maandag 22 april 2019

Het Bureau en ik: Aflevering 2

In Zeeuws-Vlaanderen worden geregeld streekvertelavonden gehouden, net zoals naar alle waarschijnlijkheid in vele andere delen van Nederland met een eigen streektaal. Wij wonen als import hier lang genoeg om ze te kunnen volgen en we doen dat dan ook met plezier. Op 20 maart was het Wereldverteldag en omdat te vieren organiseerde de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) een vertelmiddag in Sas van Gent. Uiteraard waren wij weer van de partij.

Het Bureau in Zeeland

In deel 2 (Vuile handen) ben ik ondertussen een eind gevorderd. Ik leer de medewerkers steeds beter kennen en begrijp ongeveer hoe het Bureau in elkaar zit. Met afdelingen voor Volksnamen, Volkstaal en  Volkscultuur. En inmiddels ook één voor Volksmuziek.

Legende van Jantje van Sluis
Op de vertelmiddag in Sas van Gent maakten we kennis met de Zeeuwse variant van het Bureau, de SCEZ. Sankie Koster is één van onze favoriete verhalenvertelsters. Ze opende de middag met een verhaaltje waarin halverwege de "hulp" werd ingeroepen van een medewerkster van de SCZE. Het ging over wat wij als import "zure zult" zouden noemen. "Oe noemen julder da?" vroeg Sjankie en er kwam een stortvloed aan termen los. De medewerkster mocht opdraven om licht op de zaak te werpen. Grofweg werden drie termen het meest genoemd, voor oost, west en midden Zeeuws-Vlaanderen. "Maar", ging ze enthousiast verder, "aan de overkant (Walcheren, Zuid-Beveland en verder Schouwen-Duiveland) komen weer totaal andere woorden voor voor bijna hetzelfde product. Het water (Wester- en Oosterschelde o.a.) zorgt ervoor dat er in deze provincie veel verschillende dialecten gesproken worden. Waarbij die van Zeeuws-Vlaanderen helemaal apart is door de vermenging met Vlaamse woorden." Ik begon kaarten voor me te zien met grenzen voor "zure zult".

Dat was een aardig intermezzo. Nu verder met de vertelmiddag?  Maar toen maakte Sjankie de vergissing te vragen wat nu precies het verschil was tussen verhalen, legenden en mythen. Vol enthousiasme stortte de medewerkster van de SCEZ zich op die vraag en hoewel interessant, zaten de meeste streekgenoten niet op zo'n uitgebreid antwoord te wachten en moest Sjankie haar tenslotte, vriendelijk bedankend, weer naar haar plaats sturen. Het werd een genoeglijke middag, met zelfs nog wat volksliedjes.
(Let wel: geen kwaad woord over de SCEZ! Ze doen goed werk. Kijk maar eens op hun site.)

De kaartcatalogus

Ik vraag me oprecht af of mensen onder de 45 zich voor kunnen stellen hoe het was om zonder computer een catalogus te ontwerpen en bij te houden, en boeken, artikelen en knipsels zo op te bergen dat ze ook weer gevonden konden worden. Daarom kan ik ook erg genieten van de periode waarin ik nu beland ben en waarin Maarten met zijn medewerkers, waaronder een documentalist, knipsels aan het beoordelen is. Wat bewaren we, waar bergen we het op?
Nu worden er achteloos een berg tags aan een gedigitaliseerd fiche toegevoegd en klaar is Kees. Zelfs hele boeken en artikelen zijn gedigitaliseerd en op een willekeurig woord uit de tekst terug te vinden. Dan hoef je ze fysiek dus ook niet meer op te slaan: je kunt ze digitaal opzoeken en lezen.

Frederik Müller Academie
Hoe anders was dat toen ik van de Frederik Müller Academie kwam, zoals de bibliotheek- en documentatieschool destijds heette. Vlakbij onze school stond toen de eerste Openbare Leeszaal en Bibliotheek van Amsterdam aan de Keizersgracht (van 1919). Als je een recensie van een boek wilde lezen, dan kreeg je daar een mapje met de originele knipsels uit kranten en tijdschriften te zien. En dan maar overschrijven, want kopieerapparaten waren nog niet algemeen voor handen.
Lastiger werd het zgn. titelbeschrijven. Een boek of artikel moet ergens opgeborgen worden, maar ook terug gevonden kunnen worden. Voor elke auteur (ook als het er drie zijn) moest een kaartje geschreven (of getypt) worden voor in de alfabetische auteurscatalogus. Dan een kaartje voor de titelcatalogus en tenslotte een of meerdere voor de onderwerpen catalogus. Op allemaal moest de plaatsaanduiding staan van waar het boek of artikel gevonden kon worden.

Voor romans in de Openbare bibliotheek was je redelijk snel klaar met je kaartjes. De boeken stonden op alfabet van (de eerste) auteur in de kast. Voor de non-fictieboeken was het lastiger. Gelukkig was daar een systeem voor opgezet: SISO (KLIK HIER). Alle kennis en wetenschappen waren erin vertegenwoordigd, met onderverdeling. Dat nummer bepaalde de plek in de kast, zodat bv. alle kookboeken of alle boeken over Van Gogh bij elkaar stonden. Maar toch was er ook nog een trefwoordencatalogus nodig om te kunnen zien welke boeken over bv. Van Gogh aanwezig waren. En welk nummer die hadden, want voor de bezoekers was de SISO niet altijd even gebruiksvriendelijk. Voor wetenschappelijke en speciale bibliotheken bestaat een vergelijkbaar, maar uitgebreider internationaal systeem: UDC (KLIK HIER).

Kaartcatalogus
Waarom deze uitweiding? Ten eerste omdat het mij verwondert dat er op Het Bureau niets gedaan werd met de UDC voor het knipselarchief. (Voor de bibliotheek heb ik nog niets kunnen lezen daarover). Wat een heidens karwei haalden Maarten en zijn medewerkers zich op de hals door zelf een bewaarsysteem en indeling te ontwerpen. Ten tweede om duidelijk te maken hoe ontzettend veel er veranderd is door de digitalisering. Wat nu zo vanzelfsprekend wordt gebruikt, was 50 jaar geleden ondenkbaar en het alternatief zeer bewerkelijk. Bekijk het kaartje maar eens aan de binnenzijde van een boek en probeer je te realiseren waar allemaal een apart fiche voor geschreven en opgeborgen moest worden....

Het personeelsverloop

Het verloop onder het personeel van het Bureau is enorm. Er nemen mensen ontslag, gaan met pensioen of dood, er worden nieuwe mensen aangenomen op verschillende afdelingen. Er zijn allerlei commissies. Ik ben nog steeds blij met het boekje Ingang tot het Bureau van J.J. Voskuil. Ik pak het er geregeld bij. Ook de gebeurtenissen blijven boeien. Al zijn ze niet bijzonder, het is de wijze waarop een en ander beschreven wordt en de manier waarop de karakters tot leven komen, die het aantrekkelijk maken om te blijven lezen.
De afwisselingen met de stukken die niet op kantoor spelen, maar thuis of bij vrienden of in alle eenzaamheid, raken en doen de soms lachwekkende situaties op Het Bureau even naar de achtergrond verdwijnen. Ook de tijdgeest boeit. Ik ben bijna bij de periode dat ook ik aan mijn werkzame leven begon.

Tot slot

Ik lees niet achter elkaar door, maar lees ondertussen ook andere boeken. Dat is geen enkel probleem, ik pak de draad zo weer op. En ook daar is De Ingang tot het Bureau handig voor: er staat een beknopte samenvatting van elk jaar in.

Volgende maand weer een nieuw bericht. 

© Jannie Trouwborst, april 2019.

zaterdag 6 april 2019

Het Bureau en ik: Aflevering 1

Na het lezen van De Buurman en De moeder van Nicolien ben ik enthousiast aan het eerste deel van Het Bureau begonnen. Laat ik 2019 maar uitroepen tot mijn Voskuil-jaar. 
Ik ga geen recensies over Het Bureau schrijven, maar geregeld hier een blogje plaatsen met mijn vorderingen en bevindingen.

Kort na het plaatsen van het blog over De moeder van Nicolien heb ik via de bieb het e-book van Deel 1: Meneer Beerta op mijn tablet geladen. Ik lees het liever als een echt boek, maar ik was te nieuwsgierig om te wachten tot het gereserveerde exemplaar opgestuurd werd naar onze dorpsbibliotheek. Ik wilde er vast even van proeven.  Op 6 februari was ik al op bladzijde 67. Dat dat niet overeen komt met het papieren boek ontdekte al snel. Want ik was intussen zo enthousiast dat ik, misschien wel heel overmoedig, de hele serie bestelde....

De start

Al vrij snel na het begin van het verhaal stuit ik op twee citaten. Ik schrijf ze over in een speciaal voor het project aangeschaft notitieboekje.

pg.4 "In zijn ogen was Beerta het levende bewijs dat je jezelf zo van de buitenwereld kan afschermen, dat je onaantastbaar blijft. Dat trok hem aan." 

pg. 5 "Als er één uithoek was in het Nederlandse wetenschappelijke bestel zonder enige pretentie, dan was het deze." ( lees: de Atlas voor Volkscultuur).

Maarten wordt op 1 juli 1957 aangenomen als wetenschappelijk medewerker. Hij maakt kennis met de andere medewerkers van Het Bureau. Een aantal van hen kent hij al van vroeger. Mij begint het even te duizelen, zoveel namen en posities. En ook even zovele, soms vileine en rake, beschrijvingen van deze personages. Ik gebruik mijn aantekenboekje om ze allemaal te noteren met voorlopig alleen hun functie erbij.
Ik probeer of ik op internet wellicht meer duidelijkheid kan krijgen over de medewerkers van het Bureau en stuit op verschillende sites die uitgebreid ingaan op o.a. de werkelijke personen die schuil gaan achter de gefingeerde namen van Voskuil. Daar heb ik op dit moment niet zo'n belangstelling voor. Ik wil vooral het verhaal beleven, zonder verdere bijgedachten. Ik noteer de webadressen en laat het rusten.

Dan komt al snel een fragment dat ik herken: de eerste bladzijde uit De moeder van Nicolien. Het past er probleemloos tussen. Maarten viert zijn verjaardag op de eerste dag dat hij begint met werken bij het Bureau. Zijn schoonmoeder denkt dat hij haar voor de gek houdt als hij haar zegt dat hij onderzoek doet naar het geloof in kabouters.
Nicolien heb ik leren kennen in De Buurman. Dat was een andere Nicolien dan in De moeder van... In wat ik tot zover las in Het Bureau zie ik toch weer meer de onredelijke, overgevoelige en labiele echtgenote uit De Buurman. Ik ben benieuwd hoe zich dat verder zal ontwikkelen.

pg. 41 "Door wie wordt Veerman eigenlijk begeleid? "vroeg Maarten. "Door Wiegel". "En als er problemen zijn?" "Die zijn er niet" antwoordde Beerta. "Wiegel is een geboren bibliothecaris. Als er problemen zijn, dan lost hij ze op". (Veerman is de beheerder van het knipselarchief. Puur om (misplaatste) persoonlijke redenen sprak dit citaat me als bibliothecaresse aan).

Pg. 42 "Wat ben je stil" zei Nicolien. "Is er iets"? "Er is niets", antwoordde hij. Wat volgt is weer één van die onredelijke gesprekken en verwijten van de kant van Nicolien. Schrijnend als je weet hoe ongelukkig hij zich op zijn werk voelt. En thuis daarvoor geen uitlaatklep vindt. Hij loopt tenslotte weg en wandelt malend door nachtelijk Amsterdam. Als hij thuis komt slaapt Nicolien al.
"Eenmaal in bed voelde hij zich zo triest dat hij moeite had zijn tranen te bedwingen". 

Ik vraag me af of het gehele boek zo beklemmend zal blijven.

Het vervolg

9 februari:  Vandaag komen de zeven bestelde delen en er zit nog een extra boekje bij: Ingang tot het Bureau van J.J. Voskuil. Dat komt goed van pas, want er komen heel veel personen in voor. In het begin zoek ik ze er geregeld even in op.

Het wordt steeds duidelijker dat Maarten het niet naar zijn zin heeft, dat hij problemen heeft in de omgang met sommige collega's en dat de verhoudingen op Het Bureau erg formeel zijn. Je zou kunnen denken: wat saai als er weinig meer in staat. En toch is dat niet zo. De gebeurtenissen zijn hilarisch, droogkomisch en dramatisch tegelijk. Dramatisch (in mijn ogen) omdat ik de worsteling van Maarten Koning als authentiek ervaar. Ik begin moeite te krijgen met het al dan niet autobiografische gehalte van het boek.

Het is duidelijk dat van de andere hoofdpersonen karikaturen zijn gemaakt. Dat maakt het lezen ook zo leuk. Naar mate het verhaal vordert, kun je hun gedrag eigenlijk al voorspelen. Ik herken figuren uit mijn eigen "kantoorleven", eind jaren 60. Met name juffrouw de Haan maakt bij mij heel wat onprettige herinneringen los.

Wat mij verwart is de vraag in hoeverre Voskuil Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien (als alter ego's) ook aangepast heeft. Dat zal best en voor de gebeurtenissen thuis of op kantoor is dat ook niet zo van belang. Maar zijn houding t.o.v. zijn werk, de moedeloosheid die hij ervaart en de zinloosheid die hij tracht het hoofd te bieden. Wat moet ik daar van denken? Het komt heel authentiek over.
Nu weet ik ook wel dat je zelfs een grotendeels autobiografisch boek niet mag beschouwen als een weergave van de werkelijkheid. Het is en blijft een roman. Maar toch, het leven is soms een echte worsteling voor Maarten Koning. Met een willekeurige romanfiguur kun je enigszins meeleven, maar beseffen dat een verhaal grotendeels op waarheid berust, maakt het voor mij af en toe schrijnend.
Er schijnt een boek te bestaan met de titel: Ik ben ik niet. Misschien moet ik dat maar eens erbij nemen.

Toeval?

Er gebeuren de laatste tijd zaken die allemaal op de een of andere manier aansluiten bij Het Bureau. Daarover later meer. Maar eentje moet ik hier toch noemen. Via Twitter kwam ik op de site van Neerlandistiek "In memoriam Blok" tegen, geschreven door Jan Berns. Je kunt het HIER lezen.  Uiteraard komt daarin ook Het Bureau ter sprake, want Dick Blok was in Het Bureau Jaap Balk. De auteur van het stuk is in het boek trouwens Huub Pastoors. 

Deel 1 is uit. Het is inmiddels 1965. Meneer Beerta neemt afscheid en Jaap Balk volgt hem op als directeur. Tot opluchting van Nicolien die het al vreselijk vindt dat Maarten werkt en zeker niets moet hebben van een man die directeur wordt. Maar ook Maarten zelf ziet dat niet zitten.

Ik ben nog niet in deel 2 begonnen. Even pauze genomen om wat anders te lezen. De oorspronkelijke boeken kwamen ook niet allemaal tegelijk uit. Maar vanaf vandaag ga ik er weer ruimte voor maken.

Wordt vervolgd dus.

J.J. Voskuil - Het Bureau I - Meneer Beerta. Amsterdam, Van Oorschot 1996. 

© Jannie Trouwborst, april 2019.

dinsdag 2 april 2019

Jan Siebelink, Louis Ferron en Lilian Blom

Over het boekenweekgeschenk van dit jaar zijn al heel wat analyses, meningen en relativeringen voorbij gekomen. Daar ga ik geen steentje meer aan bijdragen. Maar toch wil ik er aandacht aan besteden en wel om een heel andere reden dan verwacht misschien. Het gaat mij om een van de hoofdpersonen uit het verhaal: Loetje IJzertje. Zoals Siebelink in een interview zelf vertelde, is die gemodelleerd naar zijn goede vriend Louis Ferron.


Louis Ferron 1942-2005
Het toeval wil dat Gerbrand Bakker deze week in Trouw in zijn column Namenlijst (KLIK HIER) schreef over 70 schrijvers die vergeten lijken en ten onrechte niet meer in de boekwinkel te vinden zijn. Een fijn gevoel dat ik van meer dan 1/3 van de genoemde schrijvers 1 of meer boeken gelezen heb. Ik heb mijn eigen favoriete schrijvers, maar ik kies daarnaast bij voorkeur juist geen bestsellers en wel de minder besproken schrijvers en daarmee heb ik me tot nog toe altijd heel goed vermaakt. Een bespreking op mijn blog, meer kan ik niet voor ze doen.

Maar hoe vallen deze twee vaststellingen samen? Toeval bestaat niet, maar toch. In de lijst van Bakker wordt Lilian Blom genoemd, die in 2007/2008, een jaar nadat Gerbrand Bakker met zijn Boven is het stil de Debutantenprijs won, op de longlist van deze prijs stond met De Tuinkamer. Een onvergetelijk boek. Het is het ontroerende verslag van de laatste weken uit het leven van Louis Ferron, op zijn verzoek opgeschreven door zijn vrouw Lilian Blom. (Ook toen Vrouwkje Tuinman vertelde over Klaar dat ze bezorgde voor haar partner Starik, moest ik eraan denken. Nog meer toeval.)

Zo leest iedereen het boekenweekgeschenk met een andere focus. Voor mij werd Loetje IJzertje een belangrijke figuur, toen ik hoorde wie ermee bedoeld was. Door De Tuinkamer ken ik zijn persoonlijke geschiedenis en nu kan ik kijken of het beeld dat Siebelink van hem schetst daarmee overeenkomt. En dat spoort me aan nogmaals het prachtige boek van Lilian Blom te lezen. Het boek dat ik destijds naar aanleiding daarvan van Ferron las, zal ik niet herlezen, dat was nogal pittig. Maar van beide boeken heb ik de besprekingen uit het archief van mijn oude blog gehaald en hier opnieuw geplaatst.

Wie ze wil lezen: De Tuinkamer van Lilian Blom KLIK HIER en Het overspelige gras van Louis Ferron KLIK HIER.

Jan Siebelink - Jas van Belofte. Amsterdam, CPNB 2019. Geb., 93 pg. isbn:
9789059654679.


© Jannie Trouwborst, april 2019.

In mij archief zitten nog meer besprekingen van de boeken die op de Namenlijst van Bakker staan. Ik zal de komende tijd eens kijken welke voor herplaatsing in aanmerking komen.

vrijdag 22 maart 2019

Maart 2019: wat las ik?

Deze maand vroeg Sandra ons mee te doen aan de actie: Ik lees Nederlands. Eigenlijk doe ik dat meestal wel, maar als extra uitdaging, stelde ze, zou je eens uit je comfortzone kunnen stappen. Dat heb ik gedaan. Maar daarnaast las ik ook weer twee romans die bij me passen en een dichtbundel. Hieronder het overzicht.

Frederik Baas - Herberekening


Frederik Baas is het pseudoniem van Jan van Mersbergen. Hij gebruikt het voor zijn literaire thrillers, om een duidelijk onderscheid maken met zijn overige werk. Zijn romans lees ik graag en zijn eerste thriller Dagboek uit de rivier beviel me wel, om diverse redenen (volg de link voor de recensie). Het leek dan ook geen groot avontuur om de tweede thriller Herberekening als een uitstapje uit mijn comfortzone te gebruiken.

Samenvatting
In 'Herberekening' komt schoolverlater Leon op straat bij toeval een meisje tegen dat hij van school kent en dat al aan het werk is. Ze rijdt in een huurauto en moet ergens papieren ophalen. Ze vraagt hem om even op de huurauto te passen. Dat doet Leon, het meisje komt echter niet meer terug. Dan hoort hij vanuit de auto de stem van de navigatie: 'Volg de weergegeven route.' Leon besluit in te stappen en de taak van het meisje over te nemen. Hij gaat op pad, zonder te weten waarheen en wat hij vervoert. De navigatie leidt hem. In eerste instantie voelt dat goed: hij heeft een taak en een doel, alles is overzichtelijk en eenvoudig en ook belangrijk. Maar langzaam wordt hem duidelijk dat het een duistere zaak is en hij worstelt met zijn ongevraagde betrokkenheid en daarmee samenhangende schuldvraag.

Het verhaal heeft een aparte structuur: achteraf moet Leon in een politiecel opschrijven in steekwoorden (die de titel van de hoofdstukken vormen) wat er precies gebeurd is. Zo beleven we stapje voor stapje zijn reis en de gevolgen en de bijzondere plot met hem mee. De spanning wordt langzaam opgebouwd en het verhaal wordt naar een onontkoombaar einde geleid. Knap in elkaar gezet, maar toch... Bij Dagboek uit de rivier voelde ik me veel meer betrokken. Ik vermoed dat dat komt omdat ik me maar moeilijk in de hoofdpersoon, de 19-jarige Leon, kon verplaatsen. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat jongeren dat wel kunnen. Eigenlijk vind ik het meer een Young Adult boek. Die zullen het zeker met plezier lezen en zichzelf er ongetwijfeld in herkennen. Voor mij was het niet meer dan een tussendoortje, in afwachting van zijn volgende roman: De onverwachte rijkdom van Altena.

Zonder daar al te veel over te willen verklappen, speelt religie een rol in deze thriller. Dat was nog veel meer het geval bij de beide andere romans die ik las deze maand.

Esther Gerritsen - De Trooster

Van Esther Gerritsen las ik eerder Roxy, een wurgend mooi verhaal over hoe verschillend mensen om gaan met rouw (volg de link voor de recensie). Ik nam mij voor meer van haar te lezen. Eindelijk is daar nu de tijd voor en kon ik De Trooster lezen. 

Samenvatting
Geheel tegen de regels van het klooster in wordt een nieuwe gast opgevangen door Jacob, de conciërge. Aanvankelijk stelt Jacob, zich bewust van de hiërarchie binnen de orde, zich terughoudend op. Maar gaandeweg groeit er een verstandhouding tussen de gelovige conciërge en de gast die een misdaad op zijn geweten heeft. Jacob verliest zich in de aandacht die hij krijgt en is bereid ver te gaan om de vriendschap te behouden.
Esther Gerritsen volgt het verhaal van de conciërge parallel aan het lijdensverhaal van Christus. Op de haar bekende scherpe manier ontleedt ze de relaties tussen mensen, de verwachtingen en belangen die daarbij spelen en ze stelt de vanzelfsprekendheid der dingen ter discussie. 

Bijzonder aan dit verhaal (en ook aan het volgende dat ik hierna zal bespreken) is de religieuze context. De religie speelt in De Trooster een belangrijke rol, toch komt het verhaal niet belerend over. De karakters van de hoofdpersonen en de onderlinge verhoudingen krijgen de meeste nadruk. Knap hoe de religie daarbij een onderschikte rol LIJKT te spelen, maar ondertussen van wezenlijk belang is. Respectvol gebracht, anders kan het niet omschreven worden, naar zowel gelovigen als lezers die daar niets mee hebben. Zoals bij Roxy rouwen om individuele beleving vroeg, geldt dat hier voor de religie. Zo'n worsteling voelbaar maken, dat is wederom gelukt! 

Marie de Meister - De stilte van Thé


Opnieuw een roman waarin de katholieke godsdienst een grote rol speelt. Op een andere manier en met een totaal andere uitwerking.

Samenvatting
De stilte van Thé gaat over Sophie Keller, een succesvolle tv-journaliste. Ze is de dochter van Thé, die liever non wilde zijn dan moeder. Ze bevalt in het klooster en haar dochter wordt opgevangen in een pleeggezin (bij haar zus Toosje). Sophie vermoedt dat ze geen echt kind is van haar pleegouders, maar het wordt haar pas op haar 18de echt duidelijk. Ze raakt op latere leeftijd helemaal in de knoop met zichzelf en besluit uiteindelijk haar moeder op te zoeken om haar te vragen waarom ze haar weggedaan heeft. Dat valt niet mee, want moeder Thé alias zuster Barbara woont in een klooster waarin niet gesproken wordt. Bezoeken kan alleen als er samen gebeden wordt, vragen stellen kan dus niet.
Het verhaal van Sophie tijdens haar crisis wordt afgewisseld met brieven van Thé uit een ver verleden aan haar oudste zus Magda, die non is geworden voor de missie. Door deze brieven in chronologische volgorde af te wisselen met het verhaal van Sophie, kom je als lezer steeds dichter bij de waarheid over het afstaan van Sophie. Zowel de worstelingen van Sophie als die van haar moeder Thé komen zo mooi tot uitdrukking en uiteindelijk vallen ze samen in een voor beiden aanvaardbaar heden. 

Een van de thema’s die in dit boek naar voren komt, is het nurture/nature debat: wordt een kind gevormd door de opvoeding of door de afkomst of is het een combinatie en in welke verhouding dan? En dan daarnaast de vrijheid van het individu om een eigen levensweg te kiezen. In hoeverre moet je daarbij rekening houden met de mensen om je heen. De godsdienst zelf speelt echter een heel andere rol dan in De Trooster. Ze veroorzaakt onnoemelijk veel leed, maar er wordt ook een poging ondernomen om begrip te vragen voor diep religieuze overtuigingen en daar respect voor te hebben, al kun je ze niet helemaal berijpen. Ook hier geen belerende toon, maar vooral een blik op de menselijke worstelingen, met hun (on)geloof, opvattingen en onderlinge verhoudingen. Een verhaal dat nog lang na bleef zingen in mijn hoofd.

Hanny Michaelis - Een keuze uit haar gedichten door J.J. Voskuil

Dat uitgerekend J.J. Voskuil (1926-2008) een persoonlijke keuze maakte uit de gedichten van Hanny Michaelis (1922-2007) was voor mij een aangename verrassing. Soms valt alles op zijn plaats. Mijn allereerste op 20-jarige leeftijd zelf gekochte en nog steeds dierbare dichtbundel was van Hanny Michaelis:  Onvoorzien (1966). Sommige gedichten daarin vond ik terug in de keuze van Voskuil.

Inleiding
"Op zaterdag 1 augustus 1987 at Hanny Michaelis bij ons. Een paar uur later brachten we haar naar huis. Het was een warme zomeravond. Hoewel het al laat was, waren er nog veel mensen op straat. Op de hoek van de Herengracht en de Herenstraat kruiste ons pad dat van Jan Fontijn, Charlotte Mutsaers en hun hond. We groetten elkaar. Voortlopend vroeg ik me af hoe ze ons zagen: de grootste levende dichteres van Nederland en een man die lang geleden een dik boek over studenten had geschreven. Onwaarschijnlijk dat ze dat een van drieën gedacht hadden. Dat vond ík, hoewel ik een woord als "groot" niet gauw in mijn mond zou nemen. De ene dichter is niet groter dan de ander. Desgevraagd zou ik gezegd hebben dat geen andere dichter me zo aanspreekt en weet te ontroeren. Dat is nog zo. En dat zal wel zo blijven." (Inleiding van Voskuil).

In zijn inleiding noemt J.J. Voskuil haar poëzie 'direct, sober en onopgesmukt'. Poëzie die het verdient opnieuw en ook meer gelezen te worden. Ik las de bundel vanuit verschillende perspectieven: puur als de gedichten van H.M. en daarna als de keuze van Voskuil. Want die keuze zegt ook iets over hem. Het meest ontroerd is hij door haar liefdesgedichten, schrijft hij. Het grootste deel van de bundel bestaat daar dan ook uit. Voskuil stelt:

"De neiging om het onvermogen gelukkig te zijn te zoeken in het eigen tekort is terug te voeren op overbewustheid. Bij alles wat ze doet, ook op ogenblikken dat ze gelukkig zou moeten zijn, is er iemand in haar die toekijkt." 
Die manier van het gevoel hebben tekort te schieten, kom ik ook steeds tegen bij Maarten de Koning in Het Bureau, meer daarover een andere keer.

Het laatste gedicht is anders, maar trof me het meest. Het gaat over haar ouders, die in de oorlog weggevoerd werden, terwijl zijzelf als kind ondergedoken zat, en die niet meer terug kwamen.

Met mijn moeder die las
en breide tegelijk
en mijn vader die zes uur
per dag piano speelde
heb ik jarenlang gepraat,
gelachen en ruzie gemaakt
totdat ze werden ingelijfd
bij de legendarische 6 miljoen.
Een getal, waarover na ruim
een halve eeuw nog steeds
wordt geredetwist.
Hun gezichten beginnen te vervagen.
De klank van hun stem is
al bijna ontkleurd. Straks
ben ik er ook niet meer. Dan
zal het zijn alsof wij drieën
nooit hebben bestaan.
 

Hanny Michaelis
(Uit: Tirade, mei 2000)

  
En nu? 
Ik lees nu Foon van Marente de Moor, maar dat krijg ik niet meer uit deze maand. Het eerste deel van Het Bureau is wel uit. Daarover binnenkort een apart blog.

@Jannie Trouwborst, maart 2019.

zondag 10 maart 2019

Februari 2019: wat las ik?

Het was al een poosje stil hier. Wellicht is het sommigen van jullie opgevallen. Geen enkel blog, weinig reacties op Twitter, vrijwel geen Facebook. Het was voor mij even een tijd van bezinning. Ik las wel, maar in bloggen had ik weinig zin. Een paar maanden geleden worstelde ik er ook al mee. Ik dacht de oplossing gevonden te hebben, maar dat viel tegen. Dan is er dus meer aan de hand dan ik aanvankelijk dacht en dat kan ik niet langer negeren.

Wat dat betekent voor dit boekenblog kun je lezen in een persoonlijk stukje onder de titel Een nieuwe fase op mijn andere blog Verbeelding en Historie dat je HIER kunt vinden. Hierbij het eerste blog op Mijn Boekenkast nieuwe stijl.

Mijn leeservaringen van februari

Enthousiast gemaakt door Gerbrand Bakker voor het werk van J.J. Voskuil las ik De moeder van Nicolien (zie de recensie via de link). Daarna volgde Shinrin Yogu een non-fictieboek vertaald uit het Spaans en geschreven door Francesc Miralles en Hector García. Over hoe helend boswandelingen voor de gestresste stadsmens van tegenwoordig kunnen zijn. (Ook die recensie kun je via de link vinden.)

Over wat ik daarna nog las, schreef ik geen recensies meer. Maar ik wil de boeken hier wel even aanstippen. 

- Margje - Jan Siebelink.

Samenvatting:
Margje is een vervolg op Jan Siebelinks bestseller Knielen op een bed violen, het imposante verhaal over een gezin dat door de religieuze vader Hans Sievez te gronde wordt gericht. Ruben Sievez, de zoon uit Knielen op een bed violen, is in Margje een oudere man die gedurende een lange oudejaarsnacht terugkijkt op zijn leven, al dwalend door de leegstaande villa van zijn oom Anton. Daar, in de kelder, vond hij, een jongen nog, op een dag een album met daarin een foto van de oom met een jonge vrouw. In haar herkende Ruben onmiddellijk zijn moeder.

Een verhaal over een heel leven, dat van Margje en haar twee zoons. De jongste is haar lieveling, de oudste voert strijd om die plek in te nemen.


Door Knielen op een bed violen werd ik zo geraakt, dat alles wat ik daarna nog van Siebelink las, me tegenviel. Soms behoorlijk, soms een beetje. Dat is de prijs die een auteur soms betaalt voor een bestseller. Margje (over de vrouw van Hans Sievez) is niet onaardig, maar toch niet overal even sterk. De Buurjongen vind ik beter (voor recensie van beide titels, volg de link)

- Jean-Philipe Desbordes - Aiki, de eeuwenoude Japanse kunst van het ademhalen.


Samenvatting:
Meestal ademen we zonder erbij na te denken. Toch reageert je adem op je emoties: als jij zenuwachtig bent, gaat je adem versnellen en als je bang bent, wordt je adem oppervlakkig en versterkt dat je angst. Als je spierpijn hebt, kun je onbewust verkrampt gaan ademen, wat de pijn dan weer versterkt.
Maar wat als je het omdraait? Door je adem te reguleren kun je je emoties beïnvloeden. Zo blijf je zelfs op stressvolle momenten kalm en adem je je pijn weg!
De kunst van Aiki is eigenlijk heel simpel en iedereen kan het leren. Aiki stamt direct af van de Japanse krijgsdiscipline Aikido, waarbij er een specifieke ademhalingstechniek wordt gebruikt om volledig in je kracht te staan. Verdiep je in de theorie, focus op de oefeningen en adem jezelf sterk, fit en happy!


De uitgeverij Xander vroeg mij het boek te recenseren en omdat ik via de beoefening van de Chinese Tai Chi wel geïnteresseerd ben in deze materie, stemde ik toe. Helaas voldeed het boek niet aan mijn verwachtingen. Waarbij ik niet wil zeggen dat het niet goed zou zijn. Kijk het gerust zelf eens in in de boekwinkel als je in deze materie geïnteresseerd bent.

- Frits van Oostrom - Nobel streven.


Samenvatting:
Rond 1372 kwam op het luisterrijke kasteel Santpoort Jan van Brederode ter wereld in de meest gezegende omstandigheden. Een kleine veertig jaar later sneuvelde hij roemloos, als ridderlijke huurling, in de fameuze Slag bij Azincourt. Nobel streven reconstrueert, als een historische detective, de loop van dit bizarre leven tot in verbluffende details.
Hoe Jan tot tweemaal toe met een gigantisch Hollands leger de Zuiderzee overstak voor oorlog tegen Friesland. Hoe hij naar Ierland reisde om in een onderaardse grot het helse vagevuur van Sint Patricius te voelen. Zijn jaren in het klooster, waarin hij een sprankelende Middelnederlandse tekst schreef. Zijn pogingen om de gigantische erfenis van zijn echtgenote te verwerven, en hoe hij daarvoor zelfs deze Johanna uit haar eigen klooster ontvoerde... En hoe zijn naam door heel Europa roemrucht zou worden: tot in Parijs, waar men college gaf over zijn geval, en tot aan de Engelse koning Henry V.
Frits van Oostrom heeft de geschiedenis van Jan van Brederode, en heel de rijke wereld daaromheen, virtuoos gereconstrueerd en vervat in een meeslepend verhaal.


Ik leende het boek via de bieb en omdat er in heel Zeeland maar 1 exemplaar van is, mocht ik het maar 3 weken houden. Dat is te kort om het hele boek te lezen. Ik vond dat wel jammer, ik zal het later nog eens moeten lenen. Voor nu koos ik voor de laatste twee uitgebreide hoofdstukken: Feiten en fictie, en Nageschiedenis. Ik houd wel van filosoferen over de theorie van de geschiedwetenschap. En Van Oostrom kan ook dáár goed over schrijven en zijn keuzes uitleggen en verdedigen. Hoe het verder ging met de Van Brederodes sprak me ook wel aan. Vreemde volgorde misschien, maar wel een afgerond geheel. En dan later nog maar eens het "echte" verhaal over Jan van Brederode.

- Jean Pierre Rawie - Onmogelijk geluk


Samenvatting:
Jean Pierre Rawie (1951) is een Nederlands dichter en vertaler. Tot op heden schreef hij 19 dichtbundels. In 1992 verscheen Onmogelijk geluk, zijn grootste verkoopsucces. Daarin wordt o.a. over zijn beleving van het overlijden van zijn vader gedicht.

In onze krant las ik een interview met deze heerlijk "ouderwetse" dichter. Daarbij was één van de gedichten uit deze bundel afgedrukt. Een sonnet, waarin hij toonde groot te zijn in de dichttechniek van vroeger: rijm, ritme en metrum voelden zo goed bij deze gedichten, meestal als sonnetten vormgegeven. Daar past een voorbeeld bij:

Interieur

In dit met boeken volgestouwd vertrek
heb ik steeds minder anderen van node,
met al mijn aan de dood ontstegen doden
iedere nacht stilzwijgend in gesprek.

Bij wie is wat ik liefheb nog in trek?
Het meeste is al eeuwen uit de mode.
Van wat ik deed, uit nood of om den brode,
rest enkel de grandeur van het echec.

Maar ook al bood het leven nog zoveel
waar ik mijn tanden op heb stuk gebeten,
één regel, en de wereld raakt vergeten,

één rijm, en het verscheurd heelal wordt heel:
alleen achter mijn schrijftafel gezeten
heb ik opnieuw aan heel de schepping deel.

J.P. Rawie - Onmogelijk geluk - 1992. 

Heerlijk om een stukje Bloem terug te vinden in een dichter van nu.


Tot zover deze keer. Eind maart volgt een nieuw overzicht. Daarin de boeken die ik las voor Ik lees Nederlands van Sandra. En wellicht over Het Bureau, want deel 1 is bijna uit.

© Jannie Trouwborst, maart 2019.

zondag 10 februari 2019

Shinrin-yoku - Francesc Miralles & Hector García

Ikagai

Een duidelijk bewijs voor de gezondheidsvoordelen van contact met de natuur, zijn de zgn. Blue Zones:  vijf plekken op aarde waar de langstlevende mensen wonen. Het zijn allemaal weinig verstedelijkte gebieden waar de natuur sterk aanwezig is. Om hun succesvolle boek Ikagai te schrijven hebben Francesc Miralles en Hector García één van die plekken uitgebreid onderzocht: het zogenaamde "dorp van de honderdjarigen" in het noorden van Okinawa, waar de bewoners midden in de jungle en dicht bij zee wonen.
Ze vroegen de bewoners naar hun eetgewoonten, lichaamsbeweging, relaties met hun buren en hun Ikagai: datgene wat hen ertoe drijft 's morgens hun bed uit te komen om weer aan een nieuwe dag te beginnen. Maar ze ontdekten dat ook de natuurlijke omgeving waarin ze leven een wezenlijke rol blijkt te spelen bij hun fysieke, mentale en spirituele welzijn.

Maar hoe moet dat dan met de stedelingen, vroegen de auteurs zich af. Ook voor hen geldt dat een geregeld contact met de natuur van levensbelang is. En zo gingen ze opnieuw op onderzoek uit en ontdekten dat er in Japan al meer dan 100 jaar een methode is die Shinrin-Yoku wordt genoemd, vrij vertaald: bos-baden. Het is het Japanse geheim voor beter slapen, minder stress en een gezond en gelukkig leven.

Shinrin-Yoku

Het verloren paradijs heet het eerste hoofdstuk, waarin de auteurs de gedenaturaliseerde mens, te midden van de stress in de stad, plaatsen tegenover de mensen in Blue Zones en in groene steden. In het daarop volgende hoofdstuk Terug naar de Hof van Eden behandelen ze de geschiedenis van het contact tussen mens en natuur: van Boeddha en oude Japanse en Chinese wijzen en filosofen, via de Keltische mythologie van het bos, naar tenslotte het avontuur van Thoreau in zijn zelfgebouwde hut bij Lake Walden.

Dat de natuur heilzaam is en veel voor de gezondheid en gemoedstoestand van de mens kan betekenen, lijkt vanzelfsprekend. Maar tegenwoordig vragen we (terecht) om wetenschappelijk bewijs. Dat komt er in het derde hoofdstuk: De wetenschap van Shinrin-Yoku. We beseffen dat stadslucht vervuild is en boslucht zuiverder, maar er is meer aan de hand. Japanse onderzoeksinstituten ontdekten dat de fytociden die bomen afscheiden en die ingeademd worden hormonale veranderingen bevorderen die ten goed komen aan onze gezondheid. In het boek staan 10 grote gezondheidsvoordelen van Shinrin-Yogu die wetenschappelijk zijn aangetoond, waaronder versterking van het immuunsysteem, verlaging van de bloeddruk en het stressniveau. De literatuurlijst achterin het boek geeft onder meer de titels van de wetenschappelijke artikelen.

Na een hoofdstuk over de verschillende Japanse kunstvormen die verband houden met de natuur en die men onderdeel zou kunnen maken van het helende 'bos-bad" komen we aan de concrete toepassingen van Shinrin-Yoku in Japan, maar ook in andere landen waarin erkend wordt dat geregeld in de natuur verblijven belangrijk is voor de mens.

Maar verblijven in een bos is niet genoeg. Vijf stappen die in gedachten gehouden moeten worden zorgen ervoor dat we er het maximale uithalen. Ze zijn uitgewerkt en worden nog eens opgesomd in twee lijstjes: wat juist wel en wat niet te doen tijdens een Shinrin-Yoku. Oneerbiedig samengevat zou je kunnen zeggen: mindfulness en meditatie in het bos. Ook tips voor thuis krijgen een eigen hoofdstuk (thee, etherische oliën, planten in huis en tuin).

De tien principes van de Shinrin-Yoku in het dagelijks leven

Natuurlijk moet je het hele boek lezen om de essentie ervan te doorgronden. Maar de auteurs besluiten het boek met tien sterk verkorte regels.

1. Dompel je één keer per week onder in het groen.
2. Leef vanuit mindfulness
3. Knuffel eens een boom
4. Luister naar het lied van de vogels
5. Wandel zonder doel
6. Blijf even staan om adem te halen
7. Schrijf een haiku
8. Laat je inspireren door wabi-sabi
9. Neem een kop thee
10 Voel de yugen.

Nieuwsgierig naar wat yugen is? Misschien is dat nog wel de belangrijkste tip. Maar dat moet wie interesse heeft dan maar zelf lezen in dit geslaagde boek.

Francesc Miralles & Hector García - Shinrin-Yoku. Amsterdam, Boekenrij, 2018. 188 pg., ills., lit. opg. ISBN:978-90-225-8479-8

© Jannie Trouwborst, februari 2019.

zondag 3 februari 2019

J.J. Voskuil - De moeder van Nicolien

Omdat De buurman (KLIK HIER) van Voskuil me goed bevallen is, informeerde ik bij de grootste Voskuilfan van Nederland, Gerbrand Bakker, welke titel nog meer in aanmerking zou kunnen komen om mijn drempelvrees ten aanzien van Het Bureau te slechten. Hij raadde De moeder van Nicolien aan. 

De schoonmoeder van Maarten Koning

In dagboekvorm lezen we over de veertig laatste jaren van de moeder van Nicolien, de vrouw van Maarten de Koning. Aanvankelijk nog een gezonde, ouder wordende vrouw, maar sluipenderwijs gaat het mis. We maken mee hoe ze langzaam maar zeker dement wordt. Hersenschimmen van Bernlef was schrijnend, doordat we in het hoofd van het slachtoffer zaten, maar De moeder van Nicolien is minstens zo aangrijpend, doordat we meemaken wat er bij de direct betrokken gebeurt.
De tijdspanne tussen de losse dagboekfragmenten omvat aanvankelijk jaren of maanden, later worden dat weken en dagen. Wat eerst nog op vergeetachtigheid lijkt die bij de ouderdom hoort, wordt zo erg, dat er vermoedens ontstaan dat er meer aan de hand is. Pas achteraf valt voor Maarten en Nicolien vast te stellen dat het beginnende dementie was.
Het is de moeder van Nicolien, maar Maarten is bijzonder op haar gesteld. Het is die genegenheid die van deze roman een liefdevol portret gemaakt heeft. Hoewel ook Nicolien haar best doet de situatie het hoofd te bieden, is het toch Maarten die nooit uit zijn slof schiet en met geheugenspelletjes en grapjes probeert ontspannen met zijn gedesoriënteerde schoonmoeder om te gaan. Voor Nicolien is het allemaal veel lastiger en achteraf voelt ze zich schuldig dat ze niet geduldiger was. Maar Maarten probeert dat uit haar hoofd te praten en ook voor de lezer is duidelijk dat het allemaal niet gemakkelijk was. En dat ze er het beste van gemaakt heeft.

Voskuil stijl

Dit is pas het tweede boek dat ik lees van Voskuil, maar toch heb ik al wel enig zicht op de kracht van zijn schrijfstijl, die me zeer aan spreekt. Al kan ik me goed voorstellen dat het een stijl is, die niet bij iedereen aan zal slaan. Net als in De buurman bestaat het verhaal voor een groot deel uit dialogen en veel minder uit beschrijvingen van gebeurtenissen. Heel knap als je dat zo kan opschrijven dat de lezer via de gesprekken de gevoelens kan navoelen die in en tussen de woorden liggen. Daardoor word je veel meer bij de gebeurtenissen betrokken. 
Het verschil met Het Bureau, heb ik me laten vertellen, is dat er maar een beperkt aantal personen in voor komt. Maar dat was in De buurman niet anders. Mij stoort het niet. Ik vind deze kleine romans wel zo prettig. Maarten en Nicolien leerde ik al kennen via De buurman. Ze zijn niet wezenlijk veranderd, als is de toon onderling een stuk milder. Het dramatische verloop van de slopende dementie zet de verhoudingen niet op scherp, zoals bij De buurman, maar verzacht de verschillen in karakter en temperament door de zorgen om hun (schoon)moeder.

Een heel herkenbaar verhaal voor iedereen die te maken heeft/had met een ouder familielid dat aan deze ziekte lijdt/leed. Maar ook zonder dat is het levensecht geschreven en daardoor aangrijpend.

De achtergrond van het boek

Er komen er episodes in voor uit Het Bureau (las ik elders), maar toch was Voskuil al voordat het eerste deel daarvan verscheen met dit verhaal bezig geweest. Pas toen de dementie van zijn schoonmoeder duidelijk begon te worden heeft hij zijn oude dagboekaantekeningen gebruikt om de voorgeschiedenis te achterhalen. En er daarna een chronologisch verhaal van te maken vanaf het moment dat nog niemand doorhad welke sluipende ziekte zijn kop op begon te steken.

In een interview vertelt hij:

"Ik had in de loop van de jaren nogal wat opgeschreven dat ik nu kon begrijpen. Maar het ís niet het dagboek. Mijn aantekeningen hebben slechts de herinnering ondersteund." In Het Bureau speelt de moeder van Nicolien een marginale rol. Hij is blij dat hij dat beeld nu aan kan vullen. "Zij is een veel belangrijker persoon dan je op basis van Het Bureau zou zeggen. Zij is een nuchtere buitenstaander die geen begrip heeft voor de wetenschap, voor het opgeblazen gedoe waarin haar schoonzoon verzeild is geraakt. Zij vervult als het ware de rol die de doodgravers in Hamlet vertolken. In Maartens leven staat ze lijnrecht tegenover de wetenschappers met pretenties."
Voskuil bekent dat de houding van zijn schoonmoeder, uit wie het leven langzaam wegstroomde, hem nog altijd kan ontroeren: "Zij heeft mijn sympathie omdat zij een gewoon, nuchter mens is.  Dicht bij de zin van het leven".

En nu?

Beide boeken zijn me dus bevallen. Ik denk dat ik het eerste deel van Het Bureau nu wel aandurf. Al was het alleen maar om meer over Voskuil zelf te weten te komen. Want dat Maarten en Nicolien de alter ego's zijn voor Voskuil en zijn vrouw is ondertussen wel duidelijk. En ik mag ze wel.
Op een biografie geschreven door Gerbrand Bakker hoef ik niet meer te rekenen, begreep ik uit de column Biograferen in Trouw van 2 februari. Lees even mee:

De laatste Voskuil die ik las, was 'Requiem voor een vriend'. Ik heb nu, op 'Het Bureau' na, alles weer eens gelezen. En hoewel ik donders goed weet dat je dat wat er in een boek staat niet één op één mag verbinden aan de schrijver van het boek, ben ik nu toch wel écht van het idee af een biografie over Voskuil te willen schrijven. Als je alles wat hij geschreven heeft chronologisch zou rangschikken, heb je al snel een heel leven te pakken. Vooruit, een gefictionaliseerd leven, maar dan wel een zeer sterk autobiografisch gefictionaliseerd leven.
Het enige wat je als biograaf zou kunnen doen is de werkelijkheid van de fictie te scheiden. En snel Lousje Voskuil bezoeken. Misschien nog wat medewerkers van het P.J. Meertens Instituut te spreken zien te krijgen. Een afspraak maken met Detlev van Heest (red. huisvriend van de familie Voskuil). Maar dan nog: waarom zou je een biografie over iemand schrijven terwijl de schrijver zelf zijn uiterste best gedaan heeft zijn leven weer te geven zoals hij het in zijn boeken weergegeven heeft? Is dat niet genoeg? Moet je dat niet respecteren? (De hele column is te lezen op het weblog van Gerbrand Bakker: KLIK HIER).

Ik denk dat hij gelijk heeft. En dat er voor mij nog heel veel te lezen valt van en over Voskuil. Wordt vervolgd dus.

J.J. Voskuil - De moeder van Nicolien. Amsterdam, Van Oorschot, 2008. 9de dr. 187g., ISBN:978-90-282-4093-3  (1e dr. 1998).

© Jannie Trouwborst, februari 2019.