want dat het om een psychische ziekte gaat, is wel duidelijk geworden.

Ik denk, dat Kristien Hemmerechts ook in dit boek recht heeft gedaan aan de typering over haar romans, zoals ik die hierboven uit Wikipedia citeerde. Zaken als: Menselijk onvermogen, gebrekkig communicatie, gevoelens van vervreemding, eenzaamheid en schuld, afstandelijke registratie van gebeurtenissen en gevoelens zonder rechtstreeks ingrijpen, uitgaan van een eenvoudig en herkenbaar gegeven “waar vervolgens verschillende verhaallijnen en personages omheen opgezet worden die een complex netwerk opleveren, dat niet alleen voor de personages maar soms ook voor de lezer verlammend werkt.”
Dat wil niet zeggen, dat zij zich niet betrokken gevoeld zal hebben bij Ann en haar lijdensweg. Dat wil ook niet zeggen dat ik het verhaal van Ann niet schrijnend vond, net zoals dat van haar familieleden. Maar ik ben niet zo enthousiast over het geheel. Er blijven te veel “losse eindjes” over (zoals men van een roman zou zeggen) om het boek tot iets te maken, dat zoveel indruk nalaat, dat je het nogmaals wilt lezen.

Amsterdam, Atlas, 2008. Paperback, 300 p., 2e dr.
© JannieTr, juni 2008 
 
(waardering 6,5) N.B. D
IT BOEK WERD OVERGEZET VANUIT MIJN OUDE WEBLOG EN HEEFT DUS EEN IETS ANDER FORMAT.

zondag 6 april 2008

Jeroen Brouwers – Bezonken rood



Inleiding:
Samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje bracht Jeroen Brouwers zijn kleuterjaren door in het Japanse vrouweninterneringskamp Tjideng op Java. In deze roman heeft hij op aangrijpende wijze zijn herinneringen aan deze periode verwerkt. Bezonken rood (1981) werd door de critici vrijwel unaniem lovend besproken, verscheen in twaalf landen in vertaling (ook Japan!) en werd in Parijs bekroond met de prestigieuze Prix Femina Étranger. Er zijn inmiddels al bijna 30 drukken van verschenen.

Over de auteur:
Jeroen Brouwers heeft meermaals aangegeven, dat zijn werk autobiografisch is en dat hij een biografie dus niet zo nodig vindt. Ik zal me hier dan ook beperken tot de relevante gegevens voor dit boek. Er is al zoveel over deze auteur te vinden op internet, dat ik voor meer achtergrondinformatie daar naar verwijs.

Jeroen Brouwers werd in 1940 geboren in Jakarta en kwam in 1942 samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje in het Japanse vrouweninterneringskamp Tjideng op Java terecht. Zijn grootmoeder overlijdt er. Enkele jaren na de bevrijding keert het herenigde gezin (met vader en broertjes) terug naar Nederland, waar Jeroen als onhandelbaar jochie van 10 in katholieke internaten opgevoed wordt. Na 2 mislukte huwelijken vertrekt hij in 1993 naar België, waar hij als auteur zeer gewaardeerd wordt en nog steeds woont en werkt. Hij heeft vele literaire prijzen ontvangen. Voor zijn omvangrijke oeuvre werd aan Jeroen Brouwers in 2007 de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend (die hij echter weigerde, omdat hij het geldbedrag te laag vond).
                                                                                    
Leesverslag:
Bij de dood van zijn moeder - met wie hij al jaren geen contact meer had - herinnert de schrijver zich weer de gebeurtenissen die tot die verwijdering geleid hebben. In zijn ogen is zijn moeder geheel ontluisterd in het Japanse concentratiekamp Tjideng, waar zij lichamelijk aftakelde, kaal werd geschoren en bovendien voor zijn ogen - hij was 5 jaar - op een gruwelijke manier werd afgetuigd. Maar eigenlijk is het boek een eerbetoon voor die moeder die onder de meest gruwelijke omstandigheden - Tjideng had een beruchte sadistische kampcommandant - met veel moed haar kinderen probeerde te beschermen.

Afwisselend lezen we over de gebeurtenissen in het kamp en over zijn leven daarna. Omdat er geen dialogen zijn en de ikvorm wordt gebruikt voor herinneringen, gedachten, gebeurtenissen, verwarringen en overwegingen, is het verhaal heel indringend. Niet alleen de verschrikkingen in het Jappenkamp komen aan bod, ook de gevolgen voor de rest van zijn leven. Wie tussen zijn 2de en 5de jaar dergelijke onmenselijke uitwassen heeft gezien en meegemaakt, zal daar doorgaans een leven lang de littekens van meedragen. Als kind accepteerde hij deze wereld als normaal, nu voelt hij zich daar schuldig over (lachen om wreedheden, blij met de pop van een dood vriendinnetje, etc.). Zijn verhouding met de vrouwen in zijn latere leven is problematisch door de manier waarop er met vrouwen omgegaan werd in het kamp. En door het ultieme verraad dat zijn moeder z.i. pleegde door hem vanaf zijn 10de naar internaten te sturen en hem daarmee in de steek liet.
                                                            
Dit verschrikkelijke verhaal wordt prachtig verteld en is bijzonder aangrijpend. Zoals verwoord wordt in een recensie: Brouwers' dwingende en onontkoombare taal verplicht de lezer de verschrikkingen van het Japanse interneringskamp Tjideng - en van het kind Jeroen Brouwers dat daar verblijft - onder ogen te zien. Het is bij de scherpe herinneringen moeilijk de blik af te wenden, iets anders te zien of aan iets anders te denken. Geregeld moest ik het boek wegleggen, omdat het verhaal me te zeer aangreep. Maar het was of ik gedwongen werd verder te lezen, niet om bij de plot te komen (zoals bij veel andere boeken). Ook niet vanwege een happy-end: je begrijpt al heel snel, dat dat er nooit zal komen. Het voelde een beetje als de verplichting hier tot de laatste bittere letter kennis van te nemen.
                                              
De roman was aanleiding tot een felle polemiek met Rudy Kousbroek over de Indische interneringskampen. Een discussie die al zo vaak gevoerd is: wat zijn precies de feiten en wat (niet-bewust wellicht) verdraaide herinneringen. Ik heb altijd op het standpunt gestaan, dat een auteur, ook in een autobiografische roman, de vrijheid heeft het vertelde te gieten in de vorm die het best past bij wat hij over wil brengen. Zijn voornaamste drijfveer is nu eenmaal niet een zo exact mogelijke weergave van de feitelijke gebeurtenissen, maar het overbrengen van wat deze gebeurtenissen te weeg gebracht hebben, in welke volgorde ze ook plaatsvonden en door wie ze ook ondergaan zijn. Want dat de gruwelijke verhalen niet overdreven zijn, daar is iedereen wel van overtuigd inmiddels.
                                                                      
Uit een kritiek van Rob Schouten in Trouw:
"Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt" is de belangrijkste zin uit "Bezonken rood". Alles werkt op de mens in, alles grijpt in elkaar, "nu eens verkwikkende, dan weer onverkwikkende geuren." Liefde, haat, heden en verleden. En zo is ook de roman, op volstrekt natuurlijke wijze een baaierd van motieven en op elkaar betrokken passages.
"Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt" moet ook de conclusie van deze kritiek zijn: "Bezonken rood" bestaat, want het raakt aan.
                                                                      
Amsterdam, Arbeiderspers, 1998. Paperback, Grote ABC nr. 615, 10e dr., 129 p.

© JannieTr, april 2008 - Waardering: 8,5.

dinsdag 1 april 2008

Suzanna Jansen – Het pauperparadijs: een familiegeschiedenis

April 2008 – waardering: 7,5 
                                            
Weer een vrouw die een familiegeschiedenis schrijft en daarmee een stukje vaderlandse geschiedenis tot leven doet komen via de feiten en verhalen over haar voorouders. Het lijkt erop dat dit genre, ook wel literaire non-fictie genoemd, steeds meer succes krijgt. Dat niet iedereen daar blij mee is, mag blijken uit de soms felle reacties van de kant van vakhistorici. Maar de gemiddelde lezer is er blij mee: ook dit boek blijkt een herkenbaar, prettig leesbaar verhaal, dat via de belevenissen van gewone mensen een verleden herschept, dat volgens de vakhistorici per definitie onkenbaar is. Wie zich voor deze discussie interesseert, kan het artikel Entreekaart tot het verleden van Jos Palm in TROUW (2 feb. 2008) lezen of recenter De kloof tussen de geschiedschrijvers van Paul van der Steen in TROUW (21 aug. 2010). Ook de VPRO besteedde hier al eerder aandacht aan: http://boeken.vpro.nl/artikelen/33427068/ Meer dan de feiten door Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk (febr. 2007).
                                                                                                                                            Suzanna Jansen is journaliste en heeft al heel wat artikelen op haar naam staan. Toen ze ontdekte dat een van haar voorouders van moederskant in een soort heropvoedingskamp in Veenhuizen had gezeten, wilde ze zich daar verder in te verdiepen om er een artikel over te schrijven. Al speurende stuitte ze echter op zoveel interessante feiten en verhalen, dat ze besloot er een boek van te maken. 

Vanaf Tobias Braxhoofden (geb. in 1795) volgt zij de belevenissen van haar voorouders in vrouwelijke lijn en vervlecht die op een kundige manier met de geschiedenis van goedbedoelde beschavingspogingen met teleurstellende resultaten en onbedoelde neveneffecten. Van de bedelaarskolonie Veenhuizen tot wonen-onder-toezicht in de arbeiderswijken van de twintigste eeuw en alles daartussen: haar voorouders maakten het allemaal mee, ontkomen aan het stempel dat dat met zich meebracht leek nauwelijks mogelijk. Alleen dankzij de sterke vrouwen in de familie bleek het uiteindelijk mogelijk daaraan te ontsnappen en was er tenslotte voor haar zelf de mogelijkheid meer dan een dubbeltje te zijn. Het motto van het boek luidt niet voor niets: Wij zijn niet dom, alleen maar arm. Dat is altijd door elkaar gehaald. (Orhan Pamuk in Sneeuw).

Haar schrijfstijl is beeldend en betrokken. Hoewel het verhaal nergens geromantiseerd wordt (behalve op de eerste bladzijden) en veel feitelijke informatie bevat, blijft het boeien en raken. Een m.i. hele legale manier om een stukje geschiedenis op een aantrekkelijke en daardoor aansprekende manier ter kennis van velen te brengen. De enige manier ook om het gevoerde beleid (waarover door vakhistorici al veel gezegd is) te plaatsen naast de dramatische gevolgen voor de machtlozen en onmondigen (waarover we zelden iets vernemen in de geschiedenisboekjes).
 
Wie zich verder wil verdiepen in deze materie vindt achterin het boek een uitgebreide literatuurlijst en kan terecht in het onlangs geopende Gevangenismuseum in Veenhuizen. Ook in Frederiksoord is een museum: De Koloniehof. Hier werden arme gezinnen in staat gesteld een nieuw bestaan op te bouwen als boer, onder toezicht van dezelfde Maatschappij van Weldadigheid. Hoewel ook hier niet alles vlekkeloos verliep, waren de omstandigheden en de mogelijkheid echt aan de armoede te ontsnappen groter dan in Veenhuizen. Voor wie op vakantie is in Drenthe zijn beide musea aanraders. Maar eerst dit boek lezen natuurlijk!

Amsterdam, Balans, 2008. Paperback, 5e dr., 255 p., lit. opg., ills.
© JannieTr, mei 2008.

donderdag 20 maart 2008

Bernlef – De pianoman

Maart 2008 – Waardering: 7,0. 
                                                
Hoewel ik moet bekennen, dat ik niet alle Boekenweekgeschenken die ik ooit kreeg nog datzelfde jaar gelezen heb, was ik er dit jaar zo benieuwd naar, dat het tijdens de Boekenweek gekochte boek geen voorrang kreeg. Ik reken Hersenschimmen nog altijd tot een van de allerontroerendste boeken die ik ooit las en ik hoopte dus stilletjes op net zo’n mooi verhaal,  al is dat niet helemaal eerlijk t.o. de schrijver.
Moet een schrijver het nog altijd als een eer beschouwen, als hij gevraagd wordt het Boekenweekgeschenk te schrijven? Ook als hij o.a. de PC Hooftprijs al ontvangen heeft? In een interview in Vara-Magazine zegt Bernlef daar zelf over: “Als je bij de eredivisie hoort, dan moet je een keer het Boekenweekgeschenk geschreven hebben. IJdel zijn we allemaal wel een beetje”. En al is hij wel gesteld op een zekere mate van anonimiteit, ziet hij het voordeel van de extra publiciteit ook wel in: “Om met Reve te spreken: je hebt ook een winkel”.

 
Welke criteria zou de CPNB aanleggen bij de keuze? Is het vooral de naam die telt? Meestal speelt het thema van de Boekenweek geen rol in het Boekenweekverhaal, dus die link is er niet. Moet de omvang beperkt zijn, het verhaal toegankelijk? Een Boekenweekgeschenk komt terecht bij allerlei soorten (potentiële) lezers. Misschien weegt men dat ook mee bij de CPNB?

 
Met deze inleiding wil ik maar zeggen, dat het moeilijk is onbevooroordeeld een Boekenweekgeschenk te lezen: vergelijkingen met ander werk zijn snel getrokken en dat is niet redelijk gezien de beperkingen die de auteur krijgt opgelegd bij het schrijven van het Boekenweekgeschenk. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor dat van 2008, maar ook voor alle reeds verschenen geschenken.
                                                         
En toch is De Pianoman me niet tegengevallen. Als uitgangspunt heeft Bernlef een krantenbericht uit 2005 gebruikt: in Engeland werd een verwarde man aangetroffen die lange tijd ongeïdentificeerd bleef, omdat hij niet sprak. Eenmaal opgenomen in een psychiatrische kliniek bleek hij aardig piano te kunnen spelen. Zijn verhaal met beeltenis gingen de hele wereld over in de hoop dat iemand hem zou herkennen. Uiteindelijk gebeurde dat ook en bleek hij wel te kunnen spreken.

 
De Pianoman van Bernlef is een boerenzoon uit Groningen die opgroeit in een taalarm milieu: tussen zijn ouders worden weinig woorden gewisseld en met het kleine kind wordt al helemaal niet gesproken, behalve soms in korte bevelen: Ga zitten, eet op. In het interview in Vara-Magazine zegt Bernlef daarover:” In de jaren 70 heb ik meegedaan aan een taalproject dat zich richtte op de taalachterstand bij kinderen uit asociale gezinnen, zoals die toen nog genoemd werden. Modale woorden als “bijna”, “misschien”, ‘een beetje” kenden ze niet. Thuis werd er alleen gesproken in bevelen: ‘Ga naar bed”, “haal een brood”. Met de ervaringen van toen heb ik nooit iets gedaan. Tot nu. De Pianoman is gebaseerd op dingen die ik in werkelijkheid heb geobserveerd, zoals veel van mijn werk.”  En zo heeft hij met behulp van deze ervaringen een eigen invulling gegeven aan het krantenbericht en zijn eigen Pianoman gecreëerd. Het is een ontroerend verhaal geworden over wat taalachterstand met een mens kan doen.

 
Ik houd van de stijl van Bernlef: voor een perfecte sfeertekening heeft hij weinig woorden nodig. In het korte bestek van het Boekenweekgeschenk maakt hij van Thomas Boender een geloofwaardige Pianoman. De andere figuren komen misschien iets minder uit de verf, maar ze zijn zeker niet allemaal vlak. Tussen de regels komen m.n. ook zijn ouders en de schooljuffrouw tot leven. Trouw aan de thema’s van zijn andere boeken heeft hij niet alleen een boekje geschreven dat een leuk geschenk is voor een grote groep lezers, maar dat ook een plekje verdiend tussen zijn andere boeken in de boekenkast. Ik zal het in de toekomst vast nog wel eens lezen.
                                                    
Den Haag, CPNB, 2008. Geb., 89 p., bibliogr.
Isbn: 978-90-596-5062-6
                                                             
© JannieTr, juli 2008.
Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/J._Bernlef

maandag 10 maart 2008

Renate Dorrestein – Laat me niet alleen

Maart 2008 – waardering: 7,0.
                                              
“Oud worden in de eenentwintigste eeuw: hoe gaan we dat doen? “ In het Boekenweekessay komt het thema van de Boekenweek 2008 aan bod: Van oude menschen…… de derde leeftijd en de letteren.
                                                                           
In 'Laat me niet alleen' inventariseert Renate Dorrestein wat de gevolgen zijn van het feit dat de babyboomers de jeugd altijd superieur hebben verklaard (en de ouderdom inferieur): de mensen die van harte meezongen met Koot & De Bie: ''Ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen moeten weg, ouwe lullen staan alleen maar in de weg'' zijn aan de beurt om nu zelf tot de ouderen te gaan behoren. Hoe zullen ze die leeftijdsfase gaan invullen?
                                        
Voor het eerst in de geschiedenis zullen ouderen de grootste bevolkingsgroep van Nederland worden. Het betreft geen 'bejaarden oude stijl', maar mensen die opgroeiden in een tijdperk van protest, verzet en maatschappijhervorming. Tot op de rand van het graf zullen zij van het leven blijven genieten. Maar is dat de werkelijkheid, of is de wens hier de vader van de gedachte? Renate Dorrestein schreef een pleidooi tegen de jacht op de eeuwige jeugd en het zogenaamd leeftijdloos ouder worden. Iemand van zestig is geen zestien meer; de generaties moeten hun eigen rol en waarde terugkrijgen.
                                        
Waarom vertikken wij het om op de traditionele manier oud te worden? Die vraag staat centraal in dit Boekenweekessay. Als geen ander weet Renate Dorrestein feilloos de maatschappelijke tendensen te fileren. Te beginnen met het gedrag van de ouderen of de toekomstige ouderen zelf.
Haar essay toont de actualiteit: het onvermogen gracieus oud te worden. Maar het is geen larmoyant verhaal geworden. Daarvoor is Dorrestein te scherp, te humoristisch. Humor die onder meer uitdrukking vindt in de vorm van het essay: een zelfhelpboek: in zeven stappen oud worden. Hoe doe je dat? Met de nodige verwijzingen naar actuele websites (met een knipoog). Met vilein genoegen en met veel humor houdt Dorrestein ons meedogenloos een spiegel voor. Is er nog hoop?
Aanbevolen!
                 
Den Haag, CPNB, 2008. Paperback, 62 p., bibliogr.
© JannieTr, juli 2008.

zaterdag 1 maart 2008

Inez van Dullemen – Maria Sibylla: een ongebruikelijke passie

Maart 2008 – waardering: 7,0

Vele namen en titels passeerden de revue tijdens mijn opleiding. Ze zitten nog steeds in mijn hoofd. Toch zijn ze vaak ongelezen gebleven. Een van die auteurs was Inez van Dullemen. Misschien heeft dat ook te maken met het feit dat de boeken die na mijn schooltijd verschenen volgens critici beter waren: haar naam komt dan ook niet voor in Schets voor de Nederlandse letterkunde uit 1965, die wij op school hanteerden. Intussen zijn er tientallen boeken, novellen, reisverhalen en toneelbewerkingen van haar hand verschenen. En werd ze genomineerd voor o.a. de AKO-literatuurprijs (Het gevorkte beest) en de Libris Literatuurprijs (Het land van rood en zwart) en onderscheiden met prijzen als de Henriëtte Roland Holstprijs (Het land van rood en zwart) en de Anna Bijnsprijs voor haar gehele oeuvre. Het boek Vroeger is dood (over de neergang en dood van haar ouders) bracht haar bekendheid bij een breder publiek en werd in 1987 verfilmd.
De titel van haar debuut (1949) luidde: Ontmoeting met de ander. En dat is ook precies wat in haar werk centraal staat: De ontmoeting met de andere mens, zowel op cultureel als sociaal gebied. In dat kader passen ook de boeken die ze schreef over historische figuren in verre landen. Een daarvan is het boek over Maria Sibylla Merian (2001).
* * *   * * *
Over het leven van Maria Sibylla Merian (1647-1717) is niet veel bekend. Sommigen zullen haar kennen van haar prachtig geïllustreerde boeken over rupsen, vlinders en hun voedselplanten. (Zie de link bij de site over Merian op Wikipedia). Anderen zullen wellicht over haar gehoord hebben via de Labadisten, een religieuze groepering die als een soort commune leefde in een slot in Friesland (Wieuwerd). Inez van Dullemen heeft de bekende feiten uit het leven van Maria Sibylla Merian gebruikt en deze met behulp van haar fantasie aangevuld tot een aansprekend verhaal over een bijzondere vrouw, met vooruitstrevende ideeën en doortastend gedrag. Een voorname rol in het verhaal is toebedeeld aan de verzonnen Kwasiba, haar Afrikaanse slavin die zij mee terug neemt naar Amsterdam.
* * *   * * *

 
Het boek bestaat uit 3 delen:

 
I. Maria Sybilla, waarin we lezen over haar jeugd, haar belangstelling voor de natuur, m.n. de metamorfose van de rupsen tot vlinders, haar tekentalent, haar huwelijk, haar intrede in de commune van de Labadisten, haar uittreding daar en uiteindelijk haar beslissing naar Suriname te vertrekken (met haar jongste dochter) om daar vlinders e.d. te tekenen en de natuur te beschrijven en tenslotte haar zeereis er naar toe.

 
II. Kwasiba, waarin we lezen hoe deze Afrikaanse vrouw leefde in haar land van oorsprong. En in welke angsten men daar leefde in de tijd van de rooftochten door slavenhandelaren. Over hoe ze trouwt, zwanger wordt. En daarna overmeesterd en per schip getransporteerd wordt naar Suriname. Haar leven is hard en ze houdt dat slechts vol door de hoop eens haar in Suriname geboren zoontje terug te kunnen brengen naar het land van zijn vader. Maar het kind sterft en bij het begraven ervan ontmoeten Sibylla en Kwasiba elkaar. Sibylla koopt het meisje van haar eigenaar en betrekt haar en nog twee slaven bij haar werk.
Ze besluit de binnenlanden in te trekken, waar zich een nog nederzetting moet bevinden van de Labadisten (Providentia) en waar ze de Morpho Achilles hoopt te vinden: een bijzondere en grote vlinder. De tocht is zwaar en wat ze vindt is een verwaarloosde bende, die weinig meer van doen heeft met de religieuze gemeenschap in Friesland. Machtsmisbruik, corruptie en hypocrisie vieren hoogtij. Toch ziet ze zich genoodzaakt een plekje in de buurt van het verwaarloosde huis te gebruiken voor het voltooien van haar werkzaamheden.

 
III. De Morpho Achilles. Tijdens een van haar tochten door het oerwoud slaat het noodlot toe: ze ziet de Morpho Achilles, wil hem vangen, maar valt en wordt gebeten door een slang. Haar bediende, een indiaan, probeert het gif te verwijderen, maar kan niet voorkomen dat ze ernstig ziek wordt.
Medicijnmannen, magische handelingen, koortsvisioenen: wekenlang zweeft ze op het randje van de dood. Als ze hersteld is, gaat ze terug naar Paramaribo en later naar Amsterdam. Ze neemt Kwasiba mee, als haar dienstbode, die echter niet erg in dit koude land kan aarden. Sibylla twijfelt of ze haar niet terug moet sturen naar Suriname. Als Sibylla tenslotte overlijdt, blijft Kwasiba hulpeloos achter en slijt haar leven in een souterrain in Amsterdam.
* * *   * * *

 
Maria Sibylla en Kwasiba worden met veel inlevingsvermogen neergezet. De verhouding tussen de beide vrouwen komt niet helemaal uit de verf. Maar misschien heeft dat ook te maken met de beschreven periode. Het rechtvaardigheidsgevoel van Sibylla kan maar moeilijk overweg met de voor die tijd normale houding t.o.v. de slavernij. Maar zij staat daarin vrijwel alleen en het verhaal zou ongeloofwaardig worden als zij zich er in haar eentje totaal van distantieert of tegen verzet. Ze kiest voor enige menselijkheid, terwijl ze ook beseft de ander nooit echt goed te kunnen begrijpen. Kwasiba op haar beurt begrijpt ook Sibylla vaak niet. Misschien is dat eigenlijk ook wel logisch, hun achtergronden zijn heel verschillend en ze verstaan elkaar niet goed.

 
Sommige recensenten vonden het opvoeren van Kwasiba overbodig voor het verhaal. Maar het is typisch Van Dullemen om in een verhaal waarin het Suriname van de 17e eeuw een belangrijke rol speelt ook de werkelijke omstandigheden in die periode te willen tekenen. Via de gedachten en ervaringen van Kwasiba worden we met de neus op de feiten gedrukt: wat het betekende voor Afrikaanse mensen om uit hun cultuur gerukt te worden en ver van hun familie erger dan beesten behandeld te worden. 

 
De sfeerbeschrijvingen zijn uitstekend. De toestanden bij de Labadisten, de zeereis, de tocht door het oerwoud, de hallucinaties tijdens de ziekte, dat alles komt tot leven in een heldere stijl. De ik- en de zij-vorm worden terloops afgewisseld, waardoor je als lezer soms extra het verhaal wordt ingezogen. Nergens wordt de toon of het verhaal dramatisch, ondanks dat wat verteld wordt hier en daar redelijk heftig is. Maar juist daardoor ben je als lezer bereid deze gruwelijke feiten onder ogen te zien als een flinke smet op onze vaderlandse geschiedenis. En dat terwijl het eigenlijk over de vlinders en tekeningen van Maria Sibylle Merian lijkt te gaan….. Knap gedaan! 

 
Amsterdam, De Bezige Bij, 2002. Geb., 259 p., 2e dr.

 
© JannieTr, maart 2008.


Klik hier voor de Teleac uitzending over Maria Sibylla Merian, met een interview met Inez van Dullemen.

woensdag 20 februari 2008

Ida de Ridder – Fine: Levenslang met Elsschot

Februari 2008 – Waardering: 6,5.

Met interesse heb ik het boek gelezen dat de jongste dochter van Elsschot over haar moeder Fine schreef. (Al eerder schreef zij Willem Elsschot, mijn vader en Willem Elsschot en de piano.) Tal van foto’s, anekdotes en verwijzingen naar fragmenten of hoofdpersonen uit Elsschots werk illustreren het verhaal, dat toch hier en daar een ander licht werpt op de grote Vlaamse schrijver en zijn verhouding tot zijn vrouw en kinderen. Een biografie in de ware zin des woord is het niet geworden, maar misschien juist daardoor zo leesbaar. Een waarschuwing vooraf: enige kennis van het werk van Elsschot is bij het lezen eigenlijk wel vereist. Ook al gaat het boek over Fine, het is slechts interessant als een document over de vrouw van Elsschot.

Voor de samenvatting van het verhaal citeer ik uit de boekrecensie van Biblion en de tekst op de achterflap:

 
Biblion: Er stond Ida De Ridder een beperkt aantal bronnen ter beschikking: de herinneringen van haarzelf en haar broer Jan, enkele brieven van haar moeder en het 'trouwboekje'. Desondanks ontstond een eerlijk, soms ontroerend beeld van de ups en downs in het leven van haar moeder. Hij, nukkig, leefde buitenshuis, zij was zorgzaam en voerde in huis de absolute heerschappij. Op den duur groeiden zij naar elkaar toe. Weer blijkt hoe groot de invloed van het familieleven op Elsschots werk is geweest, zonder dat het autobiografisch werd. Beide ouders stierven binnen hetzelfde etmaal. Dit gaf haar de prachtige openingszin in de pen. Aan het slot van haar relaas schrijft zij met recht: 'Niets in dit boek is verzonnen'. De opgenomen foto's komen uit het privé-archief de schrijfster. Een verantwoording, een bibliografie, noten en een stamboom besluiten dit sympathieke boekje. Een integer geschreven hommage aan de vrouw achter de schrijver. 

 
Achterflap: Er is al veel geschreven over Willem Elsschot, maar zijn vrouw Fine was tot nu toe niet veel meer dan dat: de echtgenote van de beroemde schrijver. Met Fine wordt haar eindelijk de eer bewezen die haar toekomt. Dochter Ida schetst een geestig, eerlijk en ontroerend portret van haar moeder, onder meer aan de hand van enkele nooit eerder gepubliceerde brieven. Ida beschrijft de vroegste jeugd van Fine en diens zestig jaar durende relatie met Elsschot. Ze ziet in haar eigen kinderjaren de liefdevolle vader en altijd bezige, zorgende moeder, in haar meisjesjaren de norse vader en de bazige, vaak naargeestige moeder en na de oorlog een onafscheidelijk echtpaar, letterlijk tot in de dood. Het boek biedt ook weer een andere kijk op Elsschot, en op de figuren ronde de familiekring, van wie velen als personage optreden in zijn boeken.

 
Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007. Paperback, 159 p., ills., lit. opg.
© JannieTr, maart 2008.