maandag 16 april 2018

Toon Horsten - Landlopers

200 jaar Maatschappij van Weldadigheid

Tweehonderd jaar geleden, in maart 1818, richt de sociaal bewogen generaal Johannes van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. De Nederlanden zijn berooid achtergebleven na het vertrek van Napoleon. Het grootste deel van met name de stedelijke bevolking leeft in uitzichtloze armoede. Van den Bosch heeft een even ambitieus als ongewoon plan om deze ellende te bestrijden. Als hij dat voorlegt aan Koning Willem I krijgt hij carte blanche om middels het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er wordt gestart met een proefkolonie in Zuidwest-Drenthe, uitbreiding volgt al snel.

De nieuw opgerichte leefgemeenschap kent haar eigen voorzieningen, zoals leerplicht vanaf 6 jaar (1819) en een verplicht ziekenfonds (1827), voor die tijd heel bijzonder. En al verloopt aanvankelijk niet alles zo als gehoopt, toch wordt Van den Bosch inmiddels beschouwd als een visionair. In Nederland vormen zijn ideeën de basis voor onze huidige verzorgingsstaat. Zijn concept vond internationale navolging. 

Werelderfgoed van Unesco? 

De sporen van deze geschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar in o.a. Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord (vrije landbouwkoloniën) en Veenhuizen (strafkolonie). Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden liet de Maatschappij haar sporen na. In 1821 wordt daar een zusterorganisatie opgericht, in 1822 nemen de eerste gezinnen hun intrek in de vrije landbouwkolonie van Wortel en in 1824 begint de bouw van de onvrije kolonie Merksplas.
In 2011 werd het culturele erfgoed van de Maatschappij van Weldadigheid opgenomen op de voorlopige lijst van Werelderfgoed van de Unesco. Na jarenlange voorbereidingen door alle betrokkenen in Nederland en Vlaanderen zal het Werelderfgoedcomité van Unesco tijdens zijn jaarlijkse vergadering in juli 2018 besluiten of de Koloniën van Weldadigheid de Werelderfgoedstatus krijgen.

Hollandse en Vlaamse koloniën

Over de koloniën in de Noordelijke Nederlanden zijn meerdere boeken geschreven door Wil Schackmann. Ze staan beschreven in Een drieluik over de Maatschappij van Weldadigheid elders op deze site. Voor de Zuidelijke Nederlanden is er het standaardwerk van Toon Horsten: Landlopers. In 2017 is daarvan de vijfde, vermeerderde druk verschenen, waarin ook de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn opgenomen.

Toon Horsten (die opgroeide in Wortel) kiest ervoor de geschiedenis van de Vlaamse tak van de Maatschappij chronologisch te beschrijven. Hoewel de startpositie in beide landstreken gelijk is, ontstaan al snel na de afsplitsing van de Zuidelijke Nederlanden en het uitroepen van de staat België (1830), grote verschillen in de manier waarop men met de "droesem der samenleving" omgaat. In 1842 wordt de zuidelijke afdeling van De Maatschappij ontbonden en in 1870 koopt de Belgische overheid de domeinen van Wortel- en Merksplas-kolonie. In de roerige periode daarna zal blijken dat de opvang en begeleiding van landlopers en daklozen in Vlaanderen en Nederland nogal van elkaar verschillen.

Vlaamse landlopers

Zoals de titel al aangeeft, heeft Horsten zich voornamelijk bezig gehouden met landlopers en bedelaars. In deel 1: Naar het platteland beschrijft hij de periode tussen 1810 en 1945. Wat gebeurde er met bedelaars voor de oprichting van Wortel en Merksplas? Wat was de reden dat de landbouwkolonie Wortel geen succes werd? De boerderijtjes (die in Drenthe nog steeds gekoesterd, beschermd en bewoond worden) zijn in Vlaanderen vrijwel allemaal na 1890 verdwenen. Zowel Wortel als Merksplas veranderen in opvanglocaties voor landlopers en "onaangepasten". 
Maar terwijl de Nederlandse bedelaarskolonie Veenhuizen  failliet gaat, weten de Vlaamse koloniën de bezigheden voor de opgesloten landlopers op industriële wijze te organiseren, zodat de instellingen zichzelf kunnen bedruipen. Ook de kleinschalige landbouw verandert: grote, professioneel geleide  boerderijen bieden de daarvoor geschikte landlopers werk. De politieke besluitvorming rond de opvang komt aan bod, net als de criminele antropologie die haar kans grijpt. De Eerste en Tweede Wereldoorlog zorgen voor extra problemen. Pas na 1945 komt er enige lijn in de opvang en begeleiding van de landlopers. 

Terwijl in de meeste Europese landen landloperij uit het wetboek van strafrecht wordt gehaald, zou dat in Vlaanderen nog tot 1993 duren. In deel 2: Zeemanslevens (1946-1993) komen zowel enkele landlopers als bewakers aan het woord. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is beslist niet negatief. Voor de meesten gedetineerden voelen Merksplas en Wortel als thuis. De landlopers melden zich zelf aan als hun geld op is, als de winter eraan komt of als ze het buiten de kolonie niet meer zien zitten. Het zijn vaste gasten, geen lastige over het algemeen, met vaardigheden die in de kolonie op waarde worden geschat. Maar met een achtergrond die opvang noodzakelijk maakt. Ze werken tot ze genoeg verdiend hebben om weer even de bloemetjes buiten de zetten en keren dan terug naar de structuur en verzorging van de kolonie. Iedereen voelt zich er goed bij, het functioneert zonder problemen. Tot die rampzalige dag in 1993.

Deel 3 heeft als titel: Paradijs voor futlozen (1993-2013). Niemand heeft de landlopers of zelfs de directie van de kolonies gewaarschuwd. Bij toeval leest een van de bewakers in een rondslingerende Staatscourant dat de wet op de landloperij is afgeschaft en dat landlopers niet meer opgesloten mogen worden. Er ontstaat binnen de instellingen grote paniek: waar moeten deze kwetsbare mensen nu heen? Het is verbijsterend welke kunstgrepen de directies van de instellingen en de bewakers allemaal toegepast hebben om er voor te zorgen dat vrijwel iedereen, na verloop van jaren soms, weer een veilig plekje kreeg. Voor de alleroudste werd een speciale regeling getroffen: zij mochten in een aparte vleugel hun oude dag doorbrengen. Dré van Wellen was de laatste landloper die begraven werd op de bedelaarsbegraafplaats van Merksplas op 9 juni 2012.

Uiteindelijk zijn er weer overeenkomsten tussen Merksplas en Veenhuizen. Nieuwe gevangenissen verrezen voor echte delinquenten. Maar de geschiedenis wordt niet vergeten. In de voormalige boerderij van Merksplaskolonie is een bezoekerscentrum ingericht. In het hoofdgebouw van Veenhuizen is het gevangenismuseum. In de voormalige Tuinbouwschool in Frederiksoord wordt nog dit jaar het vernieuwde museum voor de landbouwkoloniën van Drenthe geopend.

Nog meer lezen?

Geïnspireerd door dit boek schreef Louis van Dievel zijn roman Landlopersblues (KLIK HIER), waarin hij zogenaamd enkele landlopers aan het woord laat die begraven liggen op het bedelaarskerkhof van Merksplas. Over de geschiedenis van Veenhuizen is onlangs een boek verschenen van Jan Libbega onder te titel: 'Paupers en Boeven: 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' (KLIK HIER).

Het komt allemaal mooi samen: 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid en 25 jaar na de afschaffing van de wet op de landloperij in Wortel- en Merksplas-kolonie. De geschiedenis is goed beschreven, er zijn bezoekerscentra en musea, er bestaan nog veel monumenten. Zelfs de Stichting Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog (KLIK HIER). En dan in juli misschien de toekenning van de Unesco Werelderfgoed status. Dat zou mooi zijn.

Tijd om deze voor velen verborgen geschiedenis te gaan ontdekken!

Toon Horsten - Landlopers. Antwerpen, Davidsfonds, 2017. Geb., 318 pg., met zwart-wit foto's en lit. opg. ISBN:978-90-5908-901-3.

© Jannie Trouwborst, april 2018.

zondag 8 april 2018

Michiel van Kempen - Voor mij ben je hier: verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers

Ter gelegenheid van 35 jaar onafhankelijkheid van Suriname stelde Michiel van Kempen in 2010 een bundel samen met zestien verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers. Diversiteit en actualiteit worden moeiteloos verbonden aan herkenbare Surinaamse onderwerpen. Guilly Koster reist naar de binnenlanden van Limburg af waar hij verliefd wordt op een dominee die Surinaamse wortels heeft. Mala Kishoendayal beschrijft de reis van een Hindoestaans echtpaar op het eerste schip dat naar Suriname ging met contractarbeiders. Clark Accord treft de laatste resten van een koloniaal verleden in Santiago de Cuba aan. De verhalen zijn heel beeldend geschreven en de diversiteit geeft precies weer wat de Republiek Suriname kenmerkt: onovertroffen gemêleerd! Van Kempen is bijzonder hoogleraar West Indische Letteren aan de UvA. Hij heeft al diverse bloemlezingen Surinaamse letterkunde samengesteld. 

Inleiding 

In de inleiding van dit boekje stelt Michiel van Kempen, dat er in de eerste tien jaar van deze eeuw binnen de Surinaamse literatuur meer debuten verschenen zijn dan in de twee eeuwen daarvoor. Opvallend is het aandeel van jonge vrouwen daarin. Bovendien maakt het niet meer uit waar de auteurs wonen of geboren zijn om van Surinaamse literatuur te spreken.

De ondertitel: Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers wekt de suggestie dat het ook om jonge mensen gaat. Van elke auteur is een korte biografie opgenomen achterin het boek. En wie naar de geboortejaren kijkt, zal zien dat dat niet zo is. Uitschieters zijn: Herman Hennink Monkau (1935) en Carry-Ann Tjong Ayong (1941). Daarna is er een grote groep geboren in de jaren 50, begin 60: Joanna Werners (1953), Henna Goudzand Nahar (1953), Annette de Vries (1954), Guilly Koster (1955), Ismene Krishnadath (1956), Mala Kishoendajal (1959), Rihana Jamaludin (1959), Marylin Simons (1959), J.Z. Herrenberg (1961) en Clark Accord (1961). De jongste schrijvers uit deze verzameling zijn: Tessa Leuwsha (1967), Ruth San A Jong (1970), Iraida Ooft (1974) en Karin Amatmoekrim (1976).

Maar in de inleiding schrijft van Kempen ook, dat er als gevolg van de ontwikkelingen na de onafhankelijkheid een tijdlang weinig tot niets gebeurde op literair gebied. Pas in de eerste 10 jaar van de deze eeuw kwam de literaire productie weer op gang en debuteerden er Surinaamse schrijvers die ondertussen dus al een jaartje ouder waren.
Met de term Jongste generatie schrijvers is m.i. dan ook vooral bedoeld: schrijvers die (ongeacht hun kalenderleeftijd) een andere, modernere Surinaamse literatuur voortbrengen. Minder gedreven door een maatschappelijke taak, zich er meer bewust van dat een literair werk een artistiek kunstwerk hoort te zijn. Dat wil niet zeggen dat ze niet open staan voor wat er gebeurt in de wereld, ook niet dat de thema's geen verband meer hebben met Suriname en haar geschiedenis. Maar er wordt vrijer, artistieker mee omgesprongen.

Zoals Van Kempen schrijft: "In deze bundel is werk opgenomen van auteurs die het gezicht van de jongste Surinaamse literatuur in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw bepaald hebben, plus het werk van enkele schrijvers die met beloftevol werk op de drempel staan van een literaire carrière."

Een bundel vol afwisseling

Ik heb deze bundel met veel plezier gelezen. De meeste verhalen zijn boeiend en intrigerend. Èn afwisselend: de gemêleerdheid van al wie zich Surinamer noemt, komt in de verhalen naar voren. Verhalen die mij erg aanspreken zijn de volgende:

* Marylin Simons - Blijf stil. Het onthutsende verhaal van een oude vrouw die spijt heeft van het mishandelen van haar kind, maar die nooit aan iemand de trauma's van haar jeugd heeft kunnen vertellen.

* Iraida Ooft - High Maintenance. Over een alleenstaande vrouw die dol is op haar kind, verwekt door een man wiens vrouw geen kinderen kan krijgen. De echtgenote roept winti in om dat kind te laten sterven en adopteert zelf een ander kind. Dan is het de beurt aan de minnares om winti in te roepen.

* Clark Accord - Una casa particular. Een Spaanse edelvrouwe in het communistische Cuba verhuurt kamers om aan inkomen te komen. Ze wordt al jaren bezocht door de geest van een slavin van haar voorvaderen die zelf haar ongeboren kind doodde om te voorkomen dat het ook een ellendig slavenbestaan zou moeten ondergaan. Ze vertelt haar verhaal aan een student. Het Yoruba-geloof speelt er een belangrijke rol in. Als hij dit verhaal op gaat schrijven, wordt de vloek doorbroken en vindt de geest rust in het dodenrijk.

* Ismene Krishnadath - Adempauze. Een intrigerend verhaal waarin heden (de aardbeving op Haïti), verleden (mysterieuze Indiaanse verhalen) en toekomst (de voorspellingen van een Indiaanse) samenkomen.

**Zonder de anderen daarbij te kort te willen doen: deze hele bundel is het lezen waard!!

Voor mij ben je hier: verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers - samengest. en gered. door Michiel van Kempen. Amsterdam - Meulenhoff, 2010. Paperback, 254 pg., met verklarende woordenlijst en auteursinformatie. ISBN: 9789029086790
© Jannie Trouwborst, augustus 2018


(Dit een bewerking van een ouder blog t.b.v. #MSL2018).

zondag 1 april 2018

Annette de Vries - Scheurbuik

Annette de Vries (1954) heeft een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder. Op 2-jarige leeftijd verhuist zij van Nederland naar Suriname, op haar 15de keert ze terug. Na de toneelschool is zij een poosje toneeldocent en schrijft boeken voor de opleiding en het amateurtoneel. Sinds 1995 werkt ze in de kunstensector als adviseur culturele diversiteit en sinds enkele jaren begeleidt ze ook aankomende schrijvers. Scheurbuik (2002) was haar romandebuut (ze nam 2 jaar vrij om het te kunnen schrijven). Daarna volgde in 2010 nog Drijfhout.

Inhoud

Scheurbuik vertelt het verhaal van een vrouw die wordt geconfronteerd met zowel haar eigen geschiedenis als die van Suriname en Nederland.
De drieëndertigjarige Lucia Mac Nack keert naar Suriname terug om haar ernstig zieke vriend Miquel Del Prado bij te staan. Zij wordt opgenomen door zijn familie, naast wie zij tot haar vertrek (als 10-jarige) naar Nederland woonde. Terwijl haar komst het leven van de familie Del Prado in een stroomversnelling brengt, raakt Lucia bevriend met de eenzame, excentrieke Carmen en voelt zij zich aangetrokken tot de rokkenjager Pedro.
Pendelend tussen Miquel, die op de afgelegen boerderij bij zijn bejaarde oom Ferdinand inwoont en Carmen, die een statig koloniaal huis aan de Suriname-rivier bewoont, ontdekt Lucia dat haar verleden zowel afstand als geborgenheid heeft teweeggebracht.
Tijdens de hete dagen en de mystieke nachten in Suriname ontrolt zich een even ontroerende als meeslepende geschiedenis over liefde, onthechting en familiebanden. (Flaptekst).

Scheurbuik

Scheurbuik, op het eerste gezicht een vreemde titel, blijkt te slaan op de bere (=buik), zoals in Suriname de familie, incl. 7 generaties van voorouders, genoemd wordt. Dat bij die voorouders ook Nederlanders horen, wordt vaak vergeten. Alle voorouders verdienen respect, ze beschermen het nageslacht. Door het ontkennen van de zeer verweven geschiedenis van Surinamers en Nederlanders ontstaat er een scheur in de buik. Om die te helen moeten zowel Nederlanders als Surinamers deze gezamenlijke geschiedenis kennen en accepteren. Het boek is opgedragen aan haar bere (familie), het motto is een Surinaams liedje over de lange rij voorouders.

Een lesje geschiedenis
De structuur van het boek is eenvoudig. Het verhaal wordt chronologisch verteld en af en toe zorgt een flashback voor de nodige achtergrondinformatie. In de eerste 5 hoofdstukken worden de hoofdrolspelers twee aan twee geïntroduceerd. Door het perspectief steeds bij een ander personage te leggen, leren we alle hoofdrolspelers en hun situatie goed kennen. Daardoor lijkt de roman wat traag te beginnen, maar des te gemakkelijker is het om daarna direct meegetrokken te worden in het vervolg van het verhaal.
Het slavernijverleden en de recente geschiedenis van Suriname krijgen tussendoor aandacht, in de verhalen van de hoofdpersonen of via gevonden dagboeken en stambomen. Soms wringt dat wat met de natuurlijke verteltrant en komt het wat schools over.
Het boek begint met een brief van Miquel waarin hij Lucia smeekt hem bij te staan tijdens zijn laatste maanden in Suriname en eindigt ook met een brief, waarin Carmen aan de naar Nederland teruggekeerde Lucia schrijft over de afloop. Heel toepasselijk eindigt die brief met de mededeling dat het goed gaat met haar zwangerschap: Mijn buik is rond, zo glad als een steen in een stroomversnelling en zit boordevol leven. Dat maakt het verhaal ook mooi rond.

Verscheurdheid
Hoofdthema van het boek is de verscheurdheid van mensen die in hun leven te maken krijgen met een verandering van cultuur door verhuizing naar een ander land. De manier waarop dat thema is uitgewerkt, geeft het een veel ruimere geldigheid dan alleen in de Surinaams-Nederlandse context.
Zoals Jos Borré in een recensie in De Morgen opmerkt:
"In de peiling naar het levensgevoel van mensen zoals Lucia gaat A. de V. veel dieper dan de clichés over allochtonen die gangbaar zijn in het politieke en maatschappelijke discours van vandaag.(...) Scheurbuik is een roman die de lezer niet confronteert met een ander leven, maar hem heel geleidelijk introduceert in dat leven, hem hoogte doet krijgen van het levensgevoel dat de mensen er huldigen en dat hem na zijn onderdompeling met meer respect achterlaat dan een politieke of humanitaire eis had kunnen afdwingen. (De Morgen, 27-03-2002 - De diepe onderstormen van het bestaan)."
Andere thema's zijn o.a.: liefde, dood, familiebanden, religieuze opvattingen (christendom/winti), discriminatie.

Toneelachtergrond

De toneelachtergrond van A. de V. komt enigszins naar voren in de stijl. De karakters worden getekend via hun uiterlijk en gedragingen, meer dan door hun gedachten en gevoelens, al zijn die beschrijvingen soms typerend genoeg om een aardig idee te krijgen. Toch hadden ze nog wel iets uitgediept mogen worden. Ze maken wel een duidelijke persoonlijke ontwikkeling door: de hoofdpersonen kijken aan het eind van het boek allemaal op een andere manier tegen het leven aan (of zijn in vrede gestorven). Er is geen happy-end, er is alleen een nieuwe, voorgenomen start: het is aan de lezer om zelf in te vullen wat het vervolg zal zijn.

Treffende beeldspraak
De opmerking in het uittreksel van Biblion: eenvoudig taalgebruik dat niet overloopt van beeldspraak, kan gemakkelijk gelogenstraft worden door een reeks citaten van treffende beeldspraak. Enkele voorbeelden:
- Carmen had iets weg van een kleurige vis die met glazige ogen in een schemerig aquarium hing, waar niets anders gebeurde dan het monotoon omhoog borrelen van luchtbelletjes.
- Leven is wakker worden in een snelstromende rivier, meegesleurd worden over watervallen en stroomversnellingen en uiteindelijk in diezelfde rivier verdrinken.
- Dan zouden de dames en één heer die deel uitmaakten van de krans als papegaaien uit een mand door de deuren van de kerk naar buiten komen fladderen en zich kwetterend op de tafel met broodjes naast haar storten.
- In de voorzaal van tante Helen leek de tijd te verstrijken als stroop die langs een flessenhals druipt.
De beeldende manier waarop ze beschrijft hoe het moet voelen om een hartaanval te krijgen is aangrijpend.

Ik kan mij vinden in de conclusie van Eltje Borst (Het Financieel Dagblad, 11 mei 2002): Een knap geconstrueerd verhaal, aangrijpend, met veel lagen en mooie details.

Annette de Vries - Scheurbuik. Amsterdam, Atlas, 2002. Paperback, 2e dr., 319 pg., isbn 9045011611. (N.B. Beide genoemde boeken zijn alleen nog tweedehands verkrijgbaar of via de bibliotheek).

©Jannie Trouwborst, 29 november 2011.

(Dit is een bewerking van een ouder blog t.b.v. #MSL2018)

vrijdag 30 maart 2018

Gerbrand Bakker - Rotgrond bestaat niet

Toen Gerbrand Bakker in 2006 zijn debuut voor volwassenen Boven is het stil publiceerde, kon niemand, ook hijzelf niet, vermoeden dat deze internationale bestseller hem door o.a de prestigieuze International IMPAC Dublin Literary Award, vertalingen in meer dan 30 talen, verfilming, en inmiddels al de 25ste druk in Nederland, de mogelijkheid zou bieden om een huis in de Eifel te kopen, met een grote tuin er omheen en een stuk bos. Inmiddels woont hij er vijf jaar en is hij ook al vijf jaar bezig met de verbouwing van zijn huis en de aanleg van zijn tuin. Via zijn columns in  De Groene Amsterdammer, Trouw en Onze eigen tuin was daar geregeld iets over te lezen. Ook in zijn weblog Dingetjes enzo houdt hij nog steeds zijn lezers op de hoogte van zijn bezigheden.

Vóór zijn verhuizing naar de Eifel verschijnen nog enkele mooie romans: Perenbomen bloeien wit (2007), Juni (2009) en De Omweg (2010). Daarnaast nog de nodige non-fictie. In het nieuwe huis richt hij een aparte schrijfkamer in. Toch laat een nieuwe roman op zich wachten. Niet dat er niet geschreven wordt: uiteraard  de columns en artikelen, non-fictie boeken. Maar een overvolle agenda met lezingen en boekpresentaties in het buitenland is niet bevorderlijk voor het je rustig bezinnen op een nieuwe roman. Druk van buiten werkt averechts op de creativiteit van menig schrijver. Bakker stort zich op zijn huis en Eifeltuin en krijgt gezelschap van Jasper, een Griekse zwerfhond. En al heeft Jasper zo zijn eigenaardigheden, Bakker is dol op hem. En eindelijk kan hij zich er toe zetten weer te gaan schrijven, een autobiografie dit keer, in dagboekvorm, met daarin ook een belangrijke rol voor Jasper.
Voorjaar 2016 verschijnt Jasper en zijn knecht . Met een trieste epiloog: Jasper is vlak na voltooiing van het boek binnen korte tijd aan een onduidelijke ziekte overleden. Bakker mist hem nog steeds. Maar toch is het juist Jasper die hem over een drempel heeft geholpen. In het dagboek staan niet alleen de dagelijkse avonturen met Jasper. Hij haalt ook herinneringen op en maakt korte metten met frustraties en ergernissen van vroeger. Dankzij deze dagelijkse schrijfroutine ligt er nu weer een boek dat er wezen mag, ondanks zijn drukke overige bezigheden.

Combineer een schrijvende hovenier met een tuin in de Eifel, met het thema Natuur van de boekenweek en je komt vanzelf bij Bakker uit. Rotgrond bestaat niet: over cultuurlandschap en natuur luidt de titel van een bundel met stukjes van twee tot ruim tien pagina's over de meest uiteenlopende onderwerpen. In een enkele wordt verwezen naar een column of artikel dat eerder elders verscheen, maar de rest is speciaal voor dit boek geschreven. En hoe! Vol zelfvertrouwen en met de nodige humor kiest hij zowel voor serieuze onderwerpen, als doodnuchtere constateringen die sommige lezers wellicht op de kast jagen. Mopperen doet hij ook graag, maar de ondertoon is altijd lichtvoetig. Alleen als het over Jasper gaat of over andere honden, die bij hem komen logeren, wint de gevoeligheid het en de weemoed.
Zelden gebeurt het mij dat ik een non-fictieboek moeilijk kan wegleggen, maar dit is zo afwisselend en boeiend geschreven, dat je door blijft lezen. Met verrassende waarnemingen en constateringen. Over de maakbaarheid van natuur, de zin en onzin van het bestrijden van exoten, over de schoonheid van cultuurlandschap, over een tuin vol herinneringen, wandeltochten in Wales en vakantie in Griekenland met rotgrond, of toch niet? Filosofische doordenkertjes en gewetensvragen houden de lezer bij de les.

Hij sluit af met De laatste tuindag. De winter komt er aan. Er zijn nog wat karweitjes in zijn Eifeltuin te doen. Als alles klaar is, trekt hij zijn wandelschoenen aan en maakt een lange wandeling rondom het dorp. Ook zonder hond kun je wandelen, ontdekt hij en dan zie je weer heel andere dingen. In de schemering keert hij terug.

"Ik zit in de schrijfkamer. Kijk naar de enorme beuken aan de overkant van de weg. Geen enkel blad meer aan de bomen, in de winter is de wereld veel groter. Het steile weitje is wit. Sneeuw. Stilte. Winter. Tijd deze tekst af te sluiten. Tijd voor fictie."

"Gerbrand Bakker is een rasschrijver" volgens Trouw. Klopt helemaal. En met die fictie komt het ook wel goed.

Gerbrand Bakker - Rotgrond bestaat niet: over cultuurlandschap en natuur. Amsterdam, Cossee, 2018. Pb., 205 pg., ISBN:978-90-5936-799-9.

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

zaterdag 17 maart 2018

Joke J. Hermsen - Rivieren keren nooit terug

Joke Hermsen is schrijfster en filosofe. Beide disciplines beoefent ze, niet alleen los van elkaar, maar ook als elkaar versterkende elementen, in haar romans en essays. Haar vlotte pen maken essays als Windstilte van de ziel (KLIK HIER) en Melancholie van de onrust prettig leesbaar, ook voor lezers zonder een gedegen filosofische opleiding. In haar romans voegt ze daar nog een behoorlijke portie psychologie aan toe zoals in De liefde dus en Blindgangers (KLIK HIER). Ook in Rivieren keren nooit terug vinden we deze kenmerkende elementen uit de andere romans terug.


Ella Theisseling heeft grote moeite de dood van haar vader te verwerken. Het lukt haar niet te rouwen. Komt het doordat ze niet bij zijn sterven aanwezig was, is het de houding van haar moeder, of zijn het de tegenstrijdige gevoelens ten aanzien van hem?  Waarom zijn haar herinneringen aan hem en aan haar jeugd, zo verwarrend? Welke rol hebben ze gespeeld in haar verdere leven? En hoe moet ze nu verder? Om dat te ontdekken besluit ze er een poosje tussenuit te gaan. Ze gaat terug naar een plek waar ze goede herinneringen aan bewaart: naar de oevers van rivier de Gard in de Midi, waar de familie jarenlang de zomervakantie doorbracht en ze haar eerste liefde beleefde.

Via Parijs reist ze per auto in een rustig tempo af naar het zuiden. Onderweg koopt ze een schrift, dat ze wil gebruiken als dagboek van de reis. Maar als ze beseft hoe belangrijk de herinneringen zijn die naar boven komen, besluit ze het schrift ook daarvoor te gebruiken. Daartoe draait ze het schrift om en begint met het noteren daarvan achterin. Ze beschouwt het als een symbool van haar zoektocht: ergens in het midden zullen heden en verleden bij elkaar komen. Ook in de structuur van de roman werkt het zo: heden en verleden wisselen elkaar af, waarbij het verleden niet chronologisch gepresenteerd wordt, maar zoals het zich, vaak via associaties, aandient.
De jeugdherinneringen zijn geschreven in de ik-vorm en de tegenwoordige tijd, alsof ze haar nog levendig voor de geest staan. De reis in de zij-vorm en de verleden tijd, waaruit we al symbolisch af mogen leiden, dat ze deze zoektocht achter zich gelaten heeft. Dat ze er gelouterd als een anders mens uit zal komen. En dat de herinneringen altijd een onderdeel van haar toekomstige leven zullen zijn.

Voor mij was het eerste hoofdstuk in het eerste van de vijf delen die het boek telt een waar hoogtepunt. Zelden heb ik iets gelezen dat zo goed weergeeft hoe pubers zich voelen en gedragen. Hoe ouder je wordt, hoe moeilijker je daarbij lijkt te kunnen komen. Maar dit was herkenbaar en roept direct je eigen herinneringen naar boven. Het laatste hoofdstuk, waarin Ella de balans opmaakt en de toekomst weer met vertrouwen tegemoet durft te zien, is eveneens een hoogtepunt. Wat niet wil zeggen dat er daar tussenin geen bijzondere stukken voorkomen.

Naast deze hoofdlijn zijn er nog enkele andere draadjes die het verhaal een zekere spanning moeten geven: hoe was het verloop van haar jeugdliefde, ziet ze hem ook nog terug? Bestaat er een verwantschap tussen haar vader en een Franse baron? Heeft hij Russisch bloed? Is ze wellicht familie van een schilder uit die familie waar ze bij toeval op afstudeerde? Of is dat geen toeval? En dan is er nog een ontmoeting met een Spaanse antiquair die op zijn beurt weer een steentje bijdraagt aan haar catharsis.

Ik weet zeker dat lezers met een klassieke scholing op veel intertekstuele verwijzingen zullen stuiten. Ook degenen die hun jaarlijkse vakanties in Frankrijk doorbrengen zullen ongetwijfeld meer genieten van de cultuurhistorische plekken die Ella tijdens haar reis aandoet. Het beeld met de beschadigde Januskop dat ze in een van de plaatsen ziet, herken ik nog wel als symbool voor haar reis. Hoe kun je naar de toekomst kijken, als je het verleden geen plaats kunt geven. Ook mijn kennis van kunstgeschiedenis is beperkt, terwijl ook dat een rol speelt in het verhaal. Naar mijn idee meer als aankleding, dan als symboliek. Maar ook dat kan ik mis hebben.

Toch heb je die kennis niet perse nodig om van de filosofische en psychologische kanten te genieten. En van de schrijfstijl. Mooie meanderende zinnen, waarin natuurschoon, gedachten, herinneringen, indrukken en gevoelens tot uitdrukking worden gebracht. Na de laatste bladzijde overviel me een bepaalde melancholie en de behoefte mijn eigen herinneringen eens te bekijken.
Maar ook om op een filosofische manier naar het fenomeen herinnering te kijken. Wat gebeurt er als je herinneringen opschrijft? Worden het daarmee gestolde waarheden? Terwijl herinneringen toch soms ook veranderen in de loop van een leven. Het leven kan alleen maar achterwaarts worden begrepen, terwijl we het voorwaarts moeten leven (Søren Kierkegaard) ondervindt ook Ella. 
Rivieren keren nooit terug, luidt de titel. En hoewel de rivier niet lijkt te veranderen, is het water dat er nu door stroomt niet hetzelfde als dat van vroeger. Wat wel blijft, is de rivierbodem waarop Ella staat als ze in het laatste hoofdstuk haar conclusies trekt.

"Tijd is stromend water, maar haar herinneringen vormden de bodem, met kleinere en grotere obstakels, stenen, leem en zand, waarlangs het water zijn weg zocht. Elke druppel water die aan haar voorbij raasde, had over de bodem van het verleden geschraapt, over de zachte en de scherp uitstekende stenen en had daar iets losgewoeld en opgenomen zijn stroom, een stukje mos, een korrel zand, en dit alles bepaalde het moment waarin ze zich nu bevond. Ze kon die stenen en obstakels niet wegpoetsen of doen alsof ze niet bestonden. Het water moest erover heen stromen, en er telkens opnieuw zijn gang langs zien te vinden. Dit is het moment, dacht ze, waarop het verleden nog nakolkt, maar de toekomst als een vermoeden, net na de bocht gelegen, al voelbaar wordt."

Joke J. Hermsen - Rivieren keren nooit terug. Amsterdam, Arbeiderspers, 2018. Pb., 262 pg., 978-90-295-0543-7

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

zondag 11 maart 2018

Jan Terlouw - Natuurlijk

De Boekenweek 2018 heeft als thema Natuur. Een goed gekozen thema dat tal van invalshoeken kent. Met aan de ene kant de schoonheid en wonderen der natuur en onze beleving van wat ons zo vanzelfsprekend lijkt te omringen en waar we een onlosmakelijk onderdeel van zijn. Maar dat ons ook met neus op de feiten drukt: we leven in een periode die doorslaggevend kan zijn voor het bestaan van menselijk (en ander) leven op aarde.

De catalogus van de boekhandel staat vol met prachtige boeken over het onderwerp. Niet zo'n gek idee om jezelf (of een ander) te verwennen met één van de vele titels. En natuurlijk krijg je dan ook het boekenweekgeschenk cadeau, dit jaar geschreven door Griet Op de Beeck. Ik ben er nog niet in begonnen, maar kijk daar wel naar uit. Eerst wilde ik iets anders lezen.


Zoals elk jaar is er ook dit jaar weer een essay verschenen over het thema. Met als ondertitel: Een ode aan de natuur en een pleidooi voor duurzaamheid, schreef Jan Terlouw het, met als titel: Natuurlijk. Het is een hartstochtelijk pleidooi om de aarde in betere staat achter te laten voor volgende generaties. In 64 pagina's en 6 hoofdstukken legt Jan Terlouw uit hoe we bezig zijn de natuur te overvragen en wat de gevolgen daarvan zijn, niet alleen in de toekomst (als we niets doen) maar ook nu al. Zijn uitleg is helder en zijn voorbeelden aansprekend. Het is een dwingende oproep aan zowel de individuele burger als aan de politiek. Geen belerend vingertje, maar een uiting van zijn grote bezorgdheid om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Laat het maar aan Jan Terlouw over om daar op een prettig leesbare manier over te schrijven. Nog altijd vindt hij Nederland een van de mooiste landen van de wereld. Het groen, het water, de dijken, de jagende wolken, de wisseling der seizoenen, het fascineert hem mateloos. Hij kan er bevlogen over schrijven. Maar hij is ook bezorgd, want de natuur is in gevaar. Het tijdperk van het Antropoceen is aangebroken: het menselijk handelen heeft inmiddels een allesbepalende invloed op de toestand van de aarde. Wat de aarde in 4,5 miljard jaar heeft ontwikkeld, is in de afgelopen eeuw in rapt tempo verwoest. De klimaatverandering is een feit. Het is niet te laat, maar het is wel de hoogste tijd voor drastische maatregelen.
Hij maakt duidelijk dat het een kwestie is van de juiste keuzes maken: technisch en economisch is het heel goed mogelijk om een ommezwaai te maken naar een duurzame wereld: er is overvloed en we kunnen bijna alles. Het echte probleem is politiek en maatschappelijk. De bevolking moet weten wat er aan de hand is en welke gevaren hun nakomelingen bedreigen. Daarvan ligt een eerste verantwoordelijkheid bij de politici. Niet een toekomstige stembusuitslag, maar de veiligheid van de bevolking op lange termijn zou het uitgangspunt moeten zijn bij het nemen van maatregelen. Kiezers informeren en een langetermijnvisie presenteren en daarbij leidend optreden. Daar ontbreekt het tegenwoordig nogal aan.

Hoewel de boodschap serieus is en ons een sombere toekomst voorspelt als er niet snel iets verandert, maakt Terlouw ons ook deelgenoot van zijn vertrouwen in de jeugd. Zij zijn het die nieuwe manieren en kansen zien om deze dreiging aan te pakken en daar enthousiast mee aan de slag gaan. Als er één generatie is die het tij nog kan keren, zijn zij het.

Daarom heeft zeker zin om gelijk met het mooie natuurboek dat je jezelf cadeau doet deze week, ook het essay van Terlouw aan te schaffen, het kost maar € 3,50. En misschien zelfs wel meer exemplaren, om uit te delen aan je kinderen en kleinkinderen. Zodat ze op de hoogte zijn van wat er speelt en wat zij eraan zouden kunnen doen. En aan welke politici zij het vertrouwen willen geven om namens hen de juiste maatregelen te nemen voor het veilig stellen van hun toekomst.

Jan Terlouw - Natuurlijk. Amsterdam, CPNB/De Kring, 2018. Pb., 64 pg. ISBN:978-90-5965-434-1.

© Jannie Trouwborst, maart 2018.

vrijdag 23 februari 2018

Anita Terpstra - Het huis vol

Hoe hebben mijn grootouders dat klaargespeeld, vraagt Anita Terpstra zich af, als ze zelf moeder wordt en zich realiseert dat zowel haar vader, als haar moeder in een wel heel groot gezin opgroeiden. Bij haar vader Sake waren ze met 7 kinderen en bij haar moeder Geertje met zelfs 14. En hoe was het voor de kinderen? Was het gezellig, kregen ze wel voldoende aandacht en welke invloed heeft het gehad op hun volwassen leven? Was er verschil tussen de oudste of de jongste zijn? En hoe gaan ze nu met elkaar om?


Niet alleen de familieband wakkert haar nieuwsgierigheid aan. Het feit dat ze journalist is, is uiteindelijk de reden om te proberen er meer over te weten te komen en er een boek over te schrijven. Daarvoor heeft ze de hulp van haar ouders, tantes en ooms nodig. Bijna allemaal stemmen ze toe en vertrouwen haar hun verhalen toe. Van de 21 werken er 18 mee: haar oudste tante is verstandelijk beperkt, één oom is al overleden en één oom wil niet. Vanwege te pijnlijke herinneringen, vermoedt ze. De anderen zijn openhartig genoeg om haar een indringende blik op het leven in hun grote gezin te gunnen. Anita Terpstra heeft met Het huis vol, een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin met behulp daarvan een boeiend verslag geschreven.

In het voorwoord gaat ze in op de dilemma's waarmee ze te maken krijgt. Haar familieleden hebben haar in vertrouwen genomen, maar moet alles wel verteld worden? Er zijn zeker pijnlijke waarheden bij, maar ook onderlinge ruzies en zaken die iedereen zich net even anders herinnert. Gesprekken met vreemden, die ook uit zulke grote gezinnen komen, sterken de journalist in haar, om toch door te zetten, met zoveel mogelijk respect voor alle betrokkenen.

Eerst komt het gezin van haar moeder, de familie Borger aan de beurt. Na een stamboom (die heel handig is bij het lezen) vertelt Anita Terpstra steeds het verhaal van één kind tegelijk, te beginnen met de oudste. Dat blijkt een goede strategie. Elk kind krijgt zo volop de aandacht die er vroeger niet was, zonder de anderen als stoorzender er doorheen. Het maakt het eigen verhaal zuiverder, persoonlijker. En ook vaak anders dan dat van de broers en zussen. Maar erg is dat niet: het gaat om de ervaring, niet om het achterhalen van een gemene deler.

Het tweede deel is voor de familie van vaderszijde, de familie Terpstra. De structuur is hetzelfde. Het verhaal is anders door het vroege overlijden van moeder Aaltje, waardoor vader Dorus alleen voor zijn 7 kinderen moest zien te zorgen.

Tussen de verhalen van de afzonderlijke kinderen staat steeds een informatief hoofdstuk met feitelijke gegevens over een besproken onderwerp, zoals Grote gezinnen en de invloed van de kerk, Het huishoudboekje, Vernoemen, Gezinsverzorgster, Roken, enz. Intermezzo's, die de verhalen aanvullen of juist tonen waar ze afweken van de norm.

De manier waarop Anita Terpstra de verhalen van de broers en zussen vorm gegeven heeft, maakt dat het een prettig leesbaar boek is geworden. Elk verhaal is een combinatie van een korte weergave van de situatie nu en van haar gesprek daarover met de betrokkene enerzijds en een deels gefictioneerde weergave van de anekdotes en herinneringen anderzijds. Deze keuze maakt het mogelijk je in te leven in de gebeurtenissen die de kinderen uiteindelijk gevormd hebben, schrijnende verhalen vaak, die ze niet altijd zo ervoeren destijds, maar die nu vragen oproepen, bij de één meer dan bij de ander. 

"Achter haar klinkt het geluid van fietsbellen en stemmen. Geeske draait zich om en ziet een groepje fietsers naderen. Met haar hand beschermt ze haar ogen tegen de felle zon.
Hé, Geeske ga je mee?
Ze geeft geen antwoord. Ze gaat niet meer naar school. Ze wil graag schooljuf worden, maar ze moet ma helpen. En niet alleen ma. Ze wordt overal naartoe gestuurd om te poetsen. Naar Geertje, of naar haar schoonzus Nienke. 
Ze pakt een handdoek en hangt hem met knijpers aan de lijn. Het wasgoed wappert vrolijk."

Het verschil  tussen de jongsten en de oudsten is duidelijk aanwezig, ook als ze eenmaal volwassen zijn. Ze hebben onderling niet veel contact meer, het grote gezin is in groepjes uiteen gevallen. Het leeftijdsverschil is vaak gewoon te groot. Maar ook karakters spelen mee en de taak die ze in het gezin moesten vervullen.

Het komt allemaal helder naar voren en geeft ongetwijfeld een herkenbaar beeld voor wie opgroeide in een dergelijk groot gezin, dat met moeite de eindjes aan elkaar wist te knopen. Het boek doet een beetje denken aan Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer (KLIK HIER), waarin deze schrijfster het grote katholieke gezin van haar vader aan het woord laat, over hun jeugd en over de manier waarop ze nu gezamenlijk hun moeder verzorgen die na een hersenbloeding niet meer kan spreken. Die verzorging is de rode draad waar de rest van de roman omheen gecomponeerd is.
In het huis vol ontbreekt die rode draad. Of het moest de armoede zijn en de overlevingsdrang die niet alleen de grootouders maar ook de kinderen kenmerkt. Maar het verhaal over deze beide Friese families is minstens zo boeiend geschreven. En niet alleen als herkenning voor kinderen uit vergelijkbare gezinnen.

Anita Terpstra - Het huis vol. Een geschiedenis van het naoorlogse grote gezin. Amsterdam, Hollands Diep, 2018. Pb., 286 pg., ills. ISBN:978-90-488-4254-4.

© Jannie Trouwborst, februari 2018.